www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.214/7 : Onrechtmatige terugname van het lichamelijk roerend goed door de verkoper

    De bepaling

    Indien het lichamelijk roerend goed in strijd met de bepalingen van artikel VII. 147/25 wordt teruggenomen, is de kredietovereenkomst ontbonden. De kredietgever is ertoe gehouden de gestorte bedragen binnen de dertig dagen volledig terug te betalen.

    Commentaar

    De WER regelt in artikel VII.147/25, §1,  het eigendomsvoorbehoud beding en de voorwaarden waarin het goed mag worden teruggenomen. Dit artikel schrijft een originele sanctie voor wanneer het goed wordt teruggenomen zonder dat de voorwaarden van artikel VII.147/25, §1, worden nageleefd.

    De ontbinding van de kredietovereenkomst heeft tot gevolg dat de kredietgever gehouden is alle bedragen die hij heeft ontvangen terug te betalen, maar hij mag daarentegen het goed behouden dat hij heeft teruggenomen in overtreding van artikel VII.108. Deze sanctie is zowel van toepassing op de vormvereisten voorafgaand aan de terugname van het goed als dusdanig (ingebrekestelling, schriftelijke toestemming of machtiging van de rechter) als op de vormvereisten bij de verkoop van het goed (kennisgeving van de verkregen prijs aan de consument, verbod op ongerechtvaardigde verrijking). De rechtbank van eerste aanleg van Luik heeft benadrukt dat het een sanctie betreft ten aanzien van de kredietgever, hetgeen impliceert dat de verkoop zelf niet nietig wordt verklaard. De consument moet het saldo van het krediet (verminderd met de verkoopprijs van het teruggenomen goed) dus niet terugbetalen (Rb. Luik, 29 september 2009, Jaarboek Kredietrecht 2009, 63).

    De wet verplicht tot terugbetaling van de bedragen binnen de dertig dagen na de terugname. Indien, zoals waarschijnlijk lijkt, de teruggave gebeurt na een gerechtelijk vonnis, zal die termijn niet worden gerespecteerd. De kredietgever kan in dergelijk geval worden veroordeeld tot de betaling van nalatigheidsintresten te rekenen vanaf de datum waarop het goed krachtens de wet opeisbaar is geworden.