www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    KB JKP, Art. 13 en 14 : Maximale terugbetalingstermijnen en nulstellingstermijnen

    Hoofdstuk 8 : Maximale terugbetalingstermijnen en nulstellingstermijnen

     

    Toepassingsgebied

    De artikelen VII.95 en VII.147/10 geven de Koning de bevoegdheid om maximale krediettermijnen vast te stellen voor consumentenkredieten en voor hypothecaire leningen met roerende bestemming. Overeenkomstig de artikelen VII.217 en VII.219 moet de Koning bij de uitoefening van deze bevoegdheid het advies inwinnen van de Raad voor het Verbruik en de Nationale Bank. De bepalingen betreffende maximale terugbetalingstermijnen zijn niet van toepassing op kredieten van minder dan 200 euro en evenmin op geoorloofde debetstanden die binnen een maand moeten worden afgelost, en ook niet op kredietovereenkomsten die worden afgesloten met een beleggingsonderneming (artikel VII.3, §3).

    De Koning heeft van deze bevoegdheid gebruik gemaakt in twee artikelen die hier worden toegelicht:

    • Artikel 13 heeft betrekking op de maximale looptijden voor kredietovereenkomsten, met uitzondering van kredietopeningen.
    • Artikel 14 heeft betrekking op de maximale terugbetalingstermijnen die voorzien in periodieke kapitaalaflossingen en op de nulstellingstermijn die op alle kredietopeningen van toepassing is.


     

    Artikel 13: alle kredietovereenkomsten met uitzondering van kredietopeningen

    De termijn begint te lopen binnen twee maanden na de sluiting van de overeenkomst of, wanneer de overeenkomst het goed of de dienst vermeldt, vanaf de kennisgeving bedoeld in de artikelen VII.91 en VII.147/5. Bij de omzetting van Richtlijn 2008/48/EG heeft het koninklijk besluit van 21 juni 2011 ook het specifieke geval geregeld van de kredietovereenkomsten bedoeld in artikel VII.3, §3, 6° voor de terugbetaling van een consumentenkrediet waarvoor de consument reeds in gebreke is. In dat geval begint de termijn te lopen vanaf de ingebrekestelling naar aanleiding van de wanbetaling bij het oorspronkelijke contract.

    De artikelen VII.95, §3 en VII.147/10, §3 laten een overschrijding van de termijn toe voor kredietovereenkomsten die met vaste termijnbedragen worden afgelost en die een variabele debetrentevoet toestaan.  Bij aanpassing mag de consument het behoud van het termijnbedrag eisen, en eveneens de verlenging of de vermindering van de overeengekomen terugbetalingstermijn. De uitoefening van dit recht mag leiden tot overschrijding van de maximale terugbetalingstermijn.

     

     

     

    Artikel 14: de specifieke regeling voor kredietopeningen

     

    Ontstaan (art. 14)

    Volgens het verslag aan de Koning voorafgaand aan het koninklijk besluit van 14 september 2016 : Artikel 13 herneemt artikel 8 van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992. Het zal voortaan ook gelden voor de hypothecaire kredieten met een roerende bestemming maar behoeft voor het overige geen verdere commentaar. Dit artikel werd in deze formulering ingevoerd door het K.B. van 21 juni 2011, waarvan het verslag aan de Koning het volgende specificeerde :

     In het raam van de bestrijding van de overmatige schuldenlast heeft de wetgever bij de laatste wijziging van de WCK uitdrukkelijk artikel 22 WCK willen verstrengen met betrekking tot de nulstellingstermijn. Het betreft een materie die volledig buiten de toepassing van de richtlijn valt. Ten gevolge hiervan werd artikel 9 van het besluit van 4 augustus 1992 volledig herschreven in functie van de nieuwe wetsbepalingen. Er wordt nog steeds een onderscheid gemaakt tussen de kredietopeningen met en zonder kapitaalsdelging. Voor wat deze laatste betreft, wordt er voor de meest voorkomende kredietbedragen (tot 5.000 euro) in een kortere maximale terugbetalingstermijn voorzien, gelet op de problemen die deze met zich meebrengen in het raam van de overmatige schuldenlast. Op deze wijze zal de consument een grotere inspanning moeten leveren.

    Voor wat de kredietopeningen met kapitaalsdelging betreft, wordt er eveneens een strenge nulstellingstermijn voorzien die bovendien korter is dan de maximale terugbetalingstermijn. Zowel de nulstellingstermijnen als de maximale terugbetalingstermijnen zijn afhankelijk van het kredietbedrag. De termijnen worden immers bepaald door het aantal minimale betalingen, bijvoorbeeld 1/12de van het verschuldigd blijvend saldo, dat nodig is om het kredietbedrag af te lossen. Hoe groter het kredietbedrag hoe langer dus de termijn. Met de aflossing van kosten mag er geen rekening gehouden worden.

    De nulstellingstermijn is telkens korter dan de maximale terugbetalingstermijn. Minimale betalingen van 1/12de van het verschuldigd blijvend saldo zijn immers groter dan minimale betalingen van 1/18de van dat zelfde verschuldigd blijvend saldo. Bijvoorbeeld, een minimale betaling van 1/18de van het verschuldigd blijvend saldo, met minimale betalingen van 25 euro, leidt tot een maximale terugbetalingstermijn van 29 maanden bij een kredietbedrag van 700 euro met een debetrentevoet van 10 %. Een minimale betaling van 1/12de van het verschuldigd blijvend saldo, met minimale betalingen van 25 euro, leidt tot een nulstellingstermijn van 24 maanden bij een kredietbedrag van 700 euro met een debetrentevoet van 10 %. Zie ook voorbeeld 13 in bijlage 1 bij dit besluit.

    De langere maximale terugbetalingstermijn maakt dat er geen afbreuk gedaan wordt aan de flexibiliteit die eigen is aan de kredietopeningen in die zin dat de minimale betalingen relatief laag kunnen blijven en de consument de tijdstippen kan kiezen waarop hij meer dan de minimale bedragen betaalt. Op deze wijze wordt er ook vermeden dat, voor kredietopeningen met minimale betalingen in functie van het verschuldigd blijvend saldo, bij een volledige opname van het krediet in het begin een te groot bedrag zou moeten afgelost worden. De kortere nulstellingstermijn maakt dat de consument niettemin een grotere inspanning moet leveren om het opgenomen kapitaal binnen de nulstellingstermijn terug te betalen. Overigens leidt elke nulstellingstermijn er toe dat bij tussentijdse (her)opnames van het beschikbare krediet meer zal moeten afgelost worden dan de minimale betalingen die de maximale terugbetalingstermijn bepalen.

     

     

    Maximale looptijd en nulstelling

    Voor kredietopeningen onderscheidt de maximale looptijd zich van die bij andere kredietovereenkomsten. Het Wetboek staat toe dat kredietovereenkomsten van onbepaalde duur worden afgesloten. Er is dus strikt genomen geen sprake van een maximale looptijd. Aan de andere kant vereist het Wetboek dat de kredietopening periodiek volledig op nul wordt gezet: de consument dient periodiek het volledige bedrag van het krediet terug te betalen.

    Daarnaast legt het Wetboek voor kredietopeningen die voorzien in periodieke kapitaalaflossingen, minimumbedragen vast voor dergelijke aflossingen. Deze periodieke aflossing vermindert het kredietbedrag niet. Het vermindert eenvoudigweg het gebruik van krediet. Zodra de terugbetaling heeft plaatsgevonden, kan de consument nieuwe bedragen opnemen, indien nodig ten belope van het bedrag dat hij net terugbetaalde. De vereiste van een periodieke betaling verplicht de consument om regelmatig af te lossen zonder dat zijn schuld permanent het maximumbedrag van het krediet blijft bedragen.

    De nulstellingstermijn is korter dan de looptijd van het krediet berekend op basis van een periodieke aflossing zonder verdere opnames. Het doel van deze twee maatregelen is het bestrijden van overmatige schuldenlast.

    In tegenstelling tot het koninklijk besluit van 21 juni 2011 heeft het koninklijk besluit van 14 juni 2016 de tellers niet "gereset" door voor alle lopende kredietcontracten een nieuwe nulstellingstermijn te starten.


     

     

    Artikel 14, §2, periodieke minimumaflossing

    Deze paragraaf heeft betrekking op alle kredietopeningen die voorzien in een periodieke aflossing van kapitaal. Volgens het rapport aan de Koning voorafgaand aan het koninklijk besluit van 21 juni 2011 dienen de kredietopeningen of de kredietovereenkomsten met analoge modaliteiten voor minimumaflossingen te worden geregeld. Een uitzondering vormen kaskredieten die gedurende de looptijd alleen de betaling van intresten vereisen.

    De termijn begint te lopen binnen twee maanden na de kredietopneming of, wanneer in de overeenkomst het goed of de dienst wordt genoemd, vanaf de kennisgeving bedoeld in de artikelen VII.91 en VII.147/5. Sommigen zagen in deze bepaling van het K.B. de bevestiging dat het rechtmatig was een kredietopening te gebruiken voor de financiering van een bepaald goed of een bepaalde dienst. Dat standpunt kan niet worden gevolgd (zie de algemene opmerking over de kredietfinanciering van de verkoop van een goed of dienst). Nulstelling moet dus plaatsvinden binnen de in paragraaf 2 van de bepaling vastgestelde maximumtermijn, ook al verandert de debetrentevoet in de loop van de uitvoering van de overeenkomst.

    De termijnen worden berekend op basis van een fractie van het openstaande saldo. Het openstaande saldo wordt in artikel 14, §1 van het K.B. gedefinieerd als het nog niet terugbetaalde bedrag der aan de consument toegestane kredietopnemingen met inbegrip van de debetintresten (en dus zonder rekening te houden met de kosten). Het gaat hier bijgevolg om een ander begrip dan het openstaande saldo zoals gedefinieerd in artikel I.9, 63°, te weten het bedrag dat moet gestort worden om het kapitaal af te lossen of terug te betalen. Het onderscheid komt voort uit het feit dat de debetrente bij het terug te betalen kapitaal moet worden opgeteld om het minimumbedrag van de termijnen te berekenen. Hoewel niet gespecificeerd door het K.B. moeten de rentelasten worden vastgesteld op de dag waarop het bedrag van de te betalen termijn wordt berekend.

    Zonder dat het termijnbedrag lager mag zijn dan ofwel 25 euro, ofwel het verschuldigd saldo indien dit lager zou zijn dan 25 euro.: de enige bedoeling van deze bepaling is om het minimumbedrag van de termijn vast te stellen.

     

     

     

    Artikel 14, §3: Nulstelling voor kredietopeningen met periodieke aflossingen

    Paragraaf 3 van artikel 14 beoogt twee hypothesen: de kredietopeningen bedoeld in paragraaf 2 (de bepaling verwijst naar paragraaf 1 door een fout in de weergave van de bepaling van het K.B. van 4 augustus 1992) die periodieke kapitaalaflossingen voorzien en de andere kredietopeningen die dit niet doen. Voor kredietopeningen met periodieke aflossingen is de nulstellingstermijn korter dan de looptijd van het krediet berekend op basis van een periodieke aflossing zonder verdere opnames.

    In tegenstelling tot het K.B. van 21 juni 2011 had de invoegetreding van het K.B. van 14 september 2016 niet de start tot gevolg van een nieuwe nulstellingstermijn. De berekening van de nulstellingstermijn is gebaseerd op de aanvankelijke debetrentevoet en hoeft niet bij elke wijziging van de debetrentevoet te worden herberekend.


     

     

    Artikel 14, §3: Nulstelling voor kredietopeningen zonder periodieke aflossingen

    Voor kredietopeningen zonder periodieke aflossingen moet nulstelling  plaatsvinden binnen 12 maanden als het bedrag van het krediet minder dan 3.000 euro bedraagt en binnen 60 maanden als het bedrag van het krediet groter of gelijk is aan 3.000 euro.