www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    KB JKP, Art. 11 en 12 : JKP (Maxima)

     

    Toepassingsgebied

    Deze bepalingen zijn alleen van toepassing op consumentenkredieten en hypothecaire kredieten met roerende bestemming. Er is geen maximumlimiet voor hypothecaire leningen met onroerende bestemming.

    Het bestaan van een beperking van het JKP leidt tot een (indirecte) beperking van de debetrentevoeten : de intresten zijn een van de elementen bij de berekening van het JKP. Welke methode de kredietgever ook kiest om de debetrentevoet te berekenen, deze mag niet leiden tot een JKP dat hoger is dan het toegestane maximum.

    Volgens het verslag aan de Koning voorafgaande het KB van 14 september 2016, Artikel 12 herneemt artikel 7bis van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 waarbij de verwijzingen naar de bepalingen van de wet van 12 juni 1991 telkens worden vervangen door verwijzingen naar boek VII. Ook de bijlage werd overeenkomstig aangepast. De bedoeling is dat er geen breuk zou ontstaan met de thans bestaande wettelijke maxima en dat derhalve de laatste aangepaste cijfers en percentages werden weerhouden in de bijlage en dat deze maxima ook voortaan zullen worden toegepast op de hypothecaire kredieten met roerende bestemming.

    De lijst van de maximale JKP's en de historische evolutie ervan is beschikbaar op de website van de FOD Economie. De historiek van deze tarieven tot juni 2016 is ook te vinden op deze site.

     

     

     

    De methode van vergelijking met referentie-indexen

    Artikel VII.94, §1 belast de Koning met de vastlegging van de wijze van vaststelling en aanpassing van het maximale JKP naar gelang van de aard, het bedrag en de looptijd van het krediet. De berekeningsmethode die thans van kracht is en die uitgaat van een vergelijking met referentie-indexen, werd ingevoerd toen het K.B. van 4 augustus 1992 werd gewijzigd door het K.B. van 19 oktober 2006 (tot wijziging van het koninklijk besluit van 4 augustus 1992 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet, met het oog op het bepalen van de maximale jaarlijkse kostenpercentages, B.S., 31/10/2006, p. 58425 e.v.) (Zie de motivering).

    Volgens het Verslag aan de Koning (KB van:19 oktober 2006) :

    Het nieuwe begrip, gedefinieerd in artikel 1, 8°, is voortaan dat van " referentie-index ".

    Er werd gekozen om een onderscheid te maken tussen, enerzijds, de kredietovereenkomsten met doorgaans vaste rentevoeten, waarvoor referentie-indexen die vooral de evolutie van de rentevoeten op middellange termijn aanduiden aangewezen zijn, met name, op basis van de OLO (lineaire obligatie) op korte en middellange termijn, én, anderzijds, de kredietopening waar, ingevolge de variabiliteit van de debetrentevoet, de wijziging van de kredietkosten quasi onmiddellijk opgevangen wordt door een renteverhoging of verlaging en dus het gebruik van een referentie-index die de korte termijnevolutie aanduidt, met name, op basis van de Euribor, meer voor de hand ligt.

    Concreet betekent dit dat voor de kredietopeningen, voor alle bedragen, als referentie-index het maandgemiddelde van " de Euribor op 3 maanden " wordt genomen, berekend door Belgostat.
    Voor alle kredietovereenkomsten andere dan de kredietopeningen, waarbij het aangewezen is dat de referentielooptijd toeneemt naar rato van het ontleende bedrag, wordt, voor de bedragen tot 1.250 euro, een referentie-index op basis van de referentierentevoeten van " de schatkistcertificaten op 12 maanden " genomen, terwijl voor de bedragen tussen 1.250 euro en 5.000 euro en de bedragen hoger dan 5.000 euro, referentie-indexen op basis van de referentierentevoeten van respectievelijk de OLO's op twee en drie jaar wordt genomen. Het gaat in feite om de referte-indexen A, B en C, eveneens maandgemiddelden, berekend door het Rentenfonds, bepaald in het koninklijk besluit van 11 januari 1993 tot vaststelling van de referte-indexen voor de veranderlijke rentevoeten inzake hypothecaire kredieten.

    (...) 

    Er wordt derhalve voorgesteld om een vereenvoudigd rooster te maken van maximale jaarlijkse kostenpercentages waarbij voor alle kredietvormen en -types twaalf verschillende maximale jaarlijkse percentages worden opgenomen. Het begrip looptijd wordt verlaten. De kredietovereenkomsten die niet beantwoorden aan de bijzondere vormen van kredietovereenkomst, zoals de " overbruggingskredieten " tegen een vaste rentevoet met een éénmalige terugbetalingstermijn, worden gelijkgesteld aan de leningen en verkopen op afbetaling.

    Voor de kredietopeningen blijft het onderscheid tussen de overeenkomsten met en zonder kaart behouden. Daarentegen is het niet meer nodig een onderscheid te maken tussen de kredietopeningen van bepaalde en onbepaalde duur vermits 99 % van zowel de kredietopeningen met kaart als de kredietopeningen zonder kaart gesloten worden tegen onbepaalde duur.

     

    Het aanpassingsmechanisme

    De aanpassing gebeurt om de zes maanden door vergelijking met de indexen die worden opgenomen op het einde van de maanden maart en september. De indexen van de maand maart 2016 worden beschouwd als de eerste referentie-indexen. Er wordt rekening gehouden met de schommelingen van 0,75 punten meer of minder. Indien een referentie-index dus van 2,22% naar 2,31 % gaat, dit wil zeggen een schommeling van 9 basispunten, dan gebeurt er geen aanpassing. Indien de index bij de volgende vergelijking, zes maanden later, is gestegen naar 3,02 %, dit wil zeggen een vooruitgang van 0,80 basispunten ten opzichte van de index van maart 2016, dan wordt de referentievoet ook aangepast met hetzelfde aantal basispunten.

    De ontwikkeling van de referentietarieven wordt opgenomen in het maximale JKP. Het K.B. specificeert dat Het nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentage is gelijk aan deze referentievoet afgerond naar de meest nabije eenheid of halve eenheid. Zo wordt een referentietarief van 16,42 % een maximaal JKP van 16,50 % terwijl een referentietarief van 16,78 % een maximaal JKP van 17 % wordt.

    De nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentages worden van kracht op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand van de bekendmaking ervan.

    Het rapport aan de Koning voorafgaand aan het K.B. van 19 oktober 2006 geeft een gedetailleerd voorbeeld (te actualiseren met de informatie in het K.B. van 14 september 2016):

    Het wijzigingsmechanisme kan geïllustreerd worden aan de hand van het volgende voorbeeld :

       a) Vertrekpunt :

    - het maximale jaarlijkse kostenpercentage van een lening op afbetaling waarvan het kredietbedrag hoger is dan 1.250 euro maar lager of gelijk is aan 5.000 euro wordt in de basistabel vastgesteld op 16 %;

    - de eerste van toepassing zijnde referentie-index is " index B ", het maandgemiddelde op basis van de OLO op 2 jaar, berekend door het Rentenfonds, van de maand maart 2006 en bedraagt 2,99 %;

    - de eerste van toepassing zijnde referentievoet is gelijk aan het betreffende maximale JKP uit de basistabel van 16 %.

       b) Schommelingen

    Van zodra het besluit in werking is getreden, dit is de eerste dag van de vierde maand na die waarin het is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, wordt er voor de maand maart 2007 voor een eerste maal nagegaan of " index B " met minstens 0,75 basispunten gestegen of gedaald is ten aanzien van de referentie-index van 2,99 %. Indien er slechts een maximale wijziging van 0,74 basispunten is, meer bepaald, een maximale stijging tot 3,73 % of een maximale daling tot 2,25 %, zal er geen aanpassing zijn van het maximale jaarlijkse kostenpercentage van 16 %.

    Er zal slechts een eerstvolgende keer voor de maand september 2007 nagegaan worden of " index B " met minstens 0,75 basispunten gewijzigd is ten aanzien van de referentie-index van 2,99 %. Indien reeds vooraf " index B ", bijvoorbeeld, van de maand juli 2007 zou gestegen zijn met meer dan 0,75 basispunten ten aanzien van de eerste referentie-index van 2,99 %, wordt hiermee geen rekening gehouden.

       c) Wijziging

    " Index B " van de maand september 2007, blijkt 3,79 % te bedragen en is, bijgevolg, gestegen met 0,80 basispunten tegenover de referentie-index van 2,99 %.

     Deze verhoging met minstens 0,75 basispunten heeft tot gevolg dat :

    - de overeenkomstige referentievoet, die in dit geval gelijk is aan het overeenkomstige maximale jaarlijkse kostenpercentage uit de basistabel van 16 %, verhoogd wordt met een zelfde aantal basispunten van 0,80 tot 16,80 %;
    - het nieuwe maximale JKP voor dit kredietbedrag en -type, gelet op de afrondingsregels, 17 % bedraagt;
    - de nieuwe referentie-index 3,79 % bedraagt.

    d) Bekendmaking

    Er wordt onverwijld overgegaan tot de bekendmaking bij bericht in het Belgisch Staatsblad van het nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentage van 17 %, de nieuwe referentie-index van 3,79 % en de nieuwe referentievoet van 16,80 %, voor wat het betreffende krediettype en -bedrag betreft, die in werking zullen treden op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand van de bekendmaking ervan.

     

    Referentie-index voor kredietopeningen

    De referentie-index is het maandgemiddelde van de interbancaire EURIBOR-rentevoet op drie maanden. In het rapport aan de Koning voorafgaand aan het koninklijk besluit van 14 september 2016 staat dat, om zich te informeren over deze rentevoeten: Het volstaat te kijken naar de publicaties van diverse Europese instellingen waaronder de Europese Centrale Bank.

    Voor kredietopeningen staat de wet een hoger maximumtarief toe als aan de opening een kaart is gekoppeld. In het verslag aan de Koning voorafgaand aan het koninklijk besluit van 21 juni 2001 wordt gezegd: 

      Het is de bedoeling van de stellers van dit ontwerp om voor de bepaling van de maximale jaarlijkse kostenpercentages de huidige omschrijving van een kaart als kredietopnemingsmiddel te behouden en niet de algemene zeer brede definitie van betaalinstrument zoals bedoeld in de wet van 10 december 2009 betreffende de betalingsdiensten. Het voorleggen van een identiteitskaart, een code, een papieren drager, of het sturen van een SMS naar een kredietgever volstaan derhalve niet om beroep te kunnen doen op de hogere maxima zoals opgenomen in bijlage II bij het besluit van 4 augustus 1992. M.a.w. het gaat wel degelijk om een kaart met elektronische chip of strip waarmee elektronische betalingen of geldafhalingen kunnen worden verricht, ook al kunnen er voor deze kaart andere gebruiksmogelijkheden voorzien zijn.

    Bijlage 2 van het koninklijk besluit definieert 'kaart' als Artikel I.9, 10° definieert 'betaalinstrument' als een betaalinstrument in de zin van de wetgeving betreffende de betalingsdiensten, bestemd voor de elektronische overmaking van fondsen, waarbij de elektronische lezing gebeurt aan de hand van een kaart die tevens fungeert als kredietopnemingsmiddel, en waarvan de kosten in de totale kosten van het krediet zijn begrepen op grond van artikel 1, 5°, d) en f) van de wet. In artikel I.9 (10) wordt het betaalinstrument gedefinieerd als elk gepersonaliseerd instrument en/of geheel van procedures, overeengekomen tussen de betalingsdienstgebruiker en de betalingsdienstaanbieder, waarvan de betalingsdienstgebruiker gebruikmaakt om een betalingsopdracht te initiëren

     

    Referentie-index voor de andere overeenkomsten

    Voor de andere contracten zijn de referentie-indexen de indexen bedoeld in artikel 8 van hetzelfde K.B., en meer bepaald

    - voor de bedragen tot 1.250 euro : index A van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 1°;
    - voor de bedragen meer dan 1.250 euro tot 5.000 euro : index B van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2°
    - voor de bedragen hoger dan 5.000 euro : index C van een kalendermaand, bedoeld in artikel 8, eerste lid, 2°

     

     

    Aanpassing van de indexen

    De aanpassing vindt om de zes maanden plaats, eind maart en eind september. De referentie-indexen van de maand maart 2016 worden beschouwd als de eerste referentie-indexen. De aanpassingen van de maximale JKP's vinden plaats bij elke volgende wijziging van de referentie-index met ten minste 0,75 punten. De maximale JKP's worden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad

     

     

     

    Bijzondere regel voor renteloze kredieten van minder dan twee maanden (VII.3, §2, 3°)

    In artikel 12, §4 van het KB van 14 september 2016 is een speciale berekening opgenomen voor renteloze kredieten van minder dan twee maanden. Deze kredieten zijn volledig vrijgesteld van de toepassing van de bepalingen van het Wetboek inzake gereglementeerde kredieten, op voorwaarde dat de kredietgever per maand minder dan 4,17 euro aan kosten in rekening brengt (verhoogd tot 4,8 € volgens de mededeling gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 1 januari 2019). Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd. Indien dit bedrag wordt overschreden, gaat het om een krediet dat volledig onderworpen is aan de bepalingen van het Wetboek. Voor dat geval legt artikel 12, §4 een welbepaalde berekeningsmethode vast. Het JKP moet worden berekend zonder rekening te houden met de veronderstellingen van artikel 4, §2, 5°. Er moeten worden uitgegaan van de veronderstellingen van artikel 4, §1, lid 1, en van §2, 1° van het K.B. Dit betekent dat het kapitaal wordt verondersteld in één keer bij het sluiten van de overeenkomst te zijn opgenomen en dat de consument de opgenomen bedragen terugbetaalt volgens de voorwaarden en op de data die in de kredietovereenkomst zijn vastgesteld (in tegenstelling tot het geval van artikel 4, §2, 5° waarin het kapitaal wordt geacht door de consument in gelijke maandelijkse aflossingen te worden terugbetaald en waarbij de terugbetaling ingaat één maand na de datum van de eerste opname).