www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.126, § 2 tot 4: Het kredietaanvraagformulier

    Artikel VII.126, § 2, § 3 en § 4

      § 2. De kredietgever of desgevallend de kredietbemiddelaar legt respectievelijk aan de consument en aan de persoonlijke zekerheidssteller een kredietaanvraagformulier of, desgevallend, een informatieaanvraagformulier voor onder de vorm van een vragenlijst met een beschrijving van alle informatie gevraagd door de kredietgever en/of de kredietbemiddelaar overeenkomstig § 1, eerste lid. Met het oog op de bewijslevering van de verbintenissen die voortvloeien uit dit artikel is de kredietgever gehouden dit formulier te bewaren zolang het opgenomen krediet niet werd terugbetaald. De informatie verstrekt door de consument of door de persoonlijke zekerheidssteller mag slechts worden meegedeeld aan en uitsluitend verwerkt worden door de personen bedoeld in artikel VII.119, § 1, en, desgevallend, door de kredietbemiddelaar.
      De kredietgever en, desgevallend de kredietbemiddelaar, specifieert in de precontractuele fase op een duidelijke en begrijpelijke wijze welke noodzakelijke informatie en onafhankelijk verifieerbare bewijsstukken de consument moet verstrekken en binnen welke termijn de consument die informatie moet verstrekken.
      De vragenlijst heeft minstens betrekking op het doel van het krediet, het inkomen, de personen ten laste, de lopende financiële verbintenissen waaronder het openstaand bedrag en het aantal kredieten in omloop. De Koning kan deze lijst aanvullen ingeval het kredietbedrag 3 000 euro overschrijdt.
      De vragenlijst vermeldt de bestanden die, overeenkomstig artikel VII.137, zullen worden geraadpleegd.
      § 3. De aanvraagformulieren bedoeld in paragraaf 2, eerste lid moet minstens de volgende gegevens bevatten :
      1° het tarief van de door de kredietgever gevraagde kosten;
      2° een verwijzing naar de van toepassing zijnde prospectus en de aanduiding van de plaats waar die beschikbaar is;
      3° indien de rentetarieven afzonderlijk bij de prospectus gevoegd worden, de dagtekening van deze tarieven.
      § 4. De ontvangen informatie wordt naar behoren geverifieerd, inclusief door middel van raadpleging van onafhankelijk verifieerbare stukken, indien nodig.

    Commentaar

    Principe

    Het Wetboek legt aan de beroepsbeoefenaar de verplichting op om de inlichtingen te verzamelen op een "kredietaanvraagformulier" (indien het de kredietnemer betreft) of een "informatieaanvraagformulier" (indien het de persoonlijke zekerheidssteller betreft). Deze formulieren moeten worden voorgelegd onder de vorm van een vragenlijst "met een beschrijving van alle informatie gevraagd door de kredietgever en/of de kredietbemiddelaar" (VII.126, § 2, 1e lid).  Volgens die bepaling moet de vragenlijst ten minste vragen bevatten betreffende het doel van het krediet, het inkomen, de personen ten laste, de lopende financiële verbintenissen waaronder het openstaand bedrag en het aantal kredieten in omloop.

    De vragenlijst is altijd verplicht

    De vragenlijst moet verplicht worden voorgelegd aan de consument. Het is immers een essentiële fase in het proces van totstandkoming van de overeenkomst. De gehele geest van het WER en van de richtlijn rust op de afstemming van het krediet op de behoeften van de consument en zijn terugbetalingscapaciteit. De vragenlijst is dus de sokkel waarop de raadgevingsplicht en de beoordeling van de kredietwaardigheid wordt gebouwd. De kredietgevers moeten deze formulieren bewaren als bewijs tot de volledige terugbetaling van het krediet.

    De wet legt aldus een bijzonder bewijsmiddel op aan de beroepsbeoefenaars. De vragenlijst (en de eventuele verduidelijkingen die worden aangebracht ten gevolge van de aanvullende vragen van de kredietgever of van de bemiddelaar), vormt het enige toegelaten bewijsmiddel. Indien hij niet beschikt over de vragenlijst, kan de kredietgever niet aantonen aan de hand van andere bewijsmiddelen dat hij over voldoende informatie beschikte om de kredietwaardigheid te beoordelen. Daarentegen, indien de vragenlijst bestaat, kan de kredietgever aantonen dat hij andere informatie in aanmerking heeft genomen, die hij bijvoorbeeld uit zijn eigen databank heeft gehaald.

    De vragenlijst die met de hand wordt ingevuld door de consument: een goede praktijk van de zorgvuldige en voorzichtige beroepsbeoefenaar

    Het gebruik van de term "vragenlijst" betekent dat de consument zelf de vragen moet beantwoorden die deze bevat. Het kan dus niet gaan om een formulier waarop vooraf ingevulde en gestandaardiseerde gegevens voorkomen waarmee de consument zich akkoord verklaart door de loutere ondertekening ervan.

    De wet vereist niet dat de vragenlijst wordt ingevuld met de hand door de consument of de persoonlijke zekerheidsteller. Deze zeer aanbevolen praktijk is de beste manier om te beantwoorden aan de doelstellingen die worden nagestreefd door de wetgeving. Zij dringt zich om verschillende reden op als een gedragsregel van de zorgvuldige en voorzichtige kredietgever:

    • Indien de consument ze met de hand invult, betekent dit dat de vragen voldoende duidelijk zijn en dat hij in staat is om de draagwijdte ervan te begrijpen. Het is net het doel van het Wetboek om van de consument een zo geïnformeerd mogelijke toestemming te krijgen. Het vermogen van de consument om de vragenlijst alleen te beantwoorden geeft blijk van de mate waarin de ondertekenaar de draagwijdte begrijpt van de verbintenis die hij wil aangaan. Omgekeerd zal het feit dat de consument moeilijkheden ondervindt bij het invullen ervan de aandacht van de kredietgever vestigen op de noodzaak om bijkomende toelichtingen te verstrekken in de zin van artikel VII.129.
    • De vragenlijst verplicht de consument om zich bewust te worden van het belang van de verbintenissen die hij al is aangegaan en van zijn financiële situatie. Het is een nuttig instrument in de strijd tegen impulsieve kredietaanvragen. Door de consument uit te nodigen om de vragenlijst met de hand in te vullen, verzekert de beroepsbeoefenaar zich van de kwaliteit van de toestemming van de consument.
    • In te veel gevallen, waar de vragenlijsten ingevuld werden door de beroepsbeoefenaar, werd de administratie op de hoogte gebracht van praktijken van bemiddelaars of verbonden agenten, die niet alle door de consument gegeven informatie hebben overgeschreven of zelfs, in extreme gevallen, de consument aangemoedigd hebben om bepaalde verbintenissen niet te vermelden of andere te minimaliseren. Door de vereiste dat de vragenlijst met de hand moet worden ingevuld door de consument kan het risico op dergelijke oneerlijke praktijken verminderd worden.
    • Indien de kredietaanvraag wordt ingevuld door een commercieel medewerker, rust de bewijslast dat de informatie die daarin is opgenomen overeenstemt met de door de consument meegedeelde informatie op de kredietgever. Het formulier kan de bewijslast niet omkeren met toepassing van artikel VII.2, § 4.

    De kredietgever moet een individueel onderzoek verrichten, hetgeen impliceert dat hij de mogelijke antwoorden niet beperkt tot gestandaardiseerde antwoorden in een lijst, maar dat hij de consument uitnodigt om uitleg te verstrekken in “vrije velden”. De door de consument opgestelde antwoorden kunnen desgevallend worden ingegeven door de commerciële medewerker van de kredietgever in zijn informaticasysteem, zodat de kredietgever over “gestandaardiseerde” antwoorden beschikt voor intern gebruik. Dit document mag niet ter ondertekening worden voorgelegd aan de consument.

    De kredietgever moet dit formulier bewaren zolang het krediet niet volledig is terugbetaald.

    Ondertekening van de vragenlijst

    Hoewel dit evenmin vereist is door de wettekst, is de ondertekening van de vragenlijst ten zeerste aangeraden. Bij gebreke zou de informatie van de vragenlijst moeten beschouwd worden als zuivere indicaties zonder verbintenis van de consument (Vred. Sint-Niklaas (2e kanton), 20 februari 1997, D.C.C.R., 1997, 157 en opm. F. Domont Naert ; Vred. Wellin, 1 september 1993, D.C.C.R., 1994, 56 ; Rb. Gent, 30 juni 1997, Jaarboek Kredietrecht, 1997, 69; D.C.C.R, 1998, 118 en noot M. Dambre, “Informatie- en onderzoeksplicht inzake consumentenkrediet”, 124 ; Vred. Brasschaat, 27 mei 1997, T. Vred., 1998, 555; Vred. St-Niklaas, 25 februari 1998, Jaarboek Kredietrecht, 1998, 147; Rb. Gent, 10 december 1999, T. Vred., 2002, 82).

    De verplichting om juiste en volledige antwoorden te verstrekken

    De kredietgever moet een individueel onderzoek verrichten en de consument en de persoon die zich als zekerheid verbindt moeten juiste en volledige antwoorden geven. Dit impliceert dat de vragenlijst zich niet mag beperken tot een keuze tussen gestandaardiseerde antwoorden in een lijst maar de consument moet uitnodigen om de toelichting te verstrekken in “vrije velden”.

    De kredietgever moet ervoor zorgen dat de consument alle vragen die hem gesteld worden volledig beantwoordt. Een kredietgever die zich baseert op een vragenlijst waarvan sommige antwoorden op de vragen die worden opgelegd door artikel VII.69, §2 blanco worden gelaten of slecht worden ingevuld door de consument vervult niet zijn wettelijke verplichtingen.

    De kredietwaardigheidsbeoordeling van de consument berust, onder andere, op de antwoorden die door de consument worden verstrekt tijdens de precontractuele fase. Indien de consument onjuiste antwoorden verstrekt, stelt hij zich bloot aan de gerechtelijke ontbinding van de kredietovereenkomst te zijner laste. Het is belangrijk dat de kredietgevers tijdens de precontractuele fase de aandacht van de consument vestigen op het belang van de antwoorden die hij zal verstrekken en van de juistheid ervan. Het is dus aanbevolen om in het formulier een waarschuwing op te nemen betreffende de gevolgen van de weglatingen of onjuiste of onvolledige verklaringen.

    De wet vereist niet dat een kopie van de ingevulde vragenlijst wordt overhandigd aan de consument maar deze praktijk verdient aanbeveling.

    Datum van de informatie

    De wet bepaalt niet op welk moment de informatie moet verzameld worden. De eigenlijke informatie moet worden gevraagd bij het begin van de onderhandeling met de consument (onder meer om te voldoen aan de verplichting om gepersonaliseerde precontractuele informatie (ESIS) te verstrekken en een kredietaanbod dat is aangepast aan de uitgedrukte behoeften). Zij moeten ten laatste in het bezit van de kredietgever zijn op het moment dat deze het kredietaanbod opstelt.

    Daarentegen, des te ouder de inlichtingen en in het bijzonder de bewijsstukken zijn, des te meer zij dreigen voorbijgestreefd en dus onjuist te zijn. In het kader van de passende procedures die zij moeten aannemen, zullen de kredietgevers erover waken dat zij de geldigheidstermijnen van de aan de consument gevraagde bewijsstukken verduidelijken, zoals bijvoorbeeld, voor de loonfiche.

    Het koninklijk besluit van 23 maart 2017 (tot regeling van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren) bepaalt in artikel 10: de kredietgever raadpleegt de Centrale:

    1° in geval van een consumentenkrediet of een hypothecair krediet met een roerende bestemming waarvoor geen verplichting geldt tot het voorleggen van een kredietaanbod, binnen een termijn van twintig dagen die aan het sluiten van de kredietovereenkomst voorafgaat;
    2° in geval van een hypothecair krediet waarvoor de verplichting geldt tot het voorleggen van een kredietaanbod, binnen een termijn van vijftien dagen die aan het overhandigen van het aanbod voorafgaat. Deze raadpleging blijft gedurende vijfenveertig dagen geldig.

    Indien de hypothecaire kredietovereenkomst niet werd gesloten binnen vier maanden na deze raadpleging moet de kredietgever een nieuwe raadpleging verrichten (Artikel 10, 2° van het koninklijk besluit van 7 juli 2002 tot regeling van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren).

    Het onderhoud met de consument: waarborgen van de vertrouwelijkheid

    In de feiten verloopt dit onderzoek meestal in de vorm van een onderhoud in de loop waarvan de consument de aan hem gestelde vragen zal beantwoorden en spontaan informatie zal verstrekken zowel betreffende zijn project als zijn persoonlijke situatie. Het is belangrijk dat  de kredietgever, of zijn bemiddelaar, in de praktische omstandigheden voorziet die de consument toelaten om de vragen volledig te beantwoorden: voldoende tijd wordt besteed aan deze fase, het onderhoud vindt plaats op een plaats die de vertrouwelijkheid van de door de consument gegeven antwoorden waarborgt (bij voorkeur in een kantoor dat fysiek afgescheiden is van de rest van de verkoopruimte), de vragen zijn duidelijk en worden desgevallend uitgelegd.

    De vragenlijst in het krediet op afstand

    Indien een kredietaanvraag door de consument wordt ingediend op een informaticaplatform van de kredietgever (bijvoorbeeld een website) moeten alle door de consument ingegeven gegevens ongewijzigd bewaard worden. Bovendien moet de kredietgever de consument duidelijk informeren dat hij over de mogelijkheid beschikt om de kredietgever te contacteren om hem te helpen bij het invullen van de vragenlijst.

    Wanneer de aanvraag wordt ingediend door een mededeling op afstand van vocale aard, aanvaardt de FOD Economie dat de kredietgever de vragenlijst niet voorlegt aan de consument indien het gesprek wordt opgenomen en bewaard gedurende, ten minste, de gehele looptijd van het krediet. Indien de kredietgever gebruik maakt van deze mogelijkheid, maakt hij aan de consument, voor de totstandkoming van het krediet, op een duurzame gegevensdrager een samenvatting over van de antwoorden die hij heeft verstrekt.

    De inhoud van de vragenlijst

    De in te zamelen informatie

    Krachtens artikel VII.126, §2, lid 3 moet deze vragenlijst de consument ten minsten ondervragen over de volgende elementen: Het doel van het krediet, het inkomen, de personen ten laste, de lopende financiële verbintenissen waaronder het openstaand bedrag en het aantal kredieten in omloop. Het betreft een minimumlijst. De kredietgever moet, op basis van zijn ervaring, alle informatie bepalen die hij nodig heeft. De FOD Economie identificeert in dit opzicht andere uitgaven van de consument: onderhoud van de woning, voeding, energie, vervoer, watervoorziening, kleding, verzekeringen, telecommunicatie, belastingen, hobby’s…

    De gezondheidskosten zijn met opzet weggelaten uit deze lijst. Rekening houdend met het verbod dat wordt opgelegd door de wet, moet er de voorkeur aan gegeven worden dat de kredietgever de consument niet ondervraag over dit soort kosten. De kredietgever moet er niettemin voor zorgen dat de consument in staat is om de normale uitgaven inzake gezondheidszorg te betalen bij de kredietwaardigheidsbeoordeling. De kredietaanvraag ondervraagt de consument eveneens over het bedrag en de looptijd van het gewenste krediet.

    De waarschuwing betreffende de verplichting om inlichtingen te verstrekken

    Volgens artikel VII.126, § 1, lid 3 waarschuwt de kredietgever of de kredietbemiddelaar de consument dat, indien de kredietgever geen kredietwaardigheidsbeoordeling kan uitvoeren omdat de consument ervoor kiest de voor een kredietwaardigheidsbeoordeling vereiste informatie of controlegegevens niet te verstrekken, het krediet niet kan worden toegekend. Deze waarschuwing kan in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.

    Deze waarschuwing kan nuttig worden opgenomen in hoofding van de vragenlijst die aan de klant wordt voorgelegd samen met de herinnering betreffende de verplichting om juiste en volledige inlichtingen te verstrekken.

    De vermelding van de vereiste bewijsstukken

    De kredietgever en, desgevallend, de kredietbemiddelaar, specificeert in de precontractuele fase op een duidelijke en begrijpelijke wijze welke noodzakelijke informatie en onafhankelijk verifieerbare bewijsstukken de consument moet verstrekken en binnen welke termijn de consument die informatie moet verstrekken (VII.126, § 2, lid 2). Het is nuttig om in het formulier de informatie te voorzien die vereist is betreffende de te verstrekken stukken. Deze vermelding kan nuttig worden opgenomen in het formulier naast de informatie die het bewijsstuk moet staven.

    De vermelding van de geraadpleegde databanken

    Het formulier moet de aanduiding bevatten van de databanken die zullen geraadpleegd worden, dit wil zeggen, minstens de Centrale voor Kredieten aan Particulieren en de databanken van de kredietgever.

    De mededeling betreffende de tarieven en de financiële voorwaarden

    Artikel VII.126, § 3: De aanvraagformulieren bedoeld in paragraaf 2, eerste lid moet minstens de volgende gegevens bevatten:

      1° het tarief van de door de kredietgever gevraagde kosten;

      2° een verwijzing naar de van toepassing zijnde prospectus en de aanduiding van de plaats waar die beschikbaar is;

      3° indien de rentetarieven afzonderlijk bij de prospectus gevoegd worden, de dagtekening van deze tarieven.

    De aanbevelingen van de Guidelines v/d administratie (consumentenkrediet)

    zie de volledige tekst van de guidelines