www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.147/26: Totstandkoming van de zekerheidsovereenkomst (HK)

    Artikel VII.147/26

    § 1. De borgtocht en, desgevallend, elke andere vorm van zekerheid toegestaan door derden-consumenten voor de verbintenissen die voortvloeien uit een kredietovereenkomst geven nauwkeurig het bedrag weer dat gewaarborgd is. De gevraagde zekerheden gelden enkel voor deze bedragen, eventueel verhoogd met de nalatigheidsintresten, met uitsluiting van alle andere boetes of kosten van niet-uitvoering. De kredietgever dient hiertoe voorafgaandelijk en gratis aan de borg en, desgevallend, aan de steller van een zekerheid een exemplaar van het kredietcontract te overhandigen.
      § 2. Elke overeenkomst tot zekerheidsstelling, waarvan de zekerheidssteller wordt geregistreerd overeenkomstig artikel VII.148. § 2, 1°, vermeldt :
      1° de clausule : "De kredietovereenkomst, waarvoor u deze zekerheid hebt gesteld maakt het voorwerp uit van een registratie bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren waarbij u overeenkomstig artikel VII.148, § 2, 1°, wordt geregistreerd als zekerheidssteller";
      2° de doeleinden van de verwerking in de Centrale;
      3° de naam van de Centrale;
      4° het bestaan van een recht op toegang, op verbetering en op uitwissing van de gegevens alsook de bewaartermijnen van deze laatste.
      § 3. De kredietgever stelt iedere steller van een zekerheid in kennis van de totstandkoming van de kredietovereenkomst en, voorafgaandelijk, van elke wijziging van deze overeenkomst.
      Voor de kredietovereenkomsten gesloten voor een onbepaalde duur kan door de kredietgever slechts een borgtocht of een persoonlijke zekerheid worden gevraagd voor een periode van vijf jaar. Deze periode kan slechts hernieuwd worden bij afloop en met het uitdrukkelijk goedvinden van de borg of de persoon die een persoonlijke zekerheid heeft gesteld.

     

    De regels van totstandkoming van de zekerheidsovereenkomst

    Artikel VII.147/26 bevat beknopte regels betreffende de totstandkoming van de verbintenis van de zekerheid. Deze regels moeten desgevallend worden aangevuld door de verplichtingen die voortvloeien uit Boek VI en de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek, inzonderheid deze die betrekking hebben op de kosteloze borgen (zie in dit opzicht de algemene commentaar over de zekerheden):

    1. Worden beheerst, de zekerheden die gesteld worden door derden met uitsluiting dus van de zekerheden die worden toegestaan door de consument-kredietnemer zelf.
    2. Om de bescherming te genieten moet de zekerheid zijn toegestaan door een consument in de zin van het WER.
    3. De door de derde-consument ondertekende akte tot vestiging van de zekerheid moet het gewaarborgde bedrag vermelden, dat niet de straffen en kosten van niet-uitvoering mag bevatten.
    4. De kredietovereenkomst moet overhandigd worden aan de consument voordat hij zich verbindt.
    5. De derde-consument moet op de hoogte worden gebracht dat zijn verbintenis zal geregistreerd worden bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren.
    6. Indien het gewaarborgde krediet van onbepaalde duur is, mag de verbintenis van de derde-consument langer duren dan 5 jaar.

    Opgelet:  de eerste en tweede zin van de bepaling zijn van toepassing op de lopende hypothecaire kredieten bij de inwerkingtreding van artikel 147/26, op 1 juli 2017..

     

     

    De verbintenis van de derde-consument is een specifieke verbintenis / uitsluiting van de "omnibuszekerheid"

    Uit de hoger opgesomde regels blijkt dat de derde-borg slechts een bepaald bedrag kan waarborgen en dat dat bedrag slechts het bedrag mag zijn dat door de consument-kredietnemer verschuldigd zou kunnen zijn in het kader van de overeenkomst waarvan de derde-consument kennis heeft kunnen nemen (met uitsluiting van de straffen en kosten van niet-uitvoering). De gereglementeerde stelsels laten niet toe dat de derde-consument zich verbindt voor alle sommen. Zijn verbintenis moet specifiek de kredietovereenkomst dekken die hem vooraf werd voorgelegd. Uit deze vaststelling vloeien verschillende gevolgen voort:

    1. Een vroegere verbintenis voor alle sommen (bijvoorbeeld een borgtocht of een hypotheekstelling) kan geen latere verbintenis waarborgen. Dit geldt ongeacht of de vroegere verbintenis is aangegaan voor privé- of voor professionele doeleinden. Dit gevolg dringt zich op omdat derde-consument, per definitie, de nieuwe akte niet zal ontvangen hebben vóór zijn verbintenis.
    2. Een vroegere verbintenis voor alle sommen die werd aangegaan door echtgenoten kan niet dienen voor het waarborgen van een krediet dat werd toegestaan aan één van hen, zelfs indien deze hypothese voorzien is in een contractueel beding. De echtgenoot, die niet betrokken is bij de schuld, zal immers niet vooraf een kopie van de akte ontvangen hebben. Dezelfde verbintenis zal evenwel de latere schulden dekken die worden aangegaan door de twee echtgenoten vermits de verbintenis in dat geval wordt aangegaan door de kredietnemers en niet door een derde.
    3. De verbintenis die wordt aangegaan door de derde-consument kan geen andere schulden dekken dan deze van de kredietovereenkomst die hem werd voorgelegd. Dit gevolg vloeit voort uit de verplichting om de kredietovereenkomst vooraf mee te delen, de zekerheid te vermelden in de kredietovereenkomst (VII.78, § 3, 10° en VII.134, § 3, 10°), de verbintenis van de derde-consument te registreren bij de CKP en hem te informeren door een specifieke bepaling van de overeenkomst (VII.109, § 2 en VII.147/26, § 2) en uit de beperking van de verbintenis tot vijf jaar wanneer de kredietovereenkomst van onbepaalde duur is.

    Los van het impliciete maar zekere verbod dat de artikelen VII.109 en VII.147/26 bevatten, zou een verbintenis voor alle sommen die wordt aangegaan door een derde-consument en die zou toelaten verbintenissen te dekken die zouden kunnen voortvloeien uit schulden die zonder zijn medeweten zijn ontstaan, eveneens kunnen beschouwd worden als een onrechtmatig beding. Men kan immers denken dat deze verbintenis een kennelijk onevenwicht schept tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument die zich verbindt. Indien deze verbintenis het voorwerp is van de overeenkomst, is het de verbintenis zelf die in zijn geheel nietig zou moeten worden verklaard volgens de analyse die we kunnen halen uit het arrest van 14 juni 2012 van het HvJ (voor een commentaar betreffende het potentieel onrechtmatige karakter van de verbintenis van waarborg voor alle sommen, zie BIQUET-MATHIEU, C., "Les sûretés", in Le crédit aux consommateurs et aux P.M.E., CUP;. Vol. 170, Brussel, Larcier, 2016, p.410, nr. 497 e.v.; zie betreffende deze vragen eveneens JOISTEN P., "Les sûretés", in Le crédit hypothécaire au consommateur, ULG/UCL, Larcier, Coll. Patrimoine et notariat, 2017, p.381 e.v.; JOISTEN, P.,  "Hypothèque pour toutes créances : entre déterminabilité, caducité et nulllité", R.G.D.C. 2018, p.191). Hieruit volgt dat een consument in de zin van een persoon die handelt voor andere doeleinden dan een beroepsactiviteit, nooit een omnibuszekerheid kan verlenen voor de verbintenissen van een derde, zoals bijvoorbeeld professionele kredieten die niet onder de werkingssfeer van Boek VII WER vallen.

     

    Verplichting tot kredietwaardigheidsbeoordeling ten aanzien van de persoonlijke zekerheidstellers

    Voor de persoonlijke zekerheidstellers en inzonderheid de borgen mag niet uit het oog worden verloren dat de kredietgever en de kredietbemiddelaar specifieke verplichtingen hebben tijdens de precontractuele fase. Zij moeten de juiste en volledige informatie verzamelen die de kredietgever noodzakelijk acht om hun financiële toestand en hun terugbetalingsmogelijkheden te beoordelen. De beroepsbeoefenaars moeten te dien einde aan deze personen een vragenlijst voorleggen die minstens betrekking heeft op het doel van het krediet, het inkomen, de personen ten laste, de lopende financiële verbintenissen waaronder het openstaand bedrag en het aantal kredieten in omloop.

    Bovendien moet de kredietgever de kredietwaardigheid van deze personen grondig controleren en, te dien einde, de Centrale voor Kredieten aan Particulieren raadplegen (VII.77, § 1 - VII.133, § 1). Het kredietdossier dat de kredietgever gehouden is te bewaren tot het einde van de kredietovereenkomst, moet de informatie bevatten die hem in staat hebben gesteld aan te tonen dat de persoonlijke zekerheidsteller voldoende kredietwaardig was.

    Wij herinneren eraan dat de kredietwaardigheid van de kredietnemer niet louter aan de hand van de waarde van het in hypotheek gegeven onroerend goed kan verantwoord worden (VII.133, § 2). Indien zou blijken dat de kredietgever een fout heeft begaan bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument-kredietnemer, kan hij hiervoor eveneens aansprakelijk worden gehouden ten aanzien van de zekerheidsteller.

    De persoon die de persoonlijke zekerheid stelt, heeft het recht om van de kredietgever te verwachten dat hij als een normaal redelijke en zorgvuldige kredietgever optreedt. Indien de kredietgever de kredietwaardigheid van de kredietnemer op kennelijke onredelijke wijze beoordeelt, is hij aansprakelijk tegenover de persoon die een garantie heeft gegeven of een zekerheid heeft gesteld. Anderzijds moet de persoon die de zekerheid heeft gesteld, ook voorzichtig te werk gaan en is hij/zij verplicht zich bij de hoofdschuldenaar te informeren over de risico's van de transactie die hij/zij moet waarborgen (Gent, 3 oktober 2018, RAGB 2019, 438).

     

    De zekerheidsakte moet het gewaarborgde bedrag vermelden

    Het wetboek (VII.147/26, §1) verplicht, op straffe van nietigheid van de verbintenis van de zekerheidssteller, het gewaarborgde bedrag in de overeenkomst te vermelden. Bovendien bepaalt artikel VII.147/26, §1 dat de verbintenis van de zekerheidsstellers slechts geldt voor het gewaarborgde bedrag, eventueel vermeerderd met nalatigheidsintresten, met uitsluiting van alle andere boetes of kosten van niet-uitvoering.

    Het gewaarborgde bedrag bedoeld in artikel VII.147/26, §1 is een hoofdsom. Dit bedrag kan, naast het gefinancierde kapitaal, ook de vervallen en niet-betaalde kredietintresten omvatten (C. BIQUET-MATHIEU, "Les sûretés personnelles", in Handboek consumentenkrediet, ed. E. Terryn, Die Keure, 2007, p. 237, nr 42). Het gewaarborgde bedrag kan dus hoger zijn dan het kapitaalbedrag van het krediet, om de vergoedende interesten die onbetaald zijn gebleven geheel of gedeeltelijk te dekken.

     

    Nalatigheidsinteresten verschuldigd door de hoofdschuldenaar

    Om een einde te maken aan een vroegere controverse heeft de wetgever in 2003 in de WCK verduidelijkt dat de verbintenis van zekerheid slechts gold voor het gewaarborgde bedrag, eventueel verhoogd met de nalatigheidsinteresten, “met uitsluiting van alle andere boetes of kosten van niet-uitvoering” (zie de discussie in dit opzicht in de parlementaire voorbereiding (Parl. St., Kamer, 2001-2002, nr. 1730/1, p. 31). Deze beperking vindt men eveneens terug in artikel VII.147/26, § 1. De verbintenissen van de persoonlijke zekerheidssteller mogen dus enkel worden uitgebreid, door een bepaling in de overeenkomst, tot de nalatigheidsintresten met uitsluiting van andere boetes en kosten van niet-uitvoering die door de hoofdschuldenaar verschuldigd zijn. Deze regel is van toepassing op alle zekerheden. Het is daarentegen niet vereist om het bedrag van de gewaarborgde nalatigheidsintresten forfaitair in de overeenkomst te berekenen. Het volstaat in de overeenkomst te bepalen dat de waarborg ook betrekking heeft op de nalatigheidsintresten (Parl. St., Kamer, 2001-2002, n° 1730/1, p. 32).

    Het feit dat het gewaarborgde bedrag eventueel kan verhoogd worden met de nalatigheidsinteresten betekent concreet dat de nalatigheidsinteresten die verschuldigd zijn door de kredietnemer kunnen gewaarborgd worden door de zekerheid boven het gewaarborgde bedrag. De bedragen die zo kunnen worden toegevoegd, moeten berekend worden met inachtneming van artikel VII.147/22, § 3. De nalatigheidsinterest zal bestaan uit hoogstens twee bestanddelen: een forfait aan de maandelijkse rentevoet die overeenstemt met de jaarlijkse debetrentevoet van 0,5 % (d.w.z. 0,04157%) die wordt toegepast op het verschuldigd blijvende saldo op het moment van de wanbetaling en een interest aan de conventionele rentevoet verhoogd met 0,5 % op jaarbasis toegepast op het onbetaalde kapitaal vanaf de datum van de wanbetaling tot de effectieve betaling (art. VII.147/23, § 2, 3°). Elk beding dat deze grenzen overschrijdt, wordt als niet geschreven beschouwd, hetgeen betekent dat geen enkele nalatigheidsinterest zal verschuldigd zijn (VII.147/22, § 6, VII.147/23, § 3 en VII.213 WER).

    De vervallen interesten die overeenstemmen met de normale uitvoering van de kredietovereenkomst, dit wil zeggen de vergoedende interesten, kunnen niet gedekt worden boven het gewaarborgde bedrag dat is vermeld in de zekerheidsovereenkomst.

     

    Met uitsluiting van alle andere boetes of kosten van niet-uitvoering

    De zekerheid dekt niet de boetes of kosten van niet-uitvoering die verschuldigd zijn door de hoofdschuldenaar. Zijn dus uitgesloten van de waarborg:

    • de kosten van aflevering van de uitvoerbare titel tegen de schuldenaar, van vervolging tegen laatstgenoemde of van verkoop van zijn goederen;
    • de conventionele vergoedingen die bepaald zijn voor vervroegde terugbetaling indien zij het gevolg zijn van een ontbinding van de kredietovereenkomst of een verval van de termijnbepaling wegens niet-uitvoering, zelfs indien zij binnen de vastgestelde grenzen blijven;
    • de overeengekomen kosten van maanbrieven en de brieven voor ingebrekestelling (VII.147/22, § 2, 1e lid en VII.147/23, § 2, 4°).

    Zouden niet mogen beschouwd worden als kosten van niet-uitvoering (maar als onderdeel van het gewaarborgde bedrag), de sommen die de kredietgever zou betalen, in uitvoering van de kredietovereenkomst, voor rekening van de kredietnemer zoals levensverzekerings- of brandverzekeringspremies, kosten van hypothecaire inschrijving of van omzetting van de volmacht tenzij de omzetting van de volmacht beschouwd wordt als de eerste daad van tenuitvoerlegging omwille van de bewezen tekortkoming van de kredietnemer (zie betreffende deze vragen JOISTEN, P., "Les sûretés", in Le crédit hypothécaire au consommateur, ULG/UCL, Larcier, Coll. Patrimoine et notariat, 2017, p.390-392).

     

     

    Sanctie

    Net zoals in het consumentenkrediet bepaalt de wet geen bijzondere burgerlijke sanctie die van toepassing is wanneer de borgstellingsovereenkomst het gewaarborgde bedrag niet vermeldt. Uit de formulering van artikel VII.147/26, §1 valt echter af te leiden dat de zekerheid “enkel geldt voor dat bedrag” zodat ervan moet worden uitgegaan dat, indien het gewaarborgde bedrag in de overeenkomst niet wordt vermeld, de persoonlijke zekerheid “niet geldt”, wat erop neerkomt dat de zekerheid nietig wordt verklaard (C. BIQUET-MATHIEU, "Les sûretés personnelles", in Handboek consumentenkrediet, ed. E. Terryn, Die Keure, 2007, p. 232, nr 35).

     

    Informatie betreffende de registratie bij de Centrale voor kredieten aan particulieren

    De zekerheidsteller moet worden vermeld in de Centrale voor kredieten aan particulieren (VII.148, § 2, 1°). De zekerheidsovereenkomst moet de zekerheid informeren over deze registratie en moet de volgende wettelijke vermeldingen bevatten:

    1. de clausule: "De kredietovereenkomst, waarvoor u deze zekerheid hebt gesteld maakt het voorwerp uit van een registratie bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren waarbij u overeenkomstig artikel VII.148, § 2, 1°, wordt geregistreerd als zekerheidssteller";
    2. de doeleinden van de verwerking in de Centrale;
    3. de naam van de Centrale;
    4. het bestaan van een recht op toegang, op verbetering en op uitwissing van de gegevens alsook de bewaartermijnen van deze laatste.

     

     

     

    Duur van de verbintenis

     

    Persoonlijke zekerheid en krediet van onbepaalde duur

    De kredietovereenkomst kan worden gesloten voor onbepaalde duur of een “revolving”-karakter hebben, waardoor de kredietnemer de overeenkomst mag hernieuwen zonder een nieuw akkoord van de kredietgever en/of zekerheidssteller.

    In die gevallen blijft de zekerheid gehouden zonder tijdsbeperkingen. De wetgever heeft, met het oog op de strijd tegen de overmatige schuldenlast, echter willen vermijden dat een dergelijke situatie ontstaat. Daarom heeft hij een §3 aan artikel VII.147/26 toegevoegd krachtens hetwelk de persoonlijke zekerheidssteller, wanneer deze een kredietovereenkomst van onbepaalde duur waarborgt, slechts mag worden toegestaan voor een duur van vijf jaar, en de verbintenis slechts mag worden hernieuwd na afloop van deze periode en mits uitdrukkelijke toestemming van de zekerheid. De stilzwijgende hernieuwing is verboden.

    Deze beperking in de tijd geldt enkel voor de persoonlijke zekerheden. Bepaalde auteurs hebben de aandacht gevestigd op het effect van deze bepaling die verbiedt dat iemand een persoonlijke zekerheid toestaat voor onbepaalde duur en wijzen erop dat de persoonlijke zekerheidssteller, door deze regel, geen beroep meer kan doen op de mogelijkheid tot eenzijdige ontbinding waarover de zekerheid krachtens het gemene recht beschikte (artikel 1780 B.W.) indien hij zich voor onbepaalde duur verbonden had (C. BIQUET-MATHIEU, "Les sûretés personnelles", in Handboek consumentenkrediet, ed. E . Terryn, Die Keure, 2007, p. 242, nr 48).

    Zekerheid en krediet van onbepaalde duur van meer dan 5 jaar

    De beperking van vijf jaar is enkel van toepassing wanneer het gewaarborgde krediet een krediet van onbepaalde duur is.

    Zoals blijkt uit de bewoordingen van artikel VII.147/10, § 2, is het perfect mogelijk een kredietopening toe te staan voor een periode langer dan vijf jaar. Daaruit volgt dat de zekerheidsverbintenissen, die horen bij de kredietopening, desgevallend kunnen worden toegestaan voor een bepaalde duur langer dan vijf jaar.

    De plicht tot nulstelling, bepaald in artikel VII.147/10, § 2 (die een verplichting tot nulstelling bepaalt voor de kredietopeningen van meer dan vijf jaar), heeft geen gevolgen voor de looptijd van de verbintenissen van de zekerheidssteller daar er niet wordt verboden dat de kredietnemer nadien nieuwe opnemingen uitvoert ten belope van het kredietbedrag van de kredietopening, zolang de looptijd van het krediet niet is verstreken.

    Gevolgen van het verstrijken van de termijn

    Men dient eveneens te bepalen wat er gebeurt met de persoonlijke zekerheid bij het verstrijken van de termijn. Wanneer de verbintenissen van de zekerheidssteller een kredietovereenkomst van bepaalde duur waarborgen, is de zekerheid gehouden indien de hoofdschuldenaar op het einde van kredietovereenkomst niet al zijn verbintenissen is nagekomen. Wanneer de verbintenissen van de zekerheidssteller een kredietovereenkomst van onbepaalde duur waarborgen:

    • Moet men er ofwel van uit gaan dat de zekerheidssteller volstrekt is vrijgesteld indien de kredietgever geen beroep op hem heeft gedaan vóór het verstrijken van de termijn (zo heeft het Hof van Beroep van Gent geoordeeld bij een pandovereenkomst toegestaan door een derde borgsteller waarin werd bepaald: “De inpandgeving geldt voor een periode tot ten laatste 30 juni 1995, zonder dat er van enige verlenging ooit sprake kan zijn”, Gent, 5 december 2001, R.W., 2002-2003, p. 1428; BIQUET-MATHIEU, C. en NOTARNICOLA, S., "La protection des sûretés personnelles dites faibles. Le point après la loi du 3 juni 2007 sur le cautionnement à titre gratuit, in Sûretés et procédures collectives, CUP, Vol. 100, Limal, Anthemis, 2008, blz. 65 en 66).
    • Ofwel blijft de zekerheidssteller daarentegen gehouden om alle door de kredietnemer uitgevoerde opnemingen te waarborgen voordat de termijn van vijf jaar is verstreken. Zo mag de kredietgever, nadat vijf jaar zijn verstreken, nog een beroep doen op de zekerheidssteller, maar enkel met het oog op de waarborg voor de opnemingen die zijn verricht voordat die termijn was verstreken. In dat geval kan de verbintenis van de zekerheid de opnemingen die zijn gebeurd na het verstrijken van de termijn niet waarborgen en moeten alle terugbetalingen van de consument na die datum toegerekend worden op het verschuldigd blijvende saldo op de datum van het verstrijken van de zekerheid.

    Het merendeel van de rechtsleer spreekt zich uit ten voordele van deze tweede interpretatie (A. VAN QUICKENBORNE, Borgtocht, A.P.R., Story Scientia, 1999, p. 137, nr 253: F. T’KINT, Les sûretés, Larcier, 4de ed., 2004, p.771, nr 382: E. DIRIX, « Overzicht van rechtspraak – Zekerheden (1998-2003) », T.P.R., 2004, p. 1228, nr 98: E. DIRIX et R. DE CORTE, Zekerheidsrechten, Kluwer, 2006, p. 296, noot 128).

     

     

     Informatieplicht bij het sluiten van de zekerheidsovereenkomst

     

    Verplichting tot overhandiging van een exemplaar van de overeenkomst

    Artikel VII.147/26, §1 verplicht de kredietgever om voorafgaandelijk en gratis een exemplaar van de kredietovereenkomst te overhandigen aan de steller van een zekerheid. Deze regel is van toepassing op de derde hypotheekgever (Antwerpen, 20 januari 2005, N.J.W., 2005, p.1135; T.B.B.H., 2006, p. 160 en noot F. VAN DER HERTEN). Het betreft de overhandiging van het document dat reeds ondertekend werd door de consument of de definitieve tekst van de kredietovereenkomst die later ter ondertekening zal worden voorgelegd aan de consument (JOISTEN, P., "Les sûretés", in Le crédit hypothécaire au consommateur, ULG/UCL, Larcier, Coll. Patrimoine et notariat, 2017, p. 380). Het is dus niet nodig dat de kredietovereenkomst reeds is gesloten voordat de zekerheid zich verbindt, maar het is minstens nodig dat de kredietovereenkomst is opgesteld en dat de zekerheidsteller geïnformeerd wordt over de ondertekening door de consument indien deze later plaatsvindt.

     Indien de kredietgever niet voorafgaandelijk een kopie van de kredietovereenkomst overhandigt, voordat de zekerheidssteller zijn verbintenissen onderschrijft, loopt hij de burgerlijke sanctie op bepaald in artikel VII.214/6 waarin de vrijstelling van de zekerheidssteller wordt voorzien.

     

    Informatieplicht betreffende de totstandkoming van de overeenkomst

    Krachtens artikel VII.147/26, § 3 dient de kredietgever de borg of elke steller van een zekerheid in kennis te stellen van de totstandkoming van de overeenkomst. Deze bepaling is van toepassing in de veronderstelling dat de zekerheid verbintenissen heeft aangegaan om een bepaalde kredietovereenkomst te waarborgen, die reeds door de kredietgever is opgesteld, maar nog niet is ondertekend door de consument. Hoewel de wet het feit bestraft dat aan de persoon die een zekerheid stelt geen kredietovereenkomst wordt overhandigd vooraleer deze verbintenissen aangaat, voorziet zij geen bijzondere burgerlijke sanctie wanneer de plicht deze te informeren over de totstandkoming van de overeenkomst niet wordt nagekomen. Deze fout zou, in voorkomend geval, enkel kunnen leiden tot de toekenning van een schadevergoeding voor zover de zekerheid de schade en het oorzakelijke verband kan aantonen, tenzij geargumenteerd wordt dat de persoon die de zekerheid stelt de definitieve tekst van de kredietovereenkomst in de zin van artikel VII.147/26, §1 niet ontvangen heeft (zie in deze zin: JOISTEN, P., "Les sûretés", in Le crédit hypothécaire au consommateur, ULG/UCL, Larcier, Coll. Patrimoine et notariat, 2017, p. 380).

     

    Informatieplicht betreffende elke wijziging aan de overeenkomst

    Krachtens artikel VII.147/26, § 3, is de kredietgever gehouden de zekerheidssteller "voorafgaandelijk (...) van elke wijziging van deze overeenkomst" te informeren. Deze verplichting wordt herhaald in artikel VII.147/27, krachtens hetwelk, wordt gesteld : "deelt hem (de zekerheidssteller) vooraf elke wijziging van de oorspronkelijke kredietovereenkomst mee". Deze informatie is verantwoord in geval van wijziging van de initiële kredietovereenkomst. Een schommeling van de rentevoet die voortvloeit uit een in de overeenkomst bepaalde hypothese is geen wijziging van de overeenkomst. Het overeenkomen van een nieuwe rentevoet in het kader van een heronderhandeling van de initiële voorwaarden is daarentegen wel een wijziging van de overeenkomst.

    Artikel VII.145 laat de partijen, binnen de grenzen die het vaststelt, toe om de bepalingen van hun overeenkomst te wijzigen. In alle gevallen zouden de wijzigingen van de initiële kredietovereenkomst geen verhoging van het gewaarborgde bedrag mogen teweegbrengen vermits dit uitdrukkelijk moet vermeld zijn in de overeenkomst. Deze wijzigingen zouden niettemin een verzwaring van de verbintenis van de zekerheid kunnen teweegbrengen, bijvoorbeeld in geval van verlenging van de looptijd. Een voorzichtig kredietgever zal ervoor zorgen dat de zekerheidsteller zijn toestemming bevestigt met de wijziging die overwogen wordt met de consument. Er werd geoordeeld op grond van artikel VII.109, §3 [VII.147/26, § 3], dat indien de bankier niet gehouden is de borg op de hoogte te stellen van de verdere financiële draagkracht van de kredietnemer, hij echter gehouden blijft de borg op de hoogte te stellen van de verzwaring van het risico als gevolg van het verlenen van een bijkomend krediet (Luik, 30 september 2005, J.L.M.B. 2006, p. 861).