www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    De zekerheden (HK)

     

    Inleiding

    De Europese richtlijn 87/102/EEG die aan de oorsprong lag van de harmonisatie van de toepasselijke regels voor het consumentenkrediet binnen de Europese Unie, was niet van toepassing op borgen. Daartoe had het Hof van Justitie in het arrest Berliner Kinder Brauerei van 23 maart 2000 (Zaak C-208/98 - Arrest van het Hof (vijfde kamer) van 23 maart 2000 - Berliner Kindl Brauerei AG tegen Andreas Siepert) beslist. Het Hof was van mening dat de borgtocht niet kan worden beschouwd als een kredietovereenkomst in de zin van de richtlijn en dat noch de opzet noch de doeleinden ervan de interpretatie toelaten dat men met de richtlijn de borgtochten heeft willen regelen (zie ook de noot van J.VAN LYSEBETTENS onder het vonnis in D.C.C.R., 2000, nr. 48, 282). Richtlijn 2008/48/EG die de richtlijn 87/102/EEG heeft vervangen (deze keer met het oog op een volledige maar gerichte harmonisatie), beoogt niet de borgen zodat de voorgaande rechtspraak van het Hof van toepassing zou moeten blijven. Vermits de regels betreffende de persoonlijke zekerheden buiten het geharmoniseerde kader lagen, genoot de Belgische wetgever alle vrijheid om een normatief kader te behouden dat van toepassing was op de zekerheden voor het consumentenkrediet. Richtlijn 2014/17 inzake hypothecair krediet bevat geen regels betreffende zekerheidstellers. De regels die werden aangenomen voor de overeenkomsten van consumentenkrediet werden bij de omzetting van richtlijn 2014/17 (wet van 22 april 2016) ongewijzigd uitgebreid tot de overeenkomsten van hypothecair krediet.

     

    Ratio legis

     

     

     

    Aanvullende toepassing van de bepalingen van boek VI inzake oneerlijke bedingen

    Naast de bepalingen in boek VII kunnen zekerheidstellers de in boek VI bepaalde bescherming inzake oneerlijke bedingen genieten, voor zover ze optreden als consumenten (dit wil zeggen als natuurlijke personen die handelen voor privédoeleinden). Enkele recente beslissingen van het H.J.E.U. bevestigen dat de regelgeving inzake onrechtmatige bedingen van toepassing is op de waarborgverbintenissen die worden aangegaan door consumenten zelfs indien het gaat om het waarborgen van de terugbetaling van kredieten met een professioneel karakter (zie arrest van 19 november 2015 HvJ en arrest van 14 september 2016).

     

     

     

    Aanvullende toepassing van de regels uit het Burgerlijk Wetboek

    Het Burgerlijk Wetboek bevat een titel XIV “Borgtocht” (art. 2011 tot 2043octies B.W.) dat het gemeen recht inzake borgtocht vormt. In zoverre boek VII er niet van afwijkt, zijn deze bepalingen uiteraard van toepassing op borgen die een consumentenkrediet waarborgen. Zo moet bijvoorbeeld de handtekening van de borg, overeenkomstig artikel 1326 B.W., worden voorafgegaan door de handgeschreven formule “goed voor”. In zoverre de borgtocht van een consumentenkrediet meestal een kosteloze borgtocht is, moet de vermelding vereist door artikel 2043quinquies, § 3 B.W. worden opgenomen (zie hierna).

    Het toepassingsgebied van de bepalingen van het Burgerlijk Wetboek is verschillend van dat van de gereglementeerde stelsels:

    • Het Burgerlijk Wetboek beschermt enkel de persoonlijke zekerheden terwijl, in de gereglementeerde stelsels, de bepalingen (behoudens uitzonderingen) alle zekerheden beogen, zowel de persoonlijke als de zakelijke.
    • De kosteloze borg is beschermd, ongeacht of de gewaarborgde schuldenaar privé- dan wel beroepsschulden heeft terwijl de zekerheid voor een derde die beschermd wordt in de zin van boek VII een schuldenaar veronderstelt met een schuld in het kader van een kredietovereenkomst die voor privédoeleinden wordt afgesloten.
    • De beschermde borg van het Burgerlijk Wetboek moet worden terugbetaald. Deze voorwaarde is niet vereist opdat de zekerheid van een consumentenkrediet of een gereglementeerd krediet de beschermende bepalingen van de zekerheden die zijn opgenomen in boek VII van het WER zou kunnen genieten.

     

     

    Informatie aan de kosteloze borg

    Artikel 2043septies, eerste lid B.W. voorziet in een verplichting voor de schuldeiser om de kosteloze borg minstens één keer per jaar in te lichten in geval van regelmatige uitvoering van de overeenkomst door de hoofdschuldenaar.

    De parlementaire voorbereiding stelt: “De borg moet ook door de schuldeiser op de hoogte worden gebracht van de betaling van de schuld door de schuldenaar zodat hij op de hoogte wordt gesteld van de storting, wat hem in staat stelt om de specifieke verplichtingen te kennen die nog vervuld moeten worden en de verplichtingen die vervallen door de betaling door de schuldenaar” (Parl. St., Kamer, 2006-2007, nr. 51-2730/01, p. 16).

    Het verslag van de Commissie vermeldt: “De borg moet van de schuldeiser kosteloos alle informatie ontvangen met betrekking tot de evolutie van de gewaarborgde schuld” (Parl St., Kamer, 2006-2007, nr. 51-2730/03, p. 5). Artikel 2043septies, tweede lid B.W., bepaalt dat hij een informatieplicht heeft jegens de borg in geval van betalingsachterstand van de hoofdschuldenaar: "Elke mededeling inzake niet uitvoering die wordt gedaan aan de schuldenaar door de schuldeiser met betrekking tot de betaling van de schuld moet gelijktijdig en in dezelfde vorm worden gedaan aan de borg. Bij gebrek daaraan kan de schuldeiser zich niet beroepen op de aangroei van de schuld, vanaf de datum waarop hij ter zake in gebreke blijft".

    .

     

     

    Het overlijden van de kosteloze borg

    Overeenkomstig artikel 2043octies zijn de verplichtingen van de erfgenamen van een kosteloze borg beperkt tot hun deel van de erfenis. De erfgenamen van een borg zijn bijgevolg niet gehouden aan meer dan het erfdeel dat aan elk van hen toekomt. Artikel 2043octies, tweede lid voorziet bovendien de deelbaarheid van de verplichtingen van de borg tussen erfgenamen en dat, zelfs indien in de borgstellingsovereenkomst de ondeelbaarheid werd vastgelegd.

     

     

     

    De milderingsmaatregelen voorzien door de wetgeving betreffende faillissementen en de collectieve schuldenregeling

    Er werden specifieke gratiemaatregelen voorzien in boek XX (zie XX.176) en door en in het Gerechtelijk Wetboek (art. 1675/16bis) ten gunste van de kosteloze persoonlijke zekerheden van de gefailleerde of de persoon die het voorwerp vormt van een collectieve schuldenregeling, onafhankelijk van het private of beroepsmatige karakter van de hoofdschuld. Deze persoonlijke zekerheden kunnen worden vrijgesteld van het geheel of een deel van hun verbintenissen, indien ze bewijzen dat hun verbintenissen niet in verhouding staan tot hun vermogen en hun inkomsten. In tegenstelling tot de regeling die van toepassing is op het consumentenkrediet (bij tekortkoming aan de raadgevingsplicht van de kredietgever) alsook de regeling van kosteloze borgen in het Burgerlijk Wetboek, wordt de wanverhouding beoordeeld op het ogenblik waarop de vraag tot vrijstelling voor de rechter wordt gebracht, en niet op het ogenblik dat de verbintenissen worden aangegaan.

     

     

    Verwijzingen naar rechtsleer

    • BIQUET-MATHIEU, C., "Les sûretés personnelles", Handboek consumentenkrediet, Die Keure, 2007, E. TERRYN (éd). Die Keure, 2007, p. 213, nr. 11;
    • BIQUET-MATHIEU, C., en NOTARNICOLA, S., "La protection des sûretés personnelles dites faibles. Le point après la loi du 3 juni 2007 sur le cautionnement à titre gratuit, in Sûretés et procédures collectives, CUP, Vol. 100, Limal, Anthemis, 2008;
    • JOISTEN, P., "Les sûretés", in Le crédit hypothécaire au consommateur, ULG/UCL, Larcier, Coll. Patrimoine et notariat, 2017, p.265-293;
    • Vandenbogaerde M., "Hoofdelijkheid (als zekerheid) versus (hoofdelijke) borgtoch", in Hypothecair Krediet - Crédit hypothécaire, C. BIQUET MATHIEU en E. TERRYN (ed.), Die Keure, 2010, p. 578.

      

     


    )