www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.94 en VII.147/9 : Maximale JKP's

    De besproken bepalingen

    Artikel VII.94

      §1. De Koning bepaalt de methode tot vaststelling en, in voorkomend geval, tot aanpassing van de maximale jaarlijkse kostenpercentages en bepaalt, het maximale jaarlijkse kostenpercentage in functie van de soort, het bedrag en eventueel, de duur van het krediet.
      § 2. Wanneer de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage het gebruik van veronderstellingen noodzaakt, kan de Koning eveneens, overeenkomstig de regels bedoeld in § 1, de maximale kredietkosten bepalen zoals onder meer de maximale debetrentevoet en, in voorkomend geval, de maximale terugkerende kosten en de maximale niet-terugkerende kosten bij een kredietopening.
      § 3. De krachtens dit artikel vastgestelde kostenpercentages en rentevoeten blijven hoe dan ook van toepassing tot aan hun herziening.
      Iedere verlaging van het maximale jaarlijkse kostenpercentage en, in voorkomend geval, van de maximale kredietkosten is onmiddellijk van toepassing op de lopende kredietovereenkomsten die, binnen de perken van deze wet, de veranderlijkheid van het jaarlijkse kostenpercentage of de debetrentevoet voorzien.

     

    Artikel VII.147/9 hypothecaire kredieten met roerende bestemming

     1. De Koning bepaalt de methode tot vaststelling en, in voorkomend geval, tot aanpassing van de maximale jaarlijkse kostenpercentages. Hij bepaalt het maximale jaarlijkse kostenpercentage in functie van de soort, het bedrag en eventueel, de duur van het krediet.
      § 2. Wanneer de berekening van het jaarlijkse kostenpercentage het gebruik van veronderstellingen noodzaakt, kan de Koning eveneens, overeenkomstig de bepalingen bedoeld in § 1, de maximale kredietkosten bepalen zoals onder meer de maximale debetrentevoet en, in voorkomend geval, de maximale terugkerende kosten en de maximale niet-terugkerende kosten bij een kredietopening.
      § 3. De krachtens dit artikel vastgestelde kostenpercentages en rentevoeten blijven hoe dan ook van toepassing tot aan hun herziening.
      Iedere verlaging van het maximale jaarlijkse kostenpercentage en, in voorkomend geval, van de maximale kredietkosten is onmiddellijk van toepassing op de lopende kredietovereenkomsten die, binnen de perken van dit boek, de veranderlijkheid van het jaarlijkse kostenpercentage of de debetrentevoet voorzien.

     

     

    Ontstaan

    De bepaling waardoor de Koning de maximale percentages kan bepalen vindt haar oorsprong in de wet van 9 juli 1957 tot regeling van de verkoop op afbetaling en van zijn financiering. In 1957 wilde men specifieke regels vastleggen, verschillend van de algemene regelgeving (artikel 1907ter van het Burgerlijk Wetboek) die de beteugeling van woeker aan de rechtbanken overliet, met andere woorden wanneer de uitlener zich, voor zichzelf of voor anderen, een interest of andere voordelen heeft doen beloven, die klaarblijkelijk de normale interest en de dekking van het risico van de lening overschrijden.

    Volgens de Memorie van Toelichting van de wet van 1991: zal er bij de bepaling van dit percentage rekening gehouden worden met het type, de duur en het bedrag van het toegestane krediet. Teneinde deze percentages regelmatig te kunnen aanpassen aan de evolutie op de kredietmarkt en te zorgen voor een gezonde concurrentie tussen de kredietgevers, wordt de verplichting ingevoerd om deze percentages om de zes maanden vast te stellen (Parl. St., Senaat 1989/1990, 916-1, 23).

    In de oorspronkelijke bepaling van de wet stond: De Koning bepaalt ten minste om de zes maanden het maximale jaarlijkse kostenpercentage, naargelang van het type, het bedrag en de duur van het krediet.

    De huidige tekst is het resultaat van de hervorming door de wet van 24 maart 2003. Het regeringsontwerp voorzag de schrapping van de halfjaarlijkse herziening die “geen zin had”. De regering heeft daarna een amendement ingediend ter herziening van de tekst van § 1: op dit ogenblik stelt de Koning de maximale jaarlijkse kostenpercentages vast in functie van de evolutie van de marktvoeten, maar het verschil tussen de gemiddelde voeten die op de markt worden toegepast en de maximale voeten wordt overgelaten aan de appreciatie van de Koning. Teneinde een grotere transparantie te waarborgen bij de vaststelling van de maximale jaarlijkse kostenpercentages, is het wenselijk dat de gebruikte methode bij koninklijk besluit zou vastgesteld worden op basis van objectieve criteria en economische referte-indexen.

    Deze wijziging kwam tegemoet aan de verwachtingen van de sector die om een objectievere en transparantere methode had gevraagd, gebaseerd op de ontwikkeling van referentie-indices.

    De referte-indexen worden berekend door het Federaal Agentschap van de Schuld. De berekeningswijze wordt verduidelijkt door het KB van 14 september 2016 (artikel 11 en 12).

    Bij de invoering van de bepalingen van de WCK in het Wetboek van Economisch Recht werd de tekst van artikel 21 ongewijzigd overgenomen in artikel VII.94.

    Een identieke bepaling werd ingevoerd in de regeling van de hypothecaire kredieten met een roerende bestemming.

     

     

    VII.94, § 1 - VII.147/9, § 1:

     

    Ratio legis en openbare orde

    De reglementering inzake het maximale JKP komt tegemoet aan een geheel van bekommernissen van maatschappelijke, economische en financiële aard. Men wil tegelijkertijd de toegang tot krediet vereenvoudigen, de strijd aanbinden tegen overmatige schuldenlast die het gevolg zou kunnen zijn van buitensporige percentages (en dus de consument beschermen), de markt op een bepaalde manier reguleren en over een interventiemiddel beschikken ten aanzien van de particuliere consumptie. Uit deze ratio legis moet worden afgeleid dat artikel VII.94, van openbare orde is.

     

    Uitvoering door de Koning

    Het begrip JKP wordt in artikel I.9, 42° gedefinieerd:

    Het percentage dat de gelijkheid uitdrukt op jaarbasis, van de geactualiseerde waarden van het geheel van de verbintenissen van de kredietgever (kredietopnemingen) en de consument (aflossingen en totale kosten van het krediet voor de consument), bestaand of toekomstig, en die berekend wordt aan de hand van de elementen die de Koning aanduidt en op de wijze die Hij bepaalt.

    .

    De Koning heeft gebruik gemaakt van de bevoegdheid die de artikelen VII.94 en VII.147/9 hem verlenen door KB van 14 september 2016 betreffende de kosten, de percentages, de duur en de terugbetalingsmodaliteiten van het consumentenkrediet. Dit koninklijk besluit heeft het KB van 4 augustus 1992 vervangen dat meermaals gewijzigd en grondig herzien werd ten gevolge van de omzetting van richtlijn 2008/48/EG (zie KB van VII.94 juni 2011 houdende wijziging van verschillende besluiten inzake consumentenkrediet en houdende uitvoering van de artikelen 5, § 1, lid 2 en § 2 en 15, lid 3 van de wet van 12 juni 1991 inzake consumentenkrediet).

    Het besluit wordt systematisch per artikel becommentarieerd. De methode tot vaststelling van de percentages is duidelijk geëvolueerd na de aanpassing van het K.B. van 19 oktober 2006 die aan het koninklijk besluit van 1992 de definitie van referentie-index heeft toegevoegd. Dankzij die indexen kunnen de maximale JKP’s op bijna automatische wijze worden vastgelegd door toepassing van de methode uiteengezet in artikel 7 tot 10 van het KB van 14 september 2016). De commentaar hierop vindt men onder de betreffende artikelen. Deze methode resulteert in de vastlegging van 12 maximale JKP’s in functie van het kredietbedrag en het type krediet (28 maximale JKP’s vóór de hervorming van 2006). Er werd geen rekening gehouden met de duur van de kredietovereenkomst, die immers werd beschouwd als weinig relevant voor de vastlegging van het maximale percentage.

    Kredietopening met kaart

    Voor de kredietopeningen voorziet het K.B. een bijzonderheid: verschillende JKP’s al naargelang ze met kaart of zonder kaart zijn toegestaan. Een hoger maximaal JKP is gerechtvaardigd door de kosten verbonden met het beheer van een kaartensysteem waarmee kredietopnemingen mogelijk zijn. Enkel voor kredietopeningen waarvoor de kredietgever het gebruik van een betaalkaart als kredietopnemingsmiddel oplegt en waaraan betekenisvolle kosten zijn verbonden voor het onderhoud van een elektronisch betaalnetwerk geldt dus de regeling van kredietopeningen met kaart (Voor de volledige commentaar hieromtrent, zie de commentaar van het KB).

    Gedeeltelijk gereglementeerde kredieten

    De regeling van de maximale percentages is van toepassing op de gedeeltelijk gereglementeerde kredieten.

    Maximale JKP's inzake hypothecair krediet met een onroerende bestemming

    Er bestaat geen controle van de maximale rentevoeten voor de overeenkomsten van hypothecair krediet met een onroerende bestemming. Voor deze overeenkomsten bestaat er dus enkel het gemene recht dat een dergelijke controle op grond van artikel 1907ter van het Burgerlijk Wetboek en de leer van de gekwalificeerde benadeling kan toelaten. Er bestaat niettemin een zekere controle op de kosten die wordt bepaald door de artikelen VII.140 en VII.141 (reserveringsvergoeding, schattingskosten en dossierkosten).

    Maximale percentages en woeker

    Het boek VII bepaalt een eigen omkadering van percentages waardoor in principe de bepalingen inzake woeker kunnen worden weggelaten (artikel 1907 van het Burgerlijk Wetboek) (DEMUYNCK, I., Conventionele (schade) vergoedingsregelingen en de Wet op het Consumentenkrediet, T. Vred., 1994, 40, nrs. 100-101; Vred. Torhout, 4 december 2001, Jaarboek Kredietrecht 2001, 221; Rb. Kortrijk, 11 september 1998, Jaarboek Kredietrecht, 1998, 96. met noot van C. BIQUET MATHIEU).

    De vrederechter van Antwerpen heeft niettemin beschouwd dat het ontoelaatbaar was dat een kredietinstelling interesten van 22,41 % zou kunnen aanrekenen (gedurende 10 tot 15 jaar) die niet in verhouding stonden met de interesten die destijds gehanteerd werden op de markt en dit, terwijl de minimale rentevoet die destijds toegelaten was voor kredieten van deze aard 25 % bedroeg. De beslissing is onder meer gebaseerd op de overweging dat een dergelijke rentevoet, die wordt gehanteerd tussen particulieren, als woeker zou worden beschouwd (Vred. Antwerpen, 26 december 2007, NjW 2008, 271 en noot STEENNOT R.).

     

    VII.94, § 2 - VII.147/9, § 2: De aan de Koning toegekende bevoegdheid om de maximale debetrentevoet vast te leggen

    De Koning heeft gebruik gemaakt van deze bevoegdheid Met name het artikel 4, §4 van het KB van 14 september 2016. 

     

     

     

    VII.94, § 3 - VII.147/9, § 3: Inwerkingtreding van nieuwe maxima

     

    Behoud van de maximale JKP’s tot ze worden gewijzigd

    Artikelen VII.94, § 3 en VII.147/9, § 3, omvatten twee regels. In de eerste regel wordt het principe gesteld van het behoud van het maximale percentage zo lang het niet wordt gewijzigd. Deze regel moet worden gezien in het kader van de eerste paragraaf zoals die oorspronkelijk was opgesteld en waarin werd bepaald: De Koning bepaalt ten minste om de zes maanden het maximale jaarlijkse kostenpercentage, naargelang van het type, het bedrag en de duur van het krediet.

    In het K.B. van 19 oktober 2006 werd de methode tot vastlegging en wijziging grondig herzien, die voortaan berust op de referentie-indexen die elk half jaar worden onderzocht (eind maart en eind september). De wijziging gebeurt voortaan dus op bijna automatische wijze.

    De evolutie van de referentie-indexen, de referentievoeten en de maximale JKP’s die daaruit volgt, vormt het voorwerp van een publicatie in de vorm van een mededeling in het Belgisch Staatsblad. In artikel 12, § 3, 2de lid, van het K.B. van 14 september 2016 wordt gesteld dat de nieuwe maximale jaarlijkse kostenpercentages van kracht worden op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de maand van de bekendmaking ervan. Conform het eerste lid van artikelen VII.94, § 3 en VII.147/9, § 3, blijven de oude maximale JKP’s dus gelden tot op de eerste dag van de tweede maand die volgt op de publicatie van de mededeling bepaald in artikel 12, § 3 van het K.B.

    Zie: commentaar van artikel 12 van het KB van 14 september 2016

     

    Onmiddellijke toepassing bij veranderlijkheid van de percentages

    De tweede regel die artikel VII.94, § 3 stelt, is de volgende: wanneer het JKP of de debetrentevoet (in werkelijkheid laat artikel VII.86 enkel een veranderlijkheid van de debetrentevoet toe) kan variëren volgens de bepalingen in de overeenkomst, is de kredietgever gehouden onmiddellijk het betreffende percentage van de betreffende kredietovereenkomst te wijzigen, indien voor dat krediet een verlaging van het maximale JKP of van de kredietkosten geldt.

    Bij een krediet met een vast percentage wordt het overeengekomen percentage behouden, zelfs als bij de uitvoering van de overeenkomst het percentage hoger is dan het maximale toegelaten percentage dat sinds de totstandkoming van de overeenkomst werd verlaagd.

    Indien (het JKP) of de debetrentevoet kan variëren, is de regel enkel van toepassing in geval van een verlaging van het maximale JKP.  De wijziging moet onmiddellijk worden toegepast. Dat betekent dat het nieuwe verminderde percentage moet worden toegepast vanaf de tweede maand na de publicatie van de mededeling bepaald in artikel12, § 3 van het K.B.

    Hoewel de aanpassing automatisch is bij een verlaging, geldt hetzelfde niet bij een verhoging. In dat geval hangt de evolutie van het percentage af van de bepalingen in de overeenkomst.