www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.133, § 2 en VII.137: De verplichting om het krediet te weigeren (HK)

     

    Artikel VII.133, § 2

      § 2. De kredietgever mag slechts een kredietovereenkomst sluiten wanneer hij, gelet op de gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, redelijkerwijze moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de verbintenissen voortvloeiend uit de overeenkomst, na te komen.
      De kredietwaardigheidsbeoordeling mag niet hoofdzakelijk gebaseerd zijn op het feit dat de waarde van het voor bewoning bestemde onroerende goed hoger is dan het kredietbedrag, of dat het voor bewoning bestemde onroerende goed in waarde zal stijgen.
      Een kredietovereenkomst kan niet worden opgezegd of gewijzigd op grond van een onjuist uitgevoerde beoordeling van de kredietwaardigheid, tenzij bewezen wordt dat de consument bewust informatie in de zin van artikel VII.126 heeft achtergehouden of onjuist heeft weergegeven.

      Wanneer er in hoofde van een consument een wanbetaling(en) geregistreerd staat in de Centrale voor een totaal achterstallig bedrag van meer dan 1 000 euro in het kader van een consumentenkrediet en/of een hypothecair krediet met een roerende bestemming die niet werd afgelost dan kan een kredietgever geen nieuwe hypothecaire kredietovereenkomst met roerende bestemming sluiten.
      In de andere gevallen van een niet-afgeloste wanbetaling kan een kredietgever slechts een nieuwe kredietovereenkomst sluiten mits een bijzondere motivering in het kredietdossier. (W. 02/05/2019, BS 22-05-19)

     

    Artikel VII.137

    In geval van kredietweigering deelt de kredietgever aan de consument onverwijld en kosteloos het resultaat van de raadpleging mee evenals de identiteit en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking van de bestanden die hij heeft geraadpleegd met inbegrip van, in voorkomend geval, de identiteit en het adres van de geraadpleegde kredietverzekeraar, en tot wie de consument zich kan wenden overeenkomstig artikel VII.147/37. In voorkomend geval, geeft hij ook aan dat de weigering op een geautomatiseerde gegevensverwerking is gebaseerd.
      De mededeling bedoeld in het eerste lid is niet vereist wanneer artikel 19, § 2, tweede lid, en boek II, titel 3, hoofdstuk 2, van de wet van 18 september 2017 tot voorkoming van het witwassen van geld en de financiering van terrorisme en tot beperking van het gebruik van contanten of andere toepasselijke wetgeving die de openbare orde of de openbare veiligheid raakt, dit verbiedt.
      Indien het krediet wordt geweigerd mag geen vergoeding van welke aard ook van de consument worden geëist, met uitzondering van de kosten inzake raadpleging van de Centrale door de kredietgever betaald en van de schattingskosten bedoeld in artikel VII.141.

     

    Commentaar

     

    Principe

    De parlementaire voorbereiding toont aan dat het de intentie van de wetgever is om "steeds het principe van “loan to income” [het krediet wordt toegestaan rekening houdend met de inkomsten] de overhand te laten nemen op “loan to value" [het krediet wordt toegestaan rekening houdend met de waarde van het onroerend goed]”. Deze opvatting werd opgenomen in artikel VII.133, § 2. De wet legt een onthoudingsplicht ten laste van de kredietgever, die van het vermogen van de consument om de verplichtingen van de kredietovereenkomst na te komen een conditio sine qua non van elk kredietaanbod maakt: "De kredietgever mag slechts een kredietovereenkomst sluiten wanneer hij, gelet op de gegevens waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, redelijkerwijze moet aannemen dat de consument in staat zal zijn de verbintenissen voortvloeiend uit de overeenkomst, na te komen". Deze verplichting maakt overigens deel uit van de gedragsregels van een normaal voorzichtige en zorgvuldige kredietverstrekker (R. Steennot en J. VANNEROM, "Boek VII van het Wetboek Economisch Recht: codificatie, doch tevens innovatie", D.C.C.R., 2015, pp. 777-78).

     

     

     

    De verlening van het krediet is een discretionaire beslissing van de kredietgever

    Het is de kredietgever die zijn aanvaardingsbeleid en, bijgevolg, zijn risicobeleid bepaalt. De kredietgever kan steeds weigeren om een kredietovereenkomst toe te kennen, zelfs indien hij van oordeel is dat de consument in staat zal zijn zijn verbintenissen na te komen.

     

     

     

    De weigering mag niet discriminerend zijn

     

    Een kredietweigering kan evenwel steeds discriminerend zijn in de zin van de wet van 10 mei 2007 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie, onder meer bij de toegang tot en het aanbod van goederen en diensten die publiekelijk beschikbaar zijn (art. 5, § 1, 1°).

    Artikel VII.133, §2, verplicht de kredietgever om het krediet te weigeren aan consumenten die niet in staat zijn om de verplichtingen voortvloeiend uit de kredietovereenkomst na te komen. Men zou hierin een discriminatie kunnen zien op grond van de welvaartstoestand (of, meer bepaald, volgens het Wetboek, op grond van de inkomsten), wat verboden is door artikel 7 van de wet van 30 juli 1981 ter bestrijding van bepaalde vormen van discriminatie. De wet bepaalt 19 zogenaamd beschermde criteria: 5 zogenaamd “raciale” criteria (zogenaamd ras, huidskleur, afkomst (bijv. Joodse afkomst) en nationale of etnische afstamming en 12 andere criteria: leeftijd, seksuele geaardheid, burgerlijke staat, geboorte, vermogen, geloof of levensbeschouwing, politieke overtuiging, syndicale overtuiging, taal, huidige of toekomstige gezondheidstoestand, handicap, een fysieke of genetische eigenschap, sociale afkomst.

    Deze criteria mogen dus niet gebruikt worden om een onderscheid te maken: elk direct onderscheid op grond van één van de beschermde criteria, vormt een directe discriminatie, tenzij deze directe discriminatie objectief gerechtvaardigd is door een legitiem doel en als de middelen om dit doel te bereiken passend en noodzakelijk zijn.

    Het fortuin maakt deel uit van de beschermde criteria waarvan het gebruik als criterium van onderscheid een rechtstreekse en verboden discriminatie uitmaakt. In dit geval is de kredietwaardigheidsbeoordeling vereist door artikel VII.133 een rechtmatig doel en de door de wet opgelegde gedetailleerde vragenlijst maakt deel uit van de aangepaste en noodzakelijke middelen om het onderscheid te maken.

    Leeftijd is eveneens een beschermd criterium. De weigering van het krediet mag niet uitsluitend gebaseerd zijn op het feit dat een consument te oud zou zijn (zie het advies van de administratie). Tijdens een vraag-en-antwoordsessie heeft de Minister erop gewezen dat Febelfin oordeelt dat ook de leeftijd niet op zichzelf een criterium mag zijn om een krediet te weigeren (Vraag nr. 767 van Mevrouw Lalieux van 16 december 2014 en antwoord van de Minister (Ann. Jur. 2014, p. 147).

     

    VII.133, § 2, lid 1  - Verplichting om het krediet te weigeren aan de consument die niet in staat is zijn verplichtingen na te komen

     

    Indien de kredietwaardigheidsbeoordeling leidt tot de conclusie dat de consument niet in staat zal zijn om de lasten van het gevraagde krediet het hoofd te bieden, moet de kredietgever het krediet weigeren. Dezelfde conclusie dringt zich op wanneer er een redelijke twijfel bestaat over het vermogen om terug te betalen. In het perspectief van de bescherming van de consument dat wordt beoogd door de wet, heeft de kredietgever in geval van twijfel de verplichting zich te onthouden tenzij de kredietaanvraag kan worden aangepast door vermindering van het bedrag en/of door de looptijd van het krediet te verlengen binnen de toegelaten grenzen.

    Voor zover de kredietgever zijn verplichting om de informatie in te zamelen correct heeft nageleefd, zal de uitvoering van de analyseverplichting beoordeeld worden in het licht van de beslissing die een normaal zorgvuldig en voorzichtig die in dezelfde omstandigheden wordt geplaatst zou genomen hebben. De kredietgever wordt aansprakelijk gehouden indien de kredietbeslissing die hij genomen heeft niet de beslissing is die een normaal zorgvuldig en voorzichtig kredietgever zou kunnen genomen hebben.

    De bepaling bepaalt dat krediet alleen mag worden verleend als de kredietgever redelijkerwijs kan verwachten dat de consument de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen zal kunnen nakomen. Rederlikerwijs houdt in dat de rechter bij de toetsing van de nakoming van deze verplichting een marginaal onderzoek moet uitvoeren (Vred.  Arendonk, 21 april 2009, Jaarl. Kredietrecht. 2008, 63).

     

    VII.133, § 2, leden 4 en 5 - Het verbod om een krediet te verlenen aan een consument die geregistreerd is voor wanbetaling voor een bedrag van meer dan 1.000 euro.

    Het verbod geldt alleen voor hypothecaire kredieten met een roerende bestemming wanneer er een onbetaald bedrag van meer dan 1.000 euro bestaat in verband met een consumentenkrediet of een hypothecair krediet met een roerende bestemming.

    Bij niet-betaling van meer dan 1.000 euro is het dus niet verboden:

    • Het verstrekken van een hypothecair krediet met een onroerende bestemming;
    • Het verstrekken van een consumentenkrediet indien de wanbetaling van meer dan 1.000 euro enkel betrekking heeft op een hypothecair krediet met een onroerende bestemming;
    • De toekenning van een hypothecair krediet met een roerende betemming indien de wanbetaling van meer dan 1.000 euro enkel betrekking heeft op een hypothecair krediet met een onroerende bestemming.

    Deze wanbetalingen wijzen echter op een solvabiliteitsprobleem van de consument en kunnen de nauwkeurigheid van de beoordeling van de kredietgever op losse schroeven zetten, wat kan leiden tot de vaststelling van een inbreuk op artikel VII.133, lid 2, eerste alinea. In ieder geval vereist het bestaan van een onbetaalde schuld, van welke aard dan ook, in geval van toekenning van een krediet, een bijkomende motivering in het kredietdossier van de kredietgever (VII.133, § 2, vijfde lid).

    Het kan een enkel onbetaald bedrag van meer dan 1.000 euro zijn of meerdere onbetaalde bedragen, die elk minder dan 1.000 euro bedragen, maar waarvan het cumulatieve bedrag meer dan 1.000 euro bedraagt.

    Het verbod geldt ook voor de "sociale" kredietverstrekker (VII.3, §4, 2°) en de kredietverstrekker-werkgever (VII.3, §4, 1°), terwijl de kredietverstrekker-werkgever bij een wanbetaling van meer dan 1.000 euro een consumentenkrediet kan verlenen (zie de toelichting bij artikel VII.77, § 2).

    Guidelines v/d administratie (consumentenkrediet)


    Zodra de kredietgever in de Centrale vaststelt dat een consumentenkrediet en/of een hypothecair krediet met een roerende bestemming negatief geregistreerd werd voor een bedrag van meer dan 1.000 euro, mag hij geen nieuw krediet verstrekken zolang dat achterstallige bedrag niet werd terugbetaald, dat wil zeggen tot de kredietgever heeft aangegeven dat het (de) krediet(en) “geregulariseerd” werd(en). In de praktijk kan er echter een termijn van meerdere dagen verstrijken tussen de raadpleging van de Centrale en het aangaan van het krediet, vooral in het geval van op afstand gesloten overeenkomsten. Om te beoordelen of artikel VII.77, §2, tweede lid WER werd gerespecteerd, wordt gekeken naar het moment van de raadpleging door de kredietgever en niet naar het moment van de ondertekening door beide partijen.

    Het zou kunnen dat tijdens de geldigheidsduur van de raadpleging (20 dagen) een kredietovereenkomst wordt geregistreerd in het negatieve luik van de Centrale voor een bedrag van meer dan 1.000 euro, terwijl er op het moment van de raadpleging geen dergelijke registratie vermeld stond. De FOD Economie stelt geen inbreuk vast op artikel VII.77, §2, tweede lid WER indien een kredietgever in die situatie een krediet toekent.

    De kredietgever blijft echter gehouden tot zijn algemene voorzichtigheidsverplichting conform artikel VII.77, §2, eerste lid WER. Het niet-nakomen van die verplichting kan leiden tot de vaststelling van een inbreuk.

    VII.133, § 2, lid 5 : In geval van in de Centrale geregistreerde wanbetaling voor een bedrag lager dan € 1.000 of in geval van laattijdige betaling in het kader van een hypothecair krediet met onroerende bestemming

    Guidelines :

    De kredietgever moet een bijzondere motivering verstrekken wanneer een “niet-afgeloste” wanbetaling voor een bedrag minder of gelijk aan 1.000 euro in het kader van een consumentenkrediet en/of een hypothecair krediet met roerende bestemming geregistreerd staat in de Centrale. Die bepaling is niet van toepassing wanneer het in het negatieve luik vermelde krediet “geregulariseerd” is in de Centrale. De registratie in het negatieve luik van de Centrale vormt een negatief signaal. Uit de motivering zal moeten blijken dat de negatieve registratie geen verband houdt met een solvabiliteitsprobleem van de consument of dat het solvabiliteitsprobleem niet langer bestaat en dat de consument opnieuw in staat is aan zijn verplichtingen te voldoen.

    VII.137: Informatie in geval van weigering van het krediet

    In geval van weigering om een krediet te verlenen deelt de kredietgever onverwijld en kosteloos aan de consument de identiteit en het adres van de verantwoordelijke voor de verwerking van de bestanden die hij heeft geraadpleegd mee, met inbegrip van, in voorkomend geval, de identiteit en het adres van de geraadpleegde kredietverzekeraar, waartoe de consument zich kan wenden overeenkomstig artikel VII.147/37.

    Het Wetboek legt de kredietgever de verplichting op om het resultaat van de raadpleging mee te delen.  Deze bepaling strekt ertoe de consument te informeren over hetgeen de geraadpleegde databanken bevatten die aan de oorsprong kunnen liggen van de kredietweigering. Dit zal hem, in voorkomend, toelaten zijn recht op verbetering uit te oefenen. Het Wetboek beoogt uitdrukkelijk de kredietverzekeraar omdat hij wordt ondervraagd om een dekking te krijgen van het kredietrisico en niet in hoedanigheid van verantwoordelijke voor de verwerking. Een dekkingsweigering heeft evenwel gevolgen die vergelijkbaar zijn met die van een negatieve registratie en de kredietverzekeraars raadplegen hun eigen interne databanken. 

    Maar het is mogelijk dat de weigering van de kredietgever gebaseerd is op overwegingen die vreemd zijn aan de raadpleging van de bestanden of op basis van inlichtingen die de kredietgever zelf bezit. Er zijn dus niet noodzakelijk geraadpleegde bestanden, noch een verband tussen de weigering en de raadpleging van de bestanden. Zelfs de raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren komt niet noodzakelijk tussen voor een kredietweigering (J. CATTARUZZA en J. VANDENBROUCKE, "La loi du 22 avril 2016 relative au crédit hypothécaire privé",  J .T., 2017, p. 224). De raadpleging van de Centrale moet weliswaar gebeuren vóór het overmaken van het kredietaanbod (VII.149, § 1), maar een kredietgever kan het krediet weigeren nog voor die raadpleging.

    De weigering moet niet gemotiveerd worden, maar indien er bestanden geraadpleegd worden, moet de informatie worden meegedeeld aan de consument.  Wanneer de verwerking geautomatiseerd is, bijvoorbeeld door middel van creditscoring-software, moet de consument daarvan op de hoogte worden gebracht zelfs indien de weigering niet gebaseerd is op die verwerking of, hoewel die verwerking geautomatiseerd is, dit niet de hoofdreden van de weigering is.

     

    Onverwijld en kosteloos

    De inlichtingen moeten onverwijld en kosteloos worden meegedeeld en de mededeling is niet vereist indien het stilzwijgen vereist is in de strijd tegen witwassen. Het Wetboek verduidelijkt niet hoe de informatie moet verstrekt worden. De ratio legis van de bepaling die ertoe strekt de consumenten in de mogelijkheid te stellen een vordering in te stellen tegen de verantwoordelijke voor de verwerking, vereist dat deze mededeling schriftelijk gebeurt.

    De administratie aanvaardt dat de raadpleging van de databanken wordt verricht door de kredietgever, vóór de identiteitscontrole die bepaald is in artikel VII.132. Indien dit het geval is, moet de kredietgever, alvorens het resultaat van de raadpleging van de databanken mede te delen, de identiteit controleren van de persoon aan wie hij de informatie moet mededelen (in deze zin eveneens art.12.6, GDPR).

    Indien het krediet wordt geweigerd mag geen vergoeding van welke aard ook van de consument worden geëist, met uitzondering van de kosten inzake raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren door de kredietgever betaald en van de expertisekosten voor zover er een expertise heeft plaatsgevonden (= de schattingskosten bedoeld in artikel VII.141). Het is dus verboden om van de consument kosten voor het bestuderen van het dossier, kosten voor de raadpleging van andere databanken, communicatiekosten, enz. te eisen.

    De kosten voor de raadpleging van de Centrale mogen – voor zover de Centrale werd geraadpleegd - slechts geëist worden zodra het krediet geweigerd werd. Daarnaast kunnen deze kosten, net zoals de expertisekosten, slechts geëist worden voor zover de consument voorafgaand aan het onderzoek van het dossier op de hoogte werd gebracht dat deze kosten zouden verschuldigd zijn, zelfs in geval van weigering van het krediet.