www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.147/23: Afrekening bij wanbetaling van een kredietovereenkomst met een onroerende bestemming

     

    Artikel VII.147/23

     1. Bij ontbinding van een hypothecair krediet met onroerende bestemming of bij verval van de termijnbepaling opgenomen in deze kredietovereenkomst wegens de niet-uitvoering door de consument van zijn verbintenissen mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld :
      - het verschuldigd blijvende saldo;
      - de nalatigheidsintresten die eisbaar zijn geworden overeenkomstig § 2;
      - de vervallen en niet betaalde intresten en kosten die eisbaar zijn geworden overeenkomstig § 2;
      - een schadevergoeding ten hoogste gelijk aan de wederbeleggingsvergoeding, bedoeld in artikel VII 147/12, § 1, berekend op het verschuldigd blijvend saldo.
      § 2. Bij eenvoudige betalingsachterstand van een hypothecair krediet met een onroerende bestemming die geen ontbinding van de overeenkomst noch een verval van de termijnbepaling met zich brengt, mag aan de consument geen andere betaling gevraagd worden dan die hieronder vermeld :
      1° het vervallen en niet-betaalde kapitaal;
      2° de vervallen en niet betaalde intresten en kosten;
      3° nalatigheidsintresten ten belope van 0,5 % op jaarbasis en berekend als volgt :
      a) bij niet betaling van de intresten op de vervaldag : het verschuldigd blijvend saldo op het tijdstip van de wanbetaling vermenigvuldigd met de periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,5 %;
      b) op het onbetaalde kapitaal kan een nalatigheidsintrest pro rata temporis worden aangerekend berekend aan de periodieke rentevoet van het krediet, vermeerderd met een periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,5 %. Deze verwijlintresten lopen dan vanaf de datum van wanbetaling, tot de effectieve terugbetaling;
      4° de overeengekomen kosten voor de maanbrieven en de brieven voor ingebrekestelling, a rato van één verzending per maand. Deze kosten bestaan uit een forfaitair maximumbedrag van 7,50 euro, vermeerderd met de op het ogenblik van de verzending geldende portokosten. De Koning kan dat forfaitair bedrag aanpassen aan het indexcijfer van de consumptieprijzen.
      § 3. Elke betaling gevraagd overeenkomstig de §§ 1 en 2 moet omstandig omschreven en verklaard worden in een document dat gratis aan de consument overhandigd wordt.
      Een nieuw document dat de bedragen verschuldigd bij toepassing van §§ 1 en 2 omstandig omschrijft en verklaart, moet ten hoogste drie keer per jaar gratis worden ter beschikking gesteld aan de consument die hierom vraagt.
      De Koning kan bepalen welke vermeldingen dat document moet bevatten en kan een afrekeningsmodel opleggen.
      § 4. Verboden is en als niet geschreven wordt beschouwd elk beding dat, ingeval de consument zijn verbintenissen niet uitvoert, straffen of schadevergoedingen oplegt waarin dit boek niet voorziet.

     

    De algemene regel (147/23, § 4)

     

    Principe

     

    Artikel 147/23, § 4 geeft de algemene regel weer: Verboden is en als niet geschreven wordt beschouwd elk beding dat, ingeval de consument zijn verbintenissen niet uitvoert, straffen of schadevergoedingen oplegt waarin dit boek niet voorziet. Elk beding dat de consument een niet wettelijk voorziene schadevergoeding ten laste legt, is dus nietig.

     

     

    Artikel VII.147/23, § 4 / artikel VII.213, lid 1

    Artikel VII.147/23, § 4  is er enkel op gericht de contractuele bedingen te bestraffen die de beperkende lijst van artikel VII.147/23, § 1 niet naleven. Elk beding dat de consument een niet wettelijk voorziene schadevergoeding ten laste legt, is dus nietig.

    Wanneer de rechter een dergelijk beding vaststelt, moet hij dat nietig verklaren. Hij beschikt in dit opzicht over geen enkele beoordelingsbevoegdheid. Artikel VII.147/23, § 4 is er enkel op gericht de contractuele bedingen te bestraffen die de beperkende lijst van artikel VII.147/23 niet naleven. Bij gebrek aan een contractueel beding valt de praktijk die erin bestaat dat de kredietgever een vergoeding vraagt die niet is opgenomen in de beperkende lijst van artikel VII.147/23 binnen het toepassingsgebied van artikel VII.213, eerste lid. Krachtens deze bepaling wordt, wanneer van de consument straffen of schadevergoedingen worden gevraagd waarin deze wet niet voorziet, deze laatste van rechtswege daarvan volledig ontslagen.

     

     

     

    Bedragen die de kredietgever kan eisen in geval van niet-uitvoering

    Daar waar artikel VII.147/22 de uitzondering op deze regel beoogt voor drie gevallen (ontbinding of verval van de termijnbepaling, eenvoudige betalingsachterstand zonder ontbinding van de overeenkomst en betalingsachterstand na de normale einddatum van de kredietovereenkomst), beoogt artikel VII.147/23 er slechts twee: de ontbinding (of verval van de termijnbepaling) (§1) en de eenvoudige betalingsachterstand (§2).

    In geval van ontbinding van de overeenkomst van hypothecair krediet met een onroerende bestemming mag de kredietgever aan de consument geen andere betaling vragen dan deze die worden opgesomd in artikel VII.147/23, § 1, namelijk:

    • het verschuldigd blijvende saldo;
    • de nalatigheidsintresten die eisbaar zijn geworden overeenkomstig § 2;
    • de vervallen en niet betaalde intresten en kosten die eisbaar zijn geworden overeenkomstig § 2;
    • een schadevergoeding ten hoogste gelijk aan de wederbeleggingsvergoeding, bedoeld in artikel VII 147/12, § 1, berekend op het verschuldigd blijvend saldo.

     

     

    De nalatigheidsinteresten en straffen moeten worden bepaald door een contractueel beding

    Anders dan artikel VII.147/22, dat uitdrukkelijk de overeengekomen straffen en nalatigheidsinteresten beoogt, somt artikel VII.147/23 enkel de bedragen op die de kredietgever mag aanrekenen. De vereiste dat ze moeten overeengekomen zijn, komt enkel voor in §2, 4°, wat de maankosten betreft. Betekent dit dat de nalatigheidsinteresten aan de verhoogde rentevoet en de schadevergoedingen kunnen worden aangerekend, zelfs bij ontstentenis van een contractuele bepaling, binnen de grenzen van wat artikel VII.147/23 toelaat? Het antwoord hierop lijkt negatief te zijn. Artikel VII.134, § 3, 15° bevat in ieder geval een algemene verplichting om in de overeenkomst overige bedingen en contractvoorwaarden te vermelden die niet zouden zijn opgesomd in de lijst van verplichte vermeldingen. Wat de forfaitaire vergoeding betreft, verwijst artikel VII.147/23 uitdrukkelijk naar artikel VII.147/12, § 1, dat vereist dat de vergoeding moet bedongen zijn. Ten slotte tonen de verplichting om in de overeenkomst een waarschuwing betreffende de gevolgen van wanbetaling op te nemen (VII.134, § 3, 8°) en de verplichting om in de SECCI in afdeling 13 de financiële gevolgen van de niet-naleving van de verbintenissen in verband met het hypothecair krediet te vermelden, aan dat artikel VII.147/23 de kredietgever niet vrijstelt van de verplichting om, door passende bedingen, de sancties van de niet-uitvoering te bepalen binnen de grenzen van het wettelijk toegelaten (Zie de argumentatie van F. RENSON en C. BIQUET MATHIEU, "la défaillance du consommateur", in Le crédit hypothécaire au consommateur, ULg et UCL, Larcier, 2017, p. 430 e.v.).

    De wet omkaderd alleen maar de contractuele vrijheid. Bij ontstentenis van schadebedingen kan de kredietgever zich enkel baseren op het gemene recht (verwijlinterest na ingebrekestelling en recht op vergoeding van de schade die voortvloeit uit de niet-uitvoering van een contractuele verbintenis). Indien de overeengekomen sancties minder bedragen dan de door de wet toegelaten maximumbedragen, kan de kredietgever niet de voorkeur geven aan de toepassing van de wet ten opzichte van de contractuele sanctie.

    Deze bepaling is van toepassing zowel bij de tenuitvoerlegging van een uitdrukkelijk ontbindend beding als wanneer de ontbinding wordt uitgesproken op grond van een tekortkoming van de consument, terwijl in een beding de schadevergoeding in dergelijke gevallen forfaitair was vastgelegd. De kosten dekken echter niet de kosten die de rechter in zijn vonnis moet aanrekenen op verzoek van de kredietgever en de kosten die wettelijk ten laste van de consument mogen worden gelegd bij een gedwongen tenuitvoerlegging.

     

     

     

    Beoordelingsbevoegdheid van het niet overdreven noch onverantwoorde karakter van de toegelaten sancties

    Het feit dat de contractuele straffen in alle punten beantwoorden aan de vereisten van artikel VII.147/23 betekent daarom nog niet dat de rechter zijn beoordelingsbevoegdheid volledig verliest. Integendeel, artikel VII.213, 2e lid kent de rechter zelfs in dat geval een beoordelingsbevoegdheid toe: indien hij oordeelt dat de overeengekomen of toegepaste straffen of schadevergoedingen, onder meer in de vorm van strafbedingen, bij niet-uitvoering van de overeenkomst, overdreven of onverantwoord zijn, kan hij deze ambtshalve verminderen of de consument er geheel van ontslaan. De rechtspraak inzake overeenkomsten van consumentenkrediet kan getransponeerd worden naar de hypothecaire kredieten, aangezien de teksten dezelfde zijn.

    Het betreft hier zowel de verwijlinteresten als de eigenlijke straffen. Het overdreven of onverantwoorde karakter wordt niet alleen beoordeeld ten opzichte van de schade die de kredietgever daadwerkelijk lijdt (en niet alleen ten opzichte van de voorzienbare schade), maar ook door verwijzing naar omstandigheden die extern zijn ten aanzien van de partijen en de contractuele relatie, zoals de ongelukkige situatie van de consument te goeder trouw. Zo werd geoordeeld dat een straf overdreven is wanneer zij onevenredig is ten opzichte van de tekortkoming of de geleden schade. Zij is onverantwoord wanneer de kredietnemer zich in financiële moeilijkheden bevindt ten gevolge van omstandigheden buiten zijn wil (Antwerpen, 27 november 2006, Jaarboek Kredietrecht 2006, 112). Deze rechtspraak werd bekrachtigd door een arrest van het Hof van Cassatie (Cass. 5 maart 2004, N.J.W., 2004, p. 595, en noot R. STEENNOT, Jaarboek Kredietrecht., 2003, p. 89, noot M. DAMBRE).

     

     

     

    Residuaire toepassing van boek VI - wederkerigheid en overdreven schadebedingen

     

    Een schadebeding dat voldoet aan de vereisten van artikel VII.106 en VII.147/22 moet eveneens de artikelen VI.83,17° en VI.83, 24° van het WER in acht nemen.

     

    Artikel VI.83, 17° en de gereglementeerde kredieten

    Artikel VI.83, 17° verbiedt het beding dat ertoe strekt "het bedrag vast te leggen van de vergoeding verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de onderneming die in gebreke blijft”.

    De toepassing van deze bepaling is vaak problematisch rekening houdend met het feit dat de verplichtingen die ten laste worden gelegd van de beroepsbeoefenaar meestal aanzienlijk verschillen van deze die worden gedragen door de consument.  Het bepalen van gelijksoortige bedingen in hoofde van de ene en de andere kan dus moeilijkheden stellen. Het beginsel is niettemin dat de algemene bepalingen van boek VI (zoals van het Burgerlijk Wetboek) van toepassing zijn inzake consumentenkrediet voor zover zij niet onverenigbaar zijn met de specifieke bepalingen van de specifieke regeling waaraan deze kredieten onderworpen zijn.

    Deze moeilijkheden zijn evenwel niet noodzakelijk groter in het kader van een gereglementeerd krediet dan in het kader van een andere overeenkomst, zoals een verkoop in aanwezigheid van een beroepsbeoefenaar en een consument. De wederkerigheidsregel is dus niet onverenigbaar met het stelsel van de gereglementeerde kredieten en moet worden nageleefd in deze materie net zoals in elke andere (zie bijvoorbeeld Vred. Dendermonde, 2 februari 2016, Jaarboek Kredietrecht. 2016, p.159; Vred. Waver (2e kanton), 22 december 2015, T. Vred., 2016, p. 432-435; C. BIQUET-MATHIEU, « La loi du 12 juin 1991 et les clauses abusives en matière de crédit à la consommation », in La promotion des intérêts des consommateurs au sein d’une économie de marché, 1993, pp. 16-17 ; R. STEENOT, "Consumentenkredietovereenkomsten. Ontbinding ingevolge wanprestatie van de consument", NjW, 2006, p. 58; S. STIJNS, E. SWANEPOEL, « Onrechtmatige bedingen », in Handboek consumentenkrediet, ed. Terryn, Die Keure, 2007, p. 198). Zo zou er in een schadebeding kunnen worden voorzien in een verkoop op afbetaling om de kredietgever te bestraffen in geval van gebrek aan betaling van kredietbedrag of vertraging daarin of, in een kredietopening, in geval van weigering van of vertraging bij de terbeschikkingstelling van het conventioneel beloofde krediet, enz.

    Er werd reeds geoordeeld dat de wederkerigheid van de schadebedingen vereist door artikel VI.83, 17° WER betrekking moet hebben op de kenmerkende verplichtingen van de kredietgever gedurende de gehele uitvoering van de overeenkomst : informatieverplichting, terbeschikkingstelling van het kredietbedrag, opvolging in geval van uitoefening van het herroepingsrecht of van het recht op vervroegde terugbetaling, verwerking van persoonsgegevens… Het volstaat niet dat de kredietgever in een schadebeding voorziet voor het geval dat het krediet zou ontbonden worden wegens een fout of een onachtzaamheid van de consument. Om te voldoen aan de vereiste van wederkerigheid is bovendien vereist dat het schadebeding ten laste van de kredietgever van dezelfde aard is als het beding ten laste van de consument. Dit is niet het geval wanneer het schadebeding ten laste van de kredietgever enkel voorziet in de verschuldigheid van de contractuele debetrentevoet terwijl de strafbedingen ten laste van de consument voorzien in een verhoogde rentevoet en een forfaitaire verhoging van het verschuldigde saldo (Vred. Waver (2e kanton), 22 december 2015, T. Vred., 2016, p. 432-435).

    Wanneer hij vaststelt dat er geen wederkerigheid is, spreekt de rechter er de nietigheid van uit en moet de rechter het incident ambtshalve opwerpen overeenkomstig de arresten van het HvJ (Vred. Dendermonde, 2 februari 2016, Jaarboek Kredietrecht 2016, p.159).

    Kan de rechter een bepaling van aanvullend recht in de plaats stellen van het geweerde onrechtmatige beding? Indien men het ontradende doel in beschouwing neemt dat de sanctie van de onrechtmatige bedingen moet nastreven (waaraan de rechtspraak van het HvJ herinnert), lijkt het thans duidelijk dat de nationale rechter die een onrechtmatig beding nietig verklaart, het aanvullend recht zonder meer moet weren. Er kan evenwel worden afgeweken van deze regel wanneer de niet-toepassing van het aanvullende nationale recht ertoe leidt dat de consument in een ongunstigere situatie wordt geplaatst dan waarin hij zich zou bevinden ten gevolge van de nietigverklaring van het onrechtmatige beding (DELFORGE C. en BIQUET-MATHIEU C., « La théorie des clauses abusives », in « Clauses abusives et pratiques réglementées », Crédit aux consommateur et aux P.M.E., CUP, Larcier, 2016, vol.170, p. 292 met citaat van PEERAER F., «Het volledig verbod op herziening van onrechtmatige bedingen : de botte bijl van het Hof van Justitie», R.G.D.C., 2014, pp. 328-329; GEIREGAT S., «Verfijning van transparantievereiste en duiding van de rol van aanvullend nationaal recht in het EU-recht inzake oneerlijk bedingen », R.G.D.C., 2015, p. 162).

    .

     

    Artikel VI.83, 24° en de gereglementeerde kredieten

    Artikel VI.83, 24° verbiedt het beding dat ertoe strekt “in geval van niet-uitvoering of vertraging in de uitvoering van de verbintenissen van de consument, schadevergoedingsbedragen vast te stellen die duidelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden”. Het vergoedende karakter wordt beoordeeld op het moment waarop de overeenkomst gesloten wordt. De artikelen VII.106 en VII.147/22 wijken op tweeërlei vlakken af van deze regel: enerzijds bepalen zij toegelaten strafbedingen, hetgeen de facto toekomt op het daaraan toekennen van een vergoedend karakter en, anderzijds, laten de artikelen VII.199 en VII.213, lid 2 de rechter toe om de gevolgen van de niet-uitvoering voor de consument te matigen, met inbegrip van de contractueel bepaalde straffen, zelfs indien hun vergoedend karakter op het moment waarop de overeenkomst wordt opgesteld niet betwistbaar zou zijn en hun toepassing in het specifieke geval overdreven of onverantwoord zou lijken.

     

     

     

    VII.147/23, § 1 - Verschuldigde bedragen in geval van ontbinding of verval van de termijnbepaling

     

    Het verschuldigd blijvende saldo

    Volgens artikel 1.9, 63°, is het verschuldigd blijvende saldo het bedrag in hoofdsom dat moet worden gestort om het kapitaal af te lossen of terug te betalen. Volgens artikel 1.9, 60° is het kapitaal:

    (1) de schuld in hoofdsom die het voorwerp uitmaakt van de kredietovereenkomst.

    (2) Voor de geoorloofde debetstanden op een rekening en de overschrijdingen zonder regeling voor gespreide terugbetaling van de hoofdsom : het door de consument opgenomen bedrag, vermeerderd met de vervallen debetintresten en, in het geval van eenvoudige betalingsachterstand zoals bedoeld in artikel VII.106, § 2, vervallen nalatigheidsinteresten op het bedrag van de overschrijding;

    In de hiervoor aangehaalde veronderstelling (1) mag de kredietgever als verschuldigd blijvend saldo enkel het kapitaal in de strikte zin vorderen. Artikel VII.147/23 verbiedt dus dat als vergoeding alle te vervallen maandelijkse betalingen geëist worden.

     

     

    De vervallen en niet-betaalde interesten en kosten die opeisbaar zijn geworden

    De kredietgever mag de vervallen en niet betaalde intresten en kosten vorderen. Het gaat om nalatigheidsinteresten, herinneringskosten, straffen en kosten die vervallen zijn voor de ontbinding van de overeenkomst. Het betreft alle andere sommen dan het kapitaal die de kredietgever mag aanrekenen in geval van eenvoudige betalingsachterstand zoals bedoeld in §2 van artikel VII.147/23.

     

     

     

    De nalatigheidsinterest

     

    Door het Wetboek opgelegde berekeningsmodaliteiten

    De wetgever komt tussen om de nalatigheidsinteresten op verschillende punten in te perken:

    • geen enkele andere interest mag worden gevorderd dan die bepaald in artikel VII.147/23.
    • de interest mag enkel worden berekend op het verschuldigd blijvende saldo, dit wil zeggen op het kapitaal dat de consument nog is verschuldigd. Deze bepaling verbiedt de berekening van nalatigheidsintrest op alle onbetaalde termijnen (voor een deel bestaande uit de totale kosten van het krediet en dus intresten).
    • De overeengekomen nalatigheidsintrestvoet mag niet meer bedragen dan de periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,5 % op jaarbasis.
     

     

    Vertrekpunt van de berekening van de interest

    De nalatigheidsinterest is verschuldigd vanaf de datum van wanbetaling tot de effectieve terugbetaling of bij eenvoudige betalingsachterstand; heeft deze bepaling voor gevolg dat de interesten van rechtswege lopen vanaf de datum van de wanbetaling? Met andere woorden, ontslaat artikel VII.147/23, § 2, 3, b) de kredietgever van verzending van een ingebrekestelling? Ondanks het stilzwijgen van de tekst desbetreffend, moet deze interpretatie worden uitgesloten (zie in die zin: F. RENSON en C. BIQUET MATHIEU, "la défaillance du consommateur", in Le crédit hypothécaire au consommateur, ULg et UCL, Larcier, 2017, p. 433). Bij gebrek aan beding, is het gemeen recht van artikel 1153 van het Burgerlijk Wetboek van toepassing. De intresten zijn dan verschuldigd vanaf de ingebrekestelling, aan de wettelijke rentevoet. Artikel 1153 is soms gelijktijdig van toepassing met de contractuele bepaling, bijvoorbeeld indien deze laatste enkel de nalatigheidsintrestvoet bepaalt, maar geen vrijstelling van de ingebrekestelling. In dat geval begint de nalatigheidsinterest te lopen na de ingebrekestelling door de schuldeiser

    Bij de termijnbedragen die onbetaald bleven op de dag van de ontbinding of het verval van de termijnbepaling, worden de eenvoudige nalatigheidsinteresten in de zin van artikel VII.147/23, § 2, berekend tot op de dag van het verval of de ontbinding op het deel in kapitaal van de vervallen en onbetaalde termijnbedragen. Vanaf de dag van de ontbinding of het verval van de termijnbepaling, worden de nalatigheidsinteresten in de zin van artikel VII.147/23, §1, berekend op het volledige verschuldigd blijvend saldo.

     

     

    Berekeningsmethode

    De nalatigheidsinterest moet pro rata temporis worden aangerekend berekend aan de periodieke rentevoet van het krediet, vermeerderd met een periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,5 %. Deze verhoging wordt berekend op jaarbasis, dit wil zeggen een rentevoet van 0,4157 % op maandbasis.

     

     

    Verbod op kapitalisatie van de interesten

    Artikel VII.147/23, §2 verbiedt impliciet elke vorm van kapitalisatie van intresten. De berekening moet worden gedaan op het onbetaalde kapitaal (VII.147/23, § 2, 2°, b) of op het verschuldigd blijvend saldo (VII.147/23, § 2, 3°, a). 

    Het verschuldigd blijvende saldo wordt in artikel I.9, 63° gedefinieerd als het bedrag dat moet gestort worden om het opgenomen kapitaal af te lossen, weder samen te stellen of terug te betalen. Een bepaling waardoor de kredietgever intresten zou mogen kapitaliseren op een wijze toegestaan door artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek is dus nietig.

    Enerzijds kan een kapitalisatieovereenkomst slechts a posteriori worden gesloten, zodra de intresten voor een jaar zijn vervallen. Anderzijds laat artikel VII.147/23 – dat van openbare orde is – de berekening enkel toe op het verschuldigd blijvende saldo. Het Wetboek wijkt dus af van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek.

    Dit geldt voor de contractuele bedingen, maar eveneens voor de andere kapitalisatietechniek toegelaten door artikel 1154. De kredietgever mag zich dus niet beroepen op kapitalisatie middels aanmaning (deurwaardersexploot of neergelegde conclusies) zodra de intresten zijn vervallen.

     

     

    Uitzondering

    Er bestaat echter een uitdrukkelijk in artikel I.9, 60° van het Wetboek opgenomen uitzondering. Voor geoorloofde debetstanden op een rekening en de overschrijdingen zonder regeling voor gespreide terugbetaling van de hoofdsom, definieert de wet het kapitaal als het bedrag dat door de consument wordt opgenomen, vermeerderd met de vervallen debetrente en, bij eenvoudige betalingsachterstand zoals bedoeld in artikel VII.147/23, § 2, met de vervallen nalatigheidsinteresten op het bedrag van de overschrijding. Deze uitzondering is te wijten aan de nauwe band tussen de kredietopeningen en een rekening-courant die alle verrichtingen van de consument registreert (en niet enkel de kredietopnemingen/terugbetalingen). De facto gaat het om rekeningen die enkel kredietinstellingen mogen aanbieden en die zijn onderworpen aan de controle van de Nationale Bank. De uitzondering geldt slechts voor de interesten die vervallen zijn op de dag van de opzegging van het krediet. De interesten die vervallen na de opzegging kunnen niet worden opgenomen in het verschuldigd blijvende saldo

     

     

    De nalatigheidsinterest op de strafbedingen

    De formulering van artikel VII.147/23 verbiedt het aanrekenen van intresten op alle toebehoren, ongeacht of het niet alleen interesten maar ook kosten betreft of bedragen die bedongen zijn als schadebeding; er mogen dus geen nalatigheidsinteresten aangerekend worden op het beding van forfaitaire verhoging in geval van opzegging van het krediet noch op de overeengekomen kosten van maanbrieven in geval van eenvoudige betalingsachterstand.

     

     

    De overeengekomen straffen of vergoedingen

     

    Principe

    De nalatigheidsinterest vergoedt de kredietgever bij een vertraging in de uitvoering van de overeenkomst door de consument. De overeengekomen straffen en vergoedingen stellen de kredietgever schadeloos voor de gevolgen van de niet-uitvoering. Het gaat erom de beheerskosten van een openstaande vordering te dekken, alsmede stappen die erop gericht zijn de inning ervan te bekomen. Het gaat dus om twee onderscheiden soorten schade.

    Het WER beperkt de mogelijkheid tot forfaitaire bepaling van het bedrag van de vergoeding die is voorzien in geval van niet-uitvoering, waarbij deze vergoeding geïnspireerd is door de wederbeleggingsvergoeding die wordt bepaald door artikel VII.147/12, §1. Artikel VII.147/12 bepaalt dat de kredietgever recht heeft op een vergoeding voor het verlies van genot dat voortvloeit uit de vervroegde terugbetaling. De vergoeding dient berekend te worden, aan de periodieke rentevoet, op het bedrag van het verschuldigd blijvend saldo en mag niet meer bedragen dan drie maanden interest.

    Deze forfaitaire begroting van de schade, binnen de door het WER bepaalde grenzen, geldt uiteraard slechts voor zover een beding dit bepaalt. Bij gebreke kan de kredietgever het herstel van zijn schade vorderen overeenkomstig het gemene recht dat het WER niet uitsluit.

     

     

    De vergoeding is forfaitair en dekt de volledige schade

    Het maximale forfaitaire bedrag dat krachtens de wet kan worden geëist in geval van ontbinding of verval van de termijnbepaling dekt de volledige schade door de kredietgever geleden ten gevolge van de niet-uitvoering. Die vergoeding dekt bijvoorbeeld:

    • de kosten voor de aangetekende zendingen die de kredietgever meent te moeten sturen na de ontbinding of het verval van de termijnbepaling.

    • de kosten voor het opnieuw in bezit komen van het goed waarop het eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zelfs als het een verkoop op afbetaling betreft (de verkoop is niet onderscheiden van het krediet);

    • de kosten voor het opzoeken van het adres, hypothecaire of kadastrale opzoekingen enz.

    • de kosten voor de domicilie opzoekingen.

     

     

    Strafbedingen en gerechtskosten

    Als een rechtszaak wordt ingespannen, kan de kredietgever eisen dat de consument wordt veroordeeld tot de betaling van de gerechts- en gedingkosten van deze rechtszaak. Deze moeten door de rechter worden vastgesteld op basis van de geldende wettelijke bepalingen. De gedingkosten vergoeden de eiser voor de specifieke schade voortvloeiend uit de verplichting een rechtsgeding in te spannen. De kredietovereenkomst mag geen bepaling bevatten volgens dewelke een rechtsgeding nog andere straffen met zich zou meebrengen. Een dergelijke bepaling is immers verboden door artikel VII.147/23, krachtens hetwelk geen enkele andere betaling mag worden geëist dan dewelke in het artikel worden opgesomd.

     

     

    VII.147/23, § 2 : De eenvoudige betalingsachterstand

     

    Principe

    Artikel VII.147/23, § 2 beoogt de eenvoudige betalingsachterstand, dat wil zeggen een achterstand die geen ontbinding van de overeenkomst noch een verval van de termijnbepaling met zich meebrengt.

    Het WER staat toe dat de kredietgever in de overeenkomst een bepaling opneemt, die bepaalt dat aan de consument maximaal volgende bedragen kunnen worden aangerekend:

    • het vervallen en niet-betaalde kapitaal;
    • de vervallen en niet-betaalde kosten en interesten;
    • het bedrag van de nalatigheidsinterest ten belope van 0,5% op jaarbasis en berekend als volgt:

    a) bij niet betaling van de intresten op de vervaldag: het verschuldigd blijvend saldo op het tijdstip van de wanbetaling vermenigvuldigd met de periodieke rentevoet die overeenstemt met een jaarlijkse debetrentevoet van 0,5 %;

    b) op het onbetaalde kapitaal kan een nalatigheidsinterest pro rata temporis worden aangerekend berekend aan de periodieke rentevoet van het krediet, vermeerderd met een periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet op jaarbasis van 0,5 %. Deze verwijlintresten lopen dan vanaf de datum van wanbetaling, tot de effectieve terugbetaling;

     

     

    Het vervallen en niet-betaald kapitaal

    In geval van eenvoudige betalingsachterstand kan de kredietgever uiteraard van de consument de onmiddellijke betaling vorderen van de vervallen en onbetaald gebleven betalingstermijnen. Vaak betreft het maandaflossingen die het vervallen en niet-betaald kapitaal betreffen, alsook de vervallen en niet-betaalde vergoedende interesten.

     

     

    De niet-betaalde kosten

    Deze post dekt de kosten die vervallen zijn voor de ontbinding en die onbetaald blijven. Het zou bijvoorbeeld kunnen gaan om een verzekeringspremie. Les frais visés au paragraphe 1er, tiret 2, concernent surtout le paiement d’une prime d’assurance éventuelle avancée par le prêteur (Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, gewone zitting, 2015-2016, 54, 1685/1, p. 53).

     

     

    Het bedrag van de nalatigheidsinteresten

    Principe

    Artikel VII.147/23, § 2, 3° beoogt twee soorten nalatigheidsinteresten in geval van eenvoudige betalingsachterstand:

    • Het betreft ten eerste een een schadevergoeding of strafbeding voor het niet betalen van de vervallen interesten die berekend wordt op het vervallen en nog te vervallen kapitaal tot de ontbinding van de overeenkomst. Het betreft dus geen nalatigheidsinterest, zodat de door het WER gehanteerde benaming ongepast is.
    • Het betreft vervolgens de nalatigheidsinteresten voor het niet betalen van het vervallen kapitaal die pro rata temporis berekend worden op het vervallen en onbetaald gebleven gedeelte van het kapitaal.

     

     

    De nalatigheidsinterest

    De nalatigheidsinterest stricto sensu wordt dus pro rata temporis berekend. Indien de contractuele bedingen dit bepalen (zie hoger), kan de nalatigheidsinterest berekend worden vanaf de datum van wanbetaling tot de effectieve terugbetaling, in voorkomend geval van rechtswege en zonder ingebrekestelling (binnen de grenzen van hetgeen de overeenkomst bepaalt). De becommentarieerde bepaling stelt een maximumrentevoet vast. De rentevoet is de periodieke rentevoet van het krediet, vermeerderd met een periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,5 % op jaarbasis. Deze interesten kunnen slechts berekend worden op het vervallen en niet-betaalde gedeelte van het kapitaal (op het onbetaalde kapitaal).

     

    De straf in geval van eenvoudige betalingsachterstand

    De straf wordt toegepast op het verschuldigd blijvend saldo op het tijdstip van de wanbetaling vermenigvuldigd met de periodieke rentevoet die overeenstemt met een debetrentevoet van 0,5 %.

    Deze straf is van toepassing indien de debetinteresten van een termijnbedrag onbetaald blijven en zal berekend worden op het saldo dat op dat moment verschuldigd blijft.

    De memorie van toelichting van de wet van 22 april 2016 geeft het volgende voorbeeld:

    Bij de bepaling onder paragraaf 3°, a) kan het volgende voorbeeld gegeven worden : 0,042 % (periodieke rentevoet) x 150 000 = 63 euro. Dit bedrag is een penaliteit die bovenop de ‘gewone’ contractuele intrestvoet mag aangerekend worden overeenkomstig artikel 1907, derde lid BW en wordt berekend op het verschuldigd blijvend saldo op het tijdstip van de wanbetaling. De debetrentevoet wordt steeds geacht op jaarbasis te worden uitgedrukt. In feite worden hier de bepalingen van artikel 1907ter hernomen maar wordt de berekeningsmethode verder uitgelegd.
    (Parl. St
    ., Kamer, gewone zitting, 2015-2016, nr. 54-1685/1, p. 53).

     

     

    De overeengekomen kosten voor de maanbrieven en brieven voor ingebrekestelling, ten belope van een verzending per maand

    Het WER staat toe dat de kredietgever kosten aanrekent voor de verzending van maanbrieven of brieven voor ingebrekestelling. Die kosten mogen slechts worden gevraagd voor zover dit uitdrukkelijk in een contractuele bepaling is voorzien (de overeengekomen kosten).

    Verder stelt het WER hieraan een dubbele grens. Enerzijds, is het bedrag van de kosten vastgelegd en, anderzijds, mag de kredietgever deze kosten slechts aanrekenen a rato van één verzending per maand. Het heeft verder geen belang dat de maanbrieven of brieven voor ingebrekestelling betrekking hebben op één of meerdere niet-betaalde termijnen, de kredietgever mag deze kosten slechts aanrekenen voor één enkele maanbrief of brief voor ingebrekestelling over een periode van één maand, te rekenen van datum op datum.

    Niets verbiedt de kredietgever meerdere maanbrieven te verzenden, maar dat gebeurt dan op zijn kosten, zonder dat hiervoor van een consument een vergoeding kan worden geëist. De termijn van één maand begint te lopen vanaf de datum van verzending van de vorige brief (zie het voorbeeld van de kosten van maanbrieven en brieven voor ingebrekestelling). Een maanbrief is niet hetzelfde als het maandelijkse rekeningoverzicht bedoeld in artikel VII.147/14.

    Aangezien de regeling van artikel VII.147/23 geïnspireerd is op de regeling die van toepassing is op het consumentenkrediet, moet beschouwd worden dat de maankosten slechts toegelaten zijn voor de periode die voorafgaat aan de ontbinding van de overeenkomst van hypothecair krediet met een onroerende bestemming. 

     

     

    Eenvoudige betalingsachterstand gevolgd door de opzegging van de overeenkomst - cumul van sancties

    De kosten die verschuldigd zijn voor de periode voorafgaand aan de ontbinding of opzegging van de overeenkomst blijven verschuldigd in geval van opzegging of ontbinding. De kosten voor maanbrieven of brieven voor ingebrekestelling gemaakt na de opzegging zijn daarentegen inbegrepen in de forfaitaire vergoeding en kunnen dus niet bijkomend aan de consument worden aangerekend.

     

     

    Veelheid van schuldenaren

    Als er meerdere medeschuldenaren zijn, kunnen de kosten voor de ingebrekestelling die aan elkeen worden verzonden aan elkeen afzonderlijk ten laste worden gelegd binnen de door de wet voorziene grenzen, maar deze kosten mogen enkel aan de bestemmeling worden aangerekend. Als aan een consument één enkele brief wordt verzonden voor meerdere niet-uitgevoerde overeenkomsten, mogen de kosten slechts eenmaal worden aangerekend. Als voor elke overeenkomst een afzonderlijke brief wordt verzonden, mogen de kosten per overeenkomst worden aangerekend.

     

     

    Toerekening van de betalingen

    In tegenstelling tot hetgeen artikel VII.147/22 bepaalt voor de hypothecaire kredieten met een roerende bestemming, blijven de hypothecaire kredieten met een onroerende bestemming onderworpen aan het gemene recht van artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek wat de toerekening van de betalingen betreft. Dit verschil wordt niet uitgelegd in de parlementaire voorbereiding.

    Informatieplicht

    De wet verplicht de kredietgever die een bedrag vordert in uitvoering van artikel VII.147/23, § 1 of § 2 om zijn vordering uitvoerig te omschrijven en te motiveren in een document dat gratis aan de consument moet worden overhandigd. Een nieuw document moet, met het detail en de motivering van de bedragen verschuldigd in toepassing van §§ 1 en 2, gratis aan de consument die hiertoe een verzoek indient worden overhandigd, en dit maximaal driemaal per jaar. Deze vereiste wordt strafrechtelijk beteugeld door artikel XV.90, 14°.