www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.147/20, § 2 en § 3: Gerechtelijke ontbinding (HK)

     

    Artikel VII.147/20, § 2

     1. Onverminderd de toepassing van artikel VII.147/13, § 1, is elk beding dat voorziet in het verval van de termijnbepaling of in een uitdrukkelijke ontbindende voorwaarde, verboden en wordt als niet geschreven beschouwd, tenzij :
      1° ingeval de consument ten minste twee termijnbedragen, een bedrag gelijk aan 20 pct. van het totale door de consument terug te betalen bedrag of de overeenkomstige bedragen voor de wedersamenstelling van het kapitaal niet heeft betaald en hij één maand na het versturen per aangetekende zending van een brief tot ingebrekestelling zijn verplichtingen niet is nagekomen. Die regels moeten door de kredietgever bij de consument in herinnering worden gebracht bij de ingebrekestelling;
      2° ingeval van een hypothecair krediet met een roerende bestemming, indien de consument het gefinancierde roerend goed vervreemdt vóór het betalen van de prijs, of het gebruikt in strijd met de bedongen voorwaarden van de overeenkomst, terwijl de kredietgever zich de eigendom ervan had voorbehouden;
      3° ingeval van een hypothecair krediet met een roerende bestemming, indien de consument het kredietbedrag bedoeld in de artikelen VII.147/15 en VII.147/16 overschrijdt, en hij, een maand na het versturen per aangetekende zending van een brief houdende ingebrekestelling, zijn verplichtingen niet is nagekomen;
      4° ingeval de consument failliet wordt verklaard;
      5° wanneer de consument de hypothecaire zekerheid die hij bij de kredietovereenkomst had gesteld, door zijn toedoen heeft verminderd in de volgende gevallen :
      a) indien het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van de hypothecaire zekerheid, geheel of gedeeltelijk wordt vervreemd, verkocht, geruild, of geschonken onder de levenden;
      b) indien het onroerend goed dat het voorwerp uitmaakt van een hypothecaire volmacht of hypotheekbelofte wordt bezwaard met een hypotheek.
      § 2. De rechter kan, onverminderd de gemeenrechtelijke sancties en de toepassing van artikel VII.134, § 4, de ontbinding ten laste van de consument bevelen in de volgende gevallen :
      1° indien het onroerende goed dat met een hypothecaire zekerheid bezwaard is het voorwerp uitmaakt van een beslag door een andere schuldeiser;
      2° indien de hypothecaire inschrijving de met de consument overeengekomen rang niet inneemt;
      3° ingeval van vermindering van de hypothecaire zekerheid door een substantiële waardevermindering van het onroerend goed toerekenbaar aan de consument : door een wijziging van de aard of de bestemming, door een ernstige beschadiging, door een ernstige verontreiniging, door het verhuren onder de normale huurprijs of verhuren voor meer dan negen jaar tenzij het akkoord van de kredietgever werd verkregen;
      4° ingeval van mede-eigendom : wijziging van de basisakte waarmee de consument heeft ingestemd, met waardevermindering als gevolg;
      5° ingeval van niet aanhechting, binnen een termijn van drie maanden na het verlijden van de authentieke kredietakte en gedurende de verdere looptijd van de kredietovereenkomst, van de overeengekomen brandverzekering, schuldsaldoverzekering of tijdelijke overlijdensverzekering met constant kapitaal;
      6° indien de consument bewust informatie in de zin van artikel VII.126 heeft achtergehouden of onjuist heeft weergegeven waardoor zijn kredietwaardigheid onjuist werd beoordeeld;
      7° indien een aannemer, architect, metser of enige andere werkman het proces-verbaal doet opmaken bedoeld in artikel 27, 5°, van de hypotheekwet van 16 december 1851;
      8° indien het door het krediet gefinancierde onroerend goed niet volledig afgewerkt is en voor verhuring geschikt binnen 24 maanden na de ondertekening van de authentieke kredietakte of de werken niet uitgevoerd worden overeenkomstig de plannen en lastenboeken of de afgeleverde vergunningen;
      9° indien het krediet wordt aangewend voor een ander doel dan het door de consument opgegeven doel.
      § 3. De regels van dit artikel worden door de kredietgever aan de consument in herinnering gebracht bij de ingebrekestelling.
      Onverminderd de toepassing van artikel VII.147/13, § 1, is elk beding dat voorziet dat de kredietgever op elk ogenblik de terugbetaling van het opgenomen kredietbedrag kan eisen verboden en wordt dit als niet geschreven beschouwd. De oorzaken van de vervroegde opeisbaarheid of ontbinding mogen niet voortvloeien uit een toedoen van de kredietgever.

     

    Principe

     

    Ratio legis

    Artikel VII.147/20, § 2 bevat een reeks gevallen die de rechter toelaten om de ontbinding van de overeenkomst van hypothecair krediet uit te spreken. Deze regel is van toepassing onverminderd de gemeenrechtelijke sancties en de toepassing van artikel VII.134, § 4 (dat bepaalt dat de ontbindende bedingen en het beding van verval van termijnbepaling het voorwerp moeten uitmaken van een afzonderlijk beding).

    De memorie van toelichting stelt desbetreffend: Paragraaf 2 voorziet de gevallen die mogelijk aanleiding kunnen geven tot een ontbinding van de kredietovereenkomst maar contractueel niet kunnen opgenomen worden als een uitdrukkelijk ontbindend beding. Het komt enkel aan de rechter toe om te oordelen of de door de kredietgever opgegeven redenen voldoende zwaarwegend zijn om tot de ontbinding over te gaan. De Raad van State stelde de vraag of er geen tegenstrijdigheid is tussen het ontworpen artikel VII.134, § 4 (oorzaken van vervroegde eisbaarheid of ontbinding moeten worden opgenomen in de kredietovereenkomst) en het ontworpen artikel VII.147/20, § 2 (gevallen waarin de rechter de ontbinding ten laste van de consument kan bevelen). Artikel VII.147/20, § 2, is veeleer te begrijpen als een beperking van de gronden die tot (gerechtelijke) ontbinding kunnen leiden en die in elk geval ook moeten worden opgenomen in de overeenkomst. Ter verduidelijking hiervan werden de woorden “en de toepassing van artikel VII.134” ingevoegd in de oorspronkelijke tekst (Parl. St., Kamer, Zitting 54, 1685/001, p. 52).

     

    De regel

    Volgens de auteurs van de tekst is het doel van paragraaf 2 van artikel VII.147/20 dus om de bevoegdheid van de rechter om de ontbinding te bevelen in geval van een fout van de consument te beperken tot de opgesomde gevallen. De kredietgevers mogen deze gevallen niet omvormen tot uitdrukkelijke ontbindende bedingen of vervalbedingen. De becommentarieerde bepaling vereist daarentegen dat, om de ontbinding te kunnen vorderen voor de rechter, de kredietgever de opsomming van de gevallen van artikel VII.147/20, §2 moet hebben opgenomen in een afzonderlijk contractueel beding (onverminderd de toepassing van artikel VII.147/20).

    Daarnaast verduidelijkt de tekst dat de bevoegdheid van de rechter wordt uitgeoefend onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, hetgeen doet veronderstellen dat het gemene recht niettemin van toepassing zou zijn, onder meer artikel 1184.  Deze verwijzing naar het gemene recht is vrij dubbelzinnig aangezien de draagwijdte van artikel 1184 veel verder gaat dan de gevallen die worden opgesomd in artikel VII.147/20.

    De wetgever heeft kennelijk een rem willen zetten op de lange opsommingen van gevallen die werden opgenomen in de uitdrukkelijke ontbindende bedingen van de kredietovereenkomsten. Heeft hij uit het oog verloren dat paragraaf 1 van diezelfde bepaling volledig tegemoetkwam aan die bekommernis? Betekent de verwijzing naar de gemeenrechtelijke sancties dat de kredietgever de rechter zou kunnen verzoeken om de ontbinding te bevelen voor andere gevallen dan deze die worden opgesomd in artikel VII.147/20, § 2 (maar wat voor zin heeft de in artikel VII.147/20, § 2 bepaalde beperking dan)? Moet daarentegen beschouwd worden dat, indien de kredietgever optreedt op grond van het gemene recht, hij enkel de gevallen zou kunnen inroepen die beoogd worden in artikel VII.147/20, § 2 (maar wat voor zin heeft de vereiste van een afzonderlijk contractueel beding dan)? 

    F. RENSON en C. BIQUET-MATHIEU merken op dat de beperking van de gerechtelijke ontbinding tot de in artikel VII.147/20, § 2 bepaalde gevallen zou kunnen beschouwd worden als strijdig met de beginselen van gelijkheid en niet-discriminatie die bekrachtigd worden door de artikelen 10 en 11 van de Grondwet ("La défaillance du consommateur", in Le crédit hypothécaire au consommateur, Larcier 2017, p. 409, en inz. p. 419 en 420).

    De FOD Economie is van oordeel dat het gemene recht nog steeds van toepassing is maar dat artikel VII.147/20, § 2 de kredietgever een bijzondere informatieplicht oplegt, doordat hij in de overeenkomst de gevallen van gerechtelijke ontbinding moet vermelden die beoogd worden door deze bepaling. Indien hij dit niet doet, staat het aan de rechter bij wie een vordering tot ontbinding op grond van het gemene recht is aanhangig gemaakt, om de sanctie van het gebrek aan informatie te beoordelen. De bepaling voorziet echter niet in een verbod om de rechter te vatten voor andere zaken dan deze die zijn opgesomd in de besproken bepaling.

     

    Artikel 147/20, § 3

    Wanneer een ingebrekestelling wordt verzonden naar de consument, moet deze de in artikel VII.147/20 bepaalde modaliteiten vermelden. De consument moet volledig ingelicht worden over de grieven van de kredietgever en over de gevolgen in geval van stilzitten. De vereisten van duidelijkheid en nauwkeurigheid van de ingebrekestelling worden aangehaald in de commentaar van artikel VII.147/20, § 1.

    Het tweede lid strekt tot bescherming van de consument tegen elke contractuele bepaling die het krediet onmiddellijk opeisbaar zou maken.