www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    Verjaring en kredieten aan consumenten

    De verjaring van artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek (interesten)

    Artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek organiseert een korte verjaring voor de interesten van geleende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen. De ratio legis van deze korte verjaring is de consument te beschermen tegen de voortdurende toename van de schuld, zonder meer door het verstrijken van de tijd (en omdat de kredietgever niet de vervolgingen instelt die hij gerechtigd zou zijn in te stellen). Het stilzitten van de kredietgever wordt dus bestraft door de verjaring van de interesten voor hetgeen de periode van 5 jaar te boven gaat. Deze bepaling heeft als doel de consument te beschermen en de schuldeiser tot voorzichtigheid aan te zetten.

    Lange tijd leken de rechtsleer en de rechtspraak van oordeel te zijn dat de vijfjarige verjaring slechts van toepassing was op de periodieke schulden "van inkomsten" in tegenstelling tot de "schulden van kapitaal". Deze overweging steunde op het feit dat de schulden die opgesomd werden in de bepaling stuk voor stuk schulden “van inkomsten” waren. Dit onderscheid werd bekritiseerd omdat het begrip “schuld van inkomsten” met geen enkel aanvaard rechtsbegrip overeenstemde. Bovendien, gelet op de ratio legis, geldt de bekommernis betreffende een effect van toename door het loutere verstrijken van de tijd evenzeer voor interestschulden als voor andere schulden die verzwaren door de werking van de tijd (abonnementen van water of mobiele telefonie).

    Bij arrest van 19 januari 2005 werd aan het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag voorgelegd betreffende de verjaring van een schuld uit hoofde van de levering van water. Het Grondwettelijk Hof heeft verklaard dat artikel 2277, zo geïnterpreteerd dat dit slechts van toepassing was op schulden uit inkomsten, in strijd was met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Het Hof heeft zijn rechtspraak later bevestigd voor de schulden van mobiele telefonie (arrest van 17 januari 2007, nr. 13/2007).

    Uit deze arresten volgt dus dat artikel 2277 van toepassing is, "op de schulden die betaalbaar zijn in de voorwaarden van periodiciteit die worden beoogd door deze bepaling" (MOREAU S. noot sub Vred. Charleroi (5e kanton), 23 januari 2015, Jaarboek Kredietrecht 2015, p. 44).

    Ten gevolge van deze beslissingen heeft het Hof van Cassatie de korte verjaring toegepast op de schulden van mobiele telefonie. Daarmee werd dus reeds aanzienlijk afgeweken van de bekritiseerde begrippen van schuld van inkomsten/kapitaal.

    Voor de gereglementeerde kredieten stelt de vraag nopens de verjaring zich op gevoelige wijze voor de betalingstermijnen die een gedeelte in kapitaal en een gedeelte in interesten bevatten. Dit is het geval voor de betalingstermijnen van een lening op afbetaling. Moet beschouwd worden dat de korte verjaring van toepassing is op het gehele bedrag van het termijnbedrag of alleen op de interesten die zijn inbegrepen in dit bedrag?

    Het Grondwettelijk Hof, dat desbetreffend ondervraagd werd, heeft opnieuw uitspraak gedaan in een arrest van 6 maart 2014: De schulden betreffende het deel van de maandelijkse afbetalingen dat overeenstemt met de terugbetaling van het ontleende kapitaal vertonen geen gelijkenissen met de interesten bedoeld in artikel 2277, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, vermits die kapitaalschulden verminderen bij elke afbetaling, dan wel stagneren, bij gebrek aan enige afbetaling. Daaruit volgt dat artikel 2277 van het Burgerlijk Wetboek, in die zin geïnterpreteerd dat het enkel van toepassing is op het gedeelte van de maandelijkse afbetalingen van een lening op afbetaling dat met de interesten overeenstemt, onder schuldenaars van periodieke schulden geen onverantwoord verschil in behandeling invoert.

    Het arrest van 6 maart 2014 treedt zodoende een standpunt bij dat werd ingenomen door Mevr. Christine BIQUET MATHIEU ("Remous autour du champ d'application de l’article 2277 du Code civil, les arrêts des 6 février et 23 avril 1998, deux arrêts antinomiques ?", J.L.M.B., 2000, p.488 e.v.). Het is noodzakelijk om in elke betalingstermijn een opsplitsing te maken tussen de interest die onderworpen is aan de korte verjaring (5 jaar) en het kapitaal (tienjarige verjaring).

    Sommige beslissingen van vóór het arrest van het Grondwettelijk Hof van 6 maart 2014 werden reeds toegepast op dit beginsel (Vred. Menen, 25 april 2007, Jaarboek Kredietrecht 2007, 180; Antwerpen, 5 september 2011, NjW 2012, 176; Vred. Zottegem-Herzele, 28 maart 2013, Jaarboek Kredietrecht 2013, 27; Vred. Messancy, 28 januari 2009, Jaarboek Kredietrecht 2008, 97; standpunt destijds goedgekeurd door STEENNOT R. et al., "Overzicht van rechtspraak consumenten bescherming (2005-2014)", T.P.R. 2015 - 3/4, nr. 477, 1783). De kwestie lijkt dus beslecht te zijn (contra Vred. Charleroi (5e kanton), 23 januari 2015, Jaarboek Kredietrecht 2015, 34 en noot MOREAU S., die het tweede arrest van het Grondwettelijk Hof lijkt te negeren).

    Sindsdien heeft een arrest van het Hof van Cassatie van 31 mei 2014 bovendien aanvaard dat de korte verjaring eveneens van toepassing was op de verwijlinteresten (Cass., 31 mei 2012, RGDC 2014/9, 448 en noot BIQUET-MATHIEU C., "La prescription des intérêts moratoires à l'aune de l'application de l'article 2277", p. 450; R.W. 2012/2013, afl. 12, 462 en noot DELWICHE T.).

    De toepassing van de verjaringsregels voor de interesten kan dus als volgt worden samengevat:

    1. De interesten die vervallen zijn op de datum van de rechtsvordering, zijn onderworpen aan de vijfjarige verjaring van artikel 2277. De verweerder kan de verjaring dus tegenwerpen voor de interesten die op de dag van de dagvaarding al meer dan 5 jaar vervallen zijn. Het beginsel daarvan wordt vermeld in het arrest van 31 mei 2012, als een algemene regel die van toepassing is op alle verwijlinteresten ongeacht of deze van conventionele of wettelijke aard zijn: Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever deze regeling niet beperkend heeft opgevat en niet heeft willen uitsluiten dat zij toepasselijk is op moratoire interest, ongeacht of die verschuldigd is krachtens een overeenkomst dan wel een rechterlijke beslissing.
    2. De verjaring wordt geschorst tijdens de procedure tot de uitspraak van het eindvonnis overeenkomstig artikel 2244, § 1, 2e lid van het Burgerlijk Wetboek. Dit betreft zowel de interesten die sinds meer dan vijf jaar vervallen zijn op de dag van de dagvaarding als deze die in de loop van de procedure zullen komen te vervallen.
    3. Het eindvonnis bewerkstelligt een omkering van de verjaring: de gemeenrechtelijke verjaringstermijn (tien jaar volgens art. 2262bis, § 1, 1e lid) wordt in de plaats gesteld van de bijzondere verjaringstermijn die de initiële schuldvordering beoogde: Elk vonnis van veroordeling doet een rechtsvordering ontstaan tot tenuitvoerlegging van de veroordeling. Deze rechtsvordering, actio judicati genoemd, verjaart pas door verloop van tien jaren te rekenen vanaf het vonnis, al gaat het om een veroordeling die is uitgesproken krachtens een schuldvordering waarop een kortere verjaring van toepassing is (Cass., 31 mei 2012). Daaruit volgt dat de sommen die interesten vertegenwoordigen voorafgaand aan het vonnis en die zijn opgenomen in de veroordeling van de schuldenaar, onderworpen zijn aan de tienjarige verjaring van de actio judicati. De gerechtelijke interesten die betrekking hebben op het bedrag van de veroordeling vanaf de uitspraak zijn onderworpen aan de vijfjarige verjaring (zie betreffende deze vraag ook BIQUET-MATHIEU C., "Recouvrement d'un crédit hypothécaire et accumulation des intérêts", J.L.M.B. 2014, 205, opmerkingen onder Bergen (21e kamer), 8 mei 2013, J.L.M.B. 2014, 203)


    Het aanvangspunt van de verjaring

    In een arrest van 27 april 2018 (zie volledige tekst) herinnert het Hof van Cassatie eraan dat "De op een verbintenis gegronde rechtsvordering ontstaat, in de regel, op de datum waarop die verbintenis moet worden nagekomen. Zij verjaart bijgevolg pas vanaf dat ogenblik en, behoudens andersluidende wettelijke bepaling, op dat ogenblik". Bij een kredietovereenkiomst begint de verjaringstermijn dan ook te lopen op de dag waarop de bedragen opeisbaar worden. Voor leningen met regelmatige aflossingen is dit de dag van het verstrijken van de betalingstermijn en de dag van de beëindiging van het krediet door de kredietgever voor het nog niet vervallen saldo. In het geval van een contract van onbepaalde duur waarvoor geen termijn kan worden vastgesteld, gaat de verjaringstermijn in op de dag waarop het krediet wordt beëindigd door de kredietgever.

     

     

     

    De schuldbekentenis, stuitingsdaad onder bepaalde voorwaarden

    Het College van deskundigen van ombudsfin heeft op 10 februari 2015 een advies uitgevaardigd over de tienjarige verjaring en de gronden voor stuiting in geval van verjaring. Meer bepaald stelde zich de vraag nopens de verjaring ten gevolge van de uitoefening gedurende lange tijd van een overdracht van loon. Het College heeft eraan herinnerd dat de afstand van de verjaring of de schuldbekentenis moeten voortvloeien uit een zeker feit dat niet anders kan geïnterpreteerd worden dan als de wil om af te zien van de verjaring of de schuld te erkennen, met volledige kennis van zaken (Cass. 29 november 2013, www.juridat.bewww.juridat.be).

    Hier is de tekst van deze beslissing beschikbaar op de site van ombudsfin.