www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.77, § 1 : Kredietwaardigheidsbeoordeling

     

     

    Commentaar

     

     

    Het door de gemeenschapsrecht nagestreefde doel

     De doelstellingen volgens het gemeenschapsrecht.

     

     

     

    Openbare orde

    De macro-economische doelstelling die wordt nagestreefd door het gemeenschapsrecht is het bevorderen van de verantwoordelijke praktijken van de kredietgevers om de overmatige schuldenlast van de consumenten en de crisissen van het financiële systeem te bestrijden. De kredietwaardigheidsbeoordeling is de kern van de regeling waarin wordt voorzien in de gereglementeerde stelsels van krediet aan consumenten. De beoordelingsbeginselen die worden vastgesteld door de Europese richtlijnen en die zijn omgezet in boek VII WER behoren tot de wezenlijke belangen van de Staat of de gemeenschap en dit, uit hoofde van de openbare orde.

     

     

    Wat is " de kredietwaardigheidsbeoordeling "?

    De kredietwaardigheidsbeoordeling van de consument is verschillend van de risicoanalyse van de kredietgever

    Het betreft de analyse van het vermogen en de neiging van de consument om het krediet terug te betalen. Het gaat niet om een analyse van het kredietrisico (credit risk assessment) zoals bijvoorbeeld in aanmerking genomen in richtlijn 2013/36/EU betreffende de toegang tot de activiteit van de kredietinstellingen en het prudentiële toezicht van de kredietinstellingen en de beleggingsondernemingen. De analyse van het kredietrisico is in dat geval een analyse die gericht is op de bescherming van de belangen van de kredietgever als waarborg voor de financiële stabiliteit van de kredietinstellingen.

    In de credit risk assessment wordt het risico geanalyseerd vanuit het standpunt van de kredietgever terwijl het risico bij de kredietwaardigheidsbeoordeling in de gereglementeerde kredieten wordt benaderd vanuit het standpunt van de consument (zelfs indien deze beoordeling onrechtstreeks tot gevolg heeft dat de belangen van de kredietgever beschermd worden vermits het krediet moet worden toegestaan aan een consument die in staat is terug te betalen). Het vermogen van de consument moet bepaald worden, alsook zijn vermogen om terug te betalen indien het krediet zou worden opgezegd.

    De kenmerkende analyse van credit risk assessment is de analyse die wordt verricht door de kredietverzekeraars.

    Terwijl de credit risk assessment zich richt op de gevolgen voor de kredietgever, streeft de kredietwaardigheidsbeoordeling een doelstelling na die gericht is op de consument: de kredietgever moet zich verzekeren van diens vermogen om de overeenkomst zonder tekortkoming uit te voeren en om net de opzegging van de overeenkomst te vermijden. Artikel VII.77 heeft een dubbel doel: het beschermen van de consument tegen een situatie van overmatige schuldenlast die hem in een levenssituatie zou brengen die in strijd is met de menselijke waardigheid en vermijden dat de kosten van het krediet zouden verzwaard worden door bijkomende vergoedingen die verband houden met de niet-uitvoering. De kredietwaardigheidsbeoordeling is dus een test voor het vermogen van de consument om de overeenkomst zonder tekortkoming uit te voeren.

     Een kredietgever die alleen een kredietrisicobeoordeling uitvoert, voldoet niet aan zijn verplichtingen, aangezien hij alleen inschat of het krediet zal worden volledig terugbetaald zonder voorrang te geven aan de normale uitvoering van het contract.

     

     

     

    Het doel: bepalen van het vermogen van de consument om de verplichtingen van de kredietovereenkomst na te komen

    Het krediet mag enkel worden toegestaan aan een consument die alle sommen kan terugbetalen die verschuldigd zijn krachtens het krediet, terwijl hij in staat is om al zijn uitgaven (met inbegrip van de aflossing van het beoogde krediet) kan doen met een redelijke marge. Met andere woorden mag de kredietgever geen krediet toestaan aan een consument die in staat is om het kredietbedrag terug te betalen maar die niet in staat is om de betalingstermijnen na te leven. Het consumentenkrediet moet worden terugbetaald door middel van de inkomsten van de consument en mag dus niet de verkoop van activa vereisen (behoudens uitzonderlijke situatie, zoals bijvoorbeeld een overbruggingskrediet, en de kredietgever moet de gegrondheid van een krediet in een dergelijk geval kunnen aantonen).

    De terugbetalingscapaciteit moet worden beoordeeld in de veronderstelling dat het krediet tot het maximum wordt gebruikt gedurende de volledige looptijd van de lening (De terugbetalingscapaciteit van de kredietnemer, dient te worden beoordeeld uitgaande van een maximale kredietopname en dit doorheen de volledige duurtijd van het krediet: Vred. Antwerpen (8stecant.), 18 juni 2013, T. Vred. 2015, 423, noot STEENNOT R.)

    Om deze beoordeling te verrichten moet de kredietgever de inkomsten en de lasten van de consument tegen elkaar afwegen. Het is niet mogelijk om een percentage van het inkomen vast te stellen dat in elk geval een limiet zou zijn voor het verlenen van krediet: hoe hoger het inkomen, hoe hoger het percentage van het inkomen dat kan worden gebruikt om kredieten terug te betalen. (STEENNOT R. en al., "Overzicht van rechtspraak consumenten bescherming (2005-2014)", T.P.R. 2015 - 3/4, n°422, p. 1745).

    Alles hangt overigens af van de andere lasten en de individuele situatie van de consument. Sommige beslissingen zijn echter gebaseerd op gevallen waarin het verband tussen de hoogte van de inkomsten en de kredietkosten op zich een slechte beoordeling van de kredietwaardigheid aantoont (Vred. Neufchâteau, 4 november 2008, Jaarboek Kredietrecht 2008, 55: 97 % van de inkomsten of 63% van de inkomsten met kinderbijlagen). 

    Bovenop de lasten die geïdentificeerd worden in de vragenlijst waarvan sprake is in artikel VII.69, § 2, moet de kredietgever de sommen beoordelen die noodzakelijk zijn voor de consument en de personen die hij ten laste heeft om in staat te zijn om de uitgaven te doen die onontbeerlijk zijn om een menswaardig bestaan te handhaven, andere dan financiële verbintenissen: kledij, voeding, kosten van gezondheidszorg, hygiëne, onderhoud van de woning, hobby's en sociaal leven en vervoer. Een kredietwaardige consument is dus een consument die alle sommen kan terugbetalen die verschuldigd zijn krachtens het krediet terwijl hij in staat is om de hoger opgelijste uitgaven te betalen. De kredietgever waakt erover dat de consument over een marge beschikt na de betaling van deze uitgaven met inbegrip van de aflossing van het beoogde krediet.

    In het geval van een lening op afbetaling, een verkoop op afbetaling of een financieringshuur, moet de consument in staat zijn elk termijnbedrag op de vervaldag te betalen. In het geval van een “ballonkrediet” of een krediet met vaste looptijd, moet hij, op basis van de gekende gegevens op het ogenblik van de kredietaanvraag, ook in staat zijn het laatste verhoogde termijnbedrag te betalen. In het geval van een kredietopening mag de kredietwaardigheidsbeoordeling er niet toe beperkt blijven te bepalen of de consument in staat zal zijn de termijnbedragen af te lossen indien de overeenkomst daarin voorziet Aangezien de consument op elk moment het beschikbare bedrag van het krediet kan opnemen, kan de regelmatige betaling van de termijnbedragen onvoldoende blijken om het krediet te vereffenen binnen de nulstellingstermijn. De kredietgever moet redelijkerwijze aannemen dat de consument zijn verplichtingen, voortvloeiende uit de nulstelling, zal kunnen nakomen (Guidelines)
    ( In deze zin :Vred. Grace Hollogne, 5 juni 2007, T. Vred. 2008, noot BIQUET-MATHIEU C.). De kredietgever moet daarom overwegen dat de consument het krediet kan terugbetalen.

    Het loutere feit dat bij kredietopeningen een vervroegde terugbetaling zonder kosten mogelijk is, rechtvaardigt nog geen toekenning van het krediet wanneer de consument bij het sluiten van de kredietovereenkomst niet de intentie heeft uitgesproken om vervroegd af te lossen (Rb. Brussel, 26 maart 2012, RABG 2012,1152, no0t BONNARENS F.).

     

     

     

     

    Kredietwaardigheidsbeoordeling: consument, borg, medeschuldenaar

    De beoordeling heeft alleen betrekking op de terugbetalingscapaciteit van de consument-kredietnemer. De kredietgever mag geen rekening houden met de terugbetalingscapaciteit van borgstellers of andere derden die geen partij zijn van de kredietovereenkomst (zoals de echtgenoot van de consument). Als een moeder geld leent om dat geld toe te vertrouwen aan haar zoon die door een faillissement geen toegang meer heeft tot krediet, moet de terugbetalingscapaciteit van de moeder worden beoordeeld en niet die van de zoon (de eindbegunstigde van het krediet).

    Om de opportuniteit te beoordelen van een krediet dat wordt toegestaan aan twee samenwonende consumenten die zich hoofdelijk verbinden en die er de economische begunstigden van zijn, is het geoorloofd dat de kredietgever rekening houdt met de inkomsten van beide partijen. De omstandigheid dat zij enkele maanden later een einde maken aan hun samenwoning, ontneemt de kredietgever dus niet het recht om de volledige schuld van elk van hen te vorderen (Cass., 7 januari 2008, C.06.0637.F, www. juridat.be; T. Vred. 2009, 281, noot BIQUET MATHIEU C.; JT 2008, 91; DCCR 2009 (83), noot BLOMMAERT D. et PLETINCKX Z., Ann. Jur. 2008, 42).

    De beslissing van het Hof van Cassatie is gebaseerd op de overweging dat de twee medekredietnemers een huishouden vormen. Het feit dat twee kredietnemers geen huishouden vormen, belet de kredietgever niet om rekening te houden met de gezamenlijke terugbetalingscapaciteit van beide personen door hun inkomens samen te tellen, bijvoorbeeld in het geval van een investering waartoe beiden samen besloten (BIQUET MATHIEU C., "Les revenus des codébiteurs solidaires peuvent-ils être cumulés pour apprécier la viabilité du crédit au sens de l'article 15 de la loi sur le crédit à la consommation?", (noot sub Cass.7 januari 2008), T. Vred.. 2009, 284).  Om de in aanmerking te nemen inkomsten te beoordelen, moet de kredietgever de consumenten daarom vragen stellen. Zo kan hij bepalen in welke mate de investering, die ze samen willen afbetalen, een gemeenschappelijk karakter heeft.

    Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument-kredietnemer wordt geen rekening gehouden met zekerheden (rechtsleer). In het gewoonterecht is al vele jaren aanvaard dat garanties slechts een bijkomende rol kunnen spelen bij de beslissing om een krediet toe te kennen.

    Het bestaan van persoonlijke of reële zekerheden kan niet worden gebruikt als een factor bij de beoordeling van de gepastheid van het krediet op straffe van aansprakelijkheid van de kredietgever, in het bijzonder met betrekking tot de zekerheid die is vereist om het krediet te garanderen dat aan een consument werd toegekend van wie de kredietgever wist of had moeten weten dat hij niet kon voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de kredietovereenkomst (rechtsleer en rechtspraak)

    Wanneer meerdere consumenten een consumentenkredietovereenkomst sluiten, moet de kredietgever er dus voor zorgen dat de hoedanigheid van elke persoon die zich verbindt, correct wordt aangeduid: kredietnemer, medekredietnemer of borgsteller.

    Bij de beoordeling van de kredietwaardigheid mag de kredietgever geen rekening houden met de inkomsten van hoofdelijke medeschuldenaren wier handtekening alleen als zekerheid wordt gevraagd (mechanisme van de hoofdelijke medeschuld) en die geen voordeel  in het krediet hebben (Rb. Luik, 21 oktober 2011, J.L.M.B. 2014, 224.) Dit impliceert dat de kredietgever kan bewijzen dat hij zijn adviesplicht (met name wat betreft de keuze van het krediet) ten aanzien van deze consument, die als kredietnemer in beeld komt maar niet van het krediet geniet, naar behoren heeft vervuld.

    De rechtbank van eerste aanleg van Luik oordeelde dan ook dat een kredietgever geen rekening mocht houden met het inkomen van een jonge vrouw die niet samenwoonde met de medekredietnemer, die de enige begunstigde was van het voertuig dat met het krediet werd gefinancierd (Rb. Luik, 21 oktober 2011, J.L.M.B. 2014, 224). 

    Evenmin mag de kredietgever - behalve in bijzondere omstandigheden - een krediet verlenen dat alleen kan worden terugbetaald door de verkoop van de activa van de consument (en al helemaal niet als hierdoor de gezinswoning moet worden verkocht: Vred. Kortrijk (2e Kant.), 17 november 1998, Jaarboek Kredietrecht, 1998, p. 168) De vrederechter van Eeklo oordeelde dat de kredietgever aan zijn raadgevingsplicht verzuimt wanneer hij een krediet toestaat aan drie medeschuldenaars waarvan enkel de twee eersten de werkelijke begunstigden zijn, terwijl ze daarenboven zeer veel schulden hebben (Vred. Eeklo, 12 november 1998, Jaarboek Kredietrecht, 1998, p.119).

    Het verzuim van de raadgevingsplicht werd in aanmerking genomen jegens de derde medeschuldenaar wiens verbintenis bepalend was voor het toekennen van het krediet, dat hoofdzakelijk bestemd was om de vorige kredieten van de twee andere medeschuldenaars terug te betalen. Het feit een zekerheid te hebben geëist, toont daarentegen op zich niet aan dat het krediet niet mocht worden toegestaan, tenzij wordt aangetoond dat deze vereiste voortvloeide uit het feit dat de bank op de hoogte was van de hopeloze financiële situatie van de kredietnemer.

    Wat hypothecaire kredieten betreft, zegt artikel 18.3 van Richtlijn 2014/17:  De kredietwaardigheidsbeoordeling mag niet hoofdzakelijk gebaseerd zijn op het feit dat de waarde van het voor bewoning bestemde onroerende goed hoger is dan het kredietbedrag, of dat het voor bewoning bestemde onroerende goed in waarde zal stijgen, tenzij de kredietovereenkomst tot oogmerk heeft het voor bewoning bestemde onroerende goed te bouwen of te renoveren.


     

     

     

     

    De kredietwaardigheidsbeoordeling van de persoonlijke zekerheidsteller

    De kredietwaardigheidsbeoordeling van de persoon die de persoonlijke zekerheid stelt heeft als doel te bepalen of deze persoon in staat zal zijn om zijn verbintenis na te komen wanneer er een beroep zal worden gedaan op zijn waarborg. Om deze kredietwaardigheid te beoordelen, mag de kredietgever enkel rekening houden met de inkomsten van de persoon die de zekerheid stelt. Hij mag deze niet bijtellen bij deze van de kredietnemer, aangezien het precies de rol is van de persoonlijke zekerheidssteller om tussen te komen in geval van wanbetaling van de kredietnemer (BIQUET MATHIEU C., "Les revenus des codébiteurs solidaires peuvent-ils être cumulés pour apprécier la viabilité du crédit au sens de l'article 15 de la loi sur le crédit à la consommation?", noot sub Cass.7 januari 2008), T. Vred. 2009, 284).

    Hoewel de tekst het niet verduidelijkt, spreekt het voor zich dat deze beoordelingsverplichting het verbod met zich meebrengt voor de kredietgever om een verbintenis te vragen die onevenredig is ten aanzien van diens vermogen en middelen. Dit onderzoek wordt beoordeeld op het moment waarop de overeenkomst wordt gesloten. Er kan de kredietgever dus geen verwijt worden gemaakt betreffende feiten die zich later voordoen en die de vermogenssituatie van de borg zouden wijzigen. De kredietgever is aansprakelijk voor beoordelingsfouten. De vraag die zich stelt is of de rechter de verbintenis kan herleiden tot hetgeen redelijk zou zijn geweest om te eisen van de borg op het moment van de beoordeling dan wel, integendeel, moet beschouwd worden dat, indien de borgtocht niet werd verkregen zoals hij werd gesteld, het krediet niet zou zijn toegestaan (in dat geval zou het herstel van de schade het verval van elke vordering tegen de borg kunnen rechtvaardigen).

     

     

     

    Aard van de verplichting

    De verplichting om de financiële toestand van de schuldenaar te onderzoeken en desgevallend het krediet te weigeren, is een middelenverbintenis. Om deze beoordeling te doen, is de kredietgever evenwel gehouden tot bepaalde resultaatsverbintenissen (raadplegen van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren, verzamelen van voldoende informatie).

     

     

     

    Een beoordeling geval per geval

    Zoals de richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU (considerans 55) benadrukken, moet de kredietgever de kredietwaardigheid van elke consument individueel, geval per geval, controleren. De gereglementeerde stelsels leggen dus een individuele analyse op die niet kan steunen op een uitsluitend statistisch onderzoek (credit scoring) hoewel dit middel een eerste nuttige benadering kan zijn. Credit scoring steunt op de analyse van een gegevensbank van kredietovereenkomsten waarvan het statistisch onderzoek toelaat bodemscores te definiëren voor de toegang tot het krediet. Deze scores definiëren in feite de risicodrempel die aanvaard wordt door de kredietgever. Door uitsluitend op basis van credit scoring te werken aanvaardt de kredietgever op voorhand dat een bepaald percentage kredietovereenkomsten niet wordt nageleefd. Door de parameter van bodemscores te gebruiken kan hij het risicoaandeel dat hij aanvaardt verhogen of verminderen. De gereglementeerde stelsels laten deze uitsluitende benadering niet toe. Een persoonlijk contact met de consument en een menselijke tussenkomst bij de analyse van het dossier zijn nog steeds vereist. Het krediet moet geweigerd worden, zelfs indien de behaalde score voldoende is, indien uit dit rechtstreekse contact of deze individuele analyse een ernstige vrees voor niet-uitvoering door de consument voortvloeit.

     

     


     De kredietwaardigheidsbeoordeling is een verplichte voorwaarde voordat een kredietovereenkomst wordt verzonden

    commentaar nog te ontwikkelen

     

    De noodzakelijke en relevante factoren die van invloed kunnen zijn op het vermogen van de consument om het krediet af te lossen

    Bij de kredietwaardigheidsbeoordeling moet rekening worden gehouden met alle noodzakelijke en relevante factoren die gedurende de hele looptijd van het krediet van invloed kunnen zijn op het vermogen van een consument om het krediet tijdens de looptijd af te lossen. De kredietgever moet dus de inkomsten en de lasten in aanmerking nemen op de dag van de kredietaanvraag. Hij moet de verklaringen van de consument onderzoeken en de sommen beoordelen die noodzakelijk zijn voor de consument om de uitgaven te doen die onontbeerlijk zijn om een menswaardig bestaan te handhaven (andere dan financiële verbintenissen) zoals bijvoorbeeld kledij, voeding, kosten van hygiëne, onderhoud van de woning, hobby's en sociaal leven en vervoer.

    De kredietgever moet eveneens de toekomstige evolutie ervan onderzoeken. Zo moeten de beroepsinkomsten van een bijna pensioengerechtigde consument beoordeeld worden rekening houdend met zijn nakende pensionering. De invloed van de bijzonderheden van de overeenkomst, zoals de invloed van een variabele rentevoet of van een uitgestelde terugbetaling van het kapitaal, moet ook beoordeeld worden.

    De kredietgever moet uiteraard rekening houden met de te voorziene omstandigheden op het ogenblik van de beoordeling van de kredietwaardigheid. Dat impliceert niet dat hij scenario’s voorziet (STEENNOT R. et al., "Overzicht van rechtspraak consumenten bescherming (2005-2014)", T.P.R. 2015 - 3/4, n°422, p. 1745) zoals een onvoorziene werkloosheid, een ongeval met arbeidsongeschiktheid tot gevolg, de echtscheiding van de kredietnemers, enz. Het tegendeel eisen zou erop neerkomen dat de meerderheid van de consumenten geen krediet meer zou kunnen aangaan.

    Het feit dat de kredietnemer al dan niet eigenaar van zijn woning is, vormt eveneens een belangrijke beoordelingsfactor. Als hij huurder is, moet de kredietnemer weten hoeveel de huur bedraagt om het bedrag van de maandlasten te kunnen bepalen. Als de consument eigenaar is, dient de kredietnemer na te gaan of er een hypothecair krediet is afgesloten en welke lasten verschuldigd zijn in hoofde van de eigenaar (verzekering, onroerende voorheffing (Vred. Arendonk, 15 juni 2010, T. Vred. 2013, 637, noot STEENNOT R.).  

     

     

     

     

    De kinderbijlagen, een inkomen?

    Vaak wordt de kinderbijslag gerekend tot de inkomsten van de kredietnemer om diens kredietwaardigheid te beoordelen. In de rechtspraak wordt er herhaaldelijk aan herinnerd dat de kinderbijslag dient om te voorzien in het onderhoud van de kinderen (bij de kredietwaardigheidsbeoordeling moet dus worden beschouwd dat de inkomsten uit de kinderbijslag of het onderhoudsgeld voor de kinderen gezien moeten worden in het licht van de kosten voor onderhoud en onderwijs, die hoger liggen dan de ontvangen bijdragen  (STEENNOT R. et al., "Overzicht van rechtspraak consumenten bescherming (2005-2014)", T.P.R. 2015 - 3/4, n°420, p. 1744; zie  R. STEENNOT, "De beoordeling van de terugbetalingsmogelijkheden van de consument : wat kost een kind ?", noot sub Vred. Arendonk, 15 juni 2010, T. Vred. 2013, 639,  verwijzend naar een studie van de Gezinsbond). Kosten voor onderwijs en onderhoud van de kinderen zouden dus niet kunnen worden geneutraliseerd door louter de kinderbijslag en het onderhoudsgeld niet bij te tellen bij de inkomsten(Zie R. STEENNOT, "De beoordeling van de terugbetalingsmogelijkheden van de consument, wat kost een kind ?", noot sub. Vred. Arendonk, 15 juni 2010, T. Vred. 2013, 639 e.v.). Ook hier dringt een beoordeling geval per geval zich op.

    Er bestaat dus geen regel die stelt dat er geen rekening mag worden gehouden met de kinderbijslag en het onderhoudsgeld (zie echter Vred. Neufchâteau, 4 november 2008, T. Vred.2010, 450, noot de PATOUL F.).Sommige beslissingen stellen echter dat kinderbijlagen niet als een inkomen mogen worden beschouwd (voor voorbeelden zie Vred. Oostende (1ste cant.), 7 juli 2015, Jaarboek Kredietrecht 2015, 23; Vred. Antwerpen (11de kant.), 8 december 2015, Jaarboek Kredietrecht 2015, 25).

    Als de kinderbijslag echter in rekening wordt genomen, moeten ook de kosten voor het levensonderhoud van de kinderen in rekening worden genomen. De schuld die het onderhoudsgeld uitmaakt, is wel een last die altijd in rekening moet worden genomen bij de beoordeling van de kredietwaardigheid van de kredietnemer. Het is dus een vraag die moet worden opgenomen in de vragenlijst die door de consument moet worden ingevuld in overeenstemming met artikel VII.66. De kredietgever moet er uiteraard rekening mee houden dat de kinderbijslag zal komen te vervallen als inkomen wanneer de kinderen de leeftijd bereiken waarop zij er niet langer van zullen kunnen genieten (Vred. Luik (3de kant.), 25 juli 2007, Jaarboek Kredietrecht 2007, 53, noot de PATOUL F.). 

     

     

     

    Beoordeling van de kredietwaardigheid en discriminatie

    Verwijzing

     

     

     

    De analyse moet grondig gebeuren en de regels en procedures in acht nemen die de kredietgever moet bepalen voor zijn activiteit

    Ter gelegenheid van de omzetting van Richtlijn 2014/17/ EU inzake hypothecair krediet heeft de Belgische wetgever de tekst van artikel VII.77 aangepast en de bewoording van artikel VII.133 overgenomen. De beoordeling van de kredietwaardigheid moet grondig gebeuren. De kredietgever zorgt er dus voor dat passende procedures worden vastgelegd en dat de regels met betrekking tot de informatie waarop de kredietwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd, bepaald worden. Deze regels moeten vastgelegd, gedocumenteerd en bijgehouden worden. Hij moet voor elke consument en voor elke persoon die een persoonlijke zekerheid stelt een dossier aanleggen waarin de informatie waarop de kredietwaardigheidsbeoordeling gebaseerd is, wordt bijgehouden (VII.133, § 1, lid 4).

    Het geheel van deze regels verduidelijkt de eisen van de kredietgever, onder meer betreffende de volgende punten:

    • de informatie waarover de kredietgever minstens meent te moeten beschikken om zijn beslissing te nemen;
    • de documenten en bewijsstukken die moeten worden meegedeeld door de consument, de communicatiemodaliteiten en de geldigheidstermijnen;
    • het analyseproces en de controles die moeten worden verricht door de aangestelde van de kredietgever om de informatie te controleren, eventueel, met de toestemming van de consument, bij derden;
    • de analysebeginselen en onder meer de bedragen die moeten worden toegevoegd aan de lasten van de consument om de courante uitgaven te dekken en in een redelijke marge te voorzien.

     

     

     

     

    De kredietgever moet over een organisatie beschikken die hem toelaat een grondige beoordeling van de kredietwaardigheid te verrichten

    De beoordelingsprocedure moet objectieve regels naleven en vermijden dat de analyse beïnvloed wordt door financiële incentives of andere belangenconflicten. Bijgevolg moeten de kredietgevers, in het kader van de uitwerking en de toepassing van hun beloningsbeleid voor het voor de beoordeling van kredietwaardigheid verantwoordelijke personeel, de volgende beginselen naleven (VII.147/30, § 5 en § 6):

    1. het beloningsbeleid is in overeenstemming met en draagt bij tot een degelijke en doeltreffende risicobeheersing en moedigt niet aan tot het nemen van meer risico's dan voor de kredietgever aanvaardbaar is;
    2. het beloningsbeleid is in overeenstemming met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, waarden en langetermijnbelangen van de kredietgever, en omvat maatregelen ter voorkoming van belangenconflicten, door met name te bepalen dat de beloning niet afhankelijk is van het aantal of het percentage aanvaarde aanvragen.

     

     

     

     

    Bewijslast en bewaring van het dossier van de kredietwaardigheidsbeoordeling.

    Het komt toe aan de kredietgever om het bewijs te leveren dat hij zich correct heeft gekweten van zijn plicht om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen (zie de commentaar op de bewijslast)).Als hij niet in staat is om de resultaten te tonen van de onderzoeken die hij moet voeren, kan de rechter de verplichtingen van de consument verminderen tot het ontleende kapitaal (artikel VII.201) (vermeerderd met de interesten aan de wettelijke interestvoet (VII.201) (Vred. Genk, 22 februari 2011, Jaarboek Kredietrecht 2011, p. 32; Vred. Kortrijk (1e kant.), 10 december 2014, Jaarboek Kredietrecht, 2014, p. 83).

    Het is van essentieel belang dat de kredietgever het bewijs bewaart van het kredietwaardigheidsonderzoek dat hij dient te voeren in overeenstemming met artikel VII.77, § 1, lid 4: Hij legt hiertoe in hoofde van iedere consument en, desgevallend, van de steller van een persoonlijke zekerheid, een kredietdossier aan waarin de informatie waarop de kredietwaardigheid is gebaseerd wordt vastgelegd, gedocumenteerd en bijgehouden.

     

     

     

     

    Raadpleging van de Centrale voor kredieten aan particulieren

    Artikel VII.133, § 3 legt aan de kredietgevers de verplichting op om de Centrale voor Kredieten aan Particulieren (CKP) te raadplegen voordat enig krediet wordt toegestaan. Deze raadpleging is noodzakelijk voor de consument, alsook voor de borg. De bepaling geeft de Koning de bevoegdheid om te bepalen hoe de kredietgever moet bewijzen dat hij zijn raadplegingsverplichting is nagekomen. Dit bewijs is essentieel vermits de verbintenis van de kredietgever een resultaatsverbintenis is.

    Vóór de goedkeuring van deze tekst was de rechtspraak verdeeld inzake de bewijskracht van de inlichtingen verkregen door de kredietgevers tijdens de raadpleging. De datum van de raadpleging diende vermeld te zijn in de overeenkomst, overeenkomstig artikel 14, § 2, 10° van de WCK. De omzetting van richtlijn 2008/48/EG heeft tot gevolg gehad dat deze vermelding verdween. De memorie van toelichting (Parl. St., Kamer, Zitting 52, 2468/001, p. 3) verduidelijkt als volgt: het tweede lid vervangt in feite artikel 14, § 2, 10°WCK en moet aan de bevoegde rechtbanken en de bevoegde ambtenaren toelaten om na te gaan of de kredietgever wel degelijk de Centrale voor Kredieten aan Particulieren heeft geraadpleegd, en, zo ja, wanneer en voor welke personen.

    Het koninklijk besluit van 21 juni 2011 voorziet in artikel 15: De kredietgever bewaart gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst, en tenminste gedurende drie jaar, op papier of een andere duurzame drager, het bericht van raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren, met opgave van, op zijn minst, de unieke identificatiecode, het ogenblik van raadpleging en identiteitsgegevens van de persoon op wiens naam werd geraadpleegd. De controverses inzake de ontvankelijkheid van de unieke identificatiecode zijn dus beëindigd.

    Het koninklijk besluit van 21 juni 2011 verduidelijkt in artikel 15: De kredietgever bewaart gedurende de looptijd van de kredietovereenkomst, en tenminste gedurende drie jaar, op papier of een andere duurzame drager, het bericht van raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren, met opgave van, op zijn minst, de unieke identificatiecode, het ogenblik van raadpleging en identiteitsgegevens van de persoon op wiens naam werd geraadpleegd..

    De kredietgever bewaart niet alleen de Request ID van de raadpleging maar ook alle informatie die wordt meegedeeld door de Centrale. Hij tekent deze op in het kredietdossier.

    De kredietgever raadpleegt tijdig de Centrale, voordat hij een overeenkomst aanbiedt aan de consument, om de consument in voorkomend geval te spreken over het resultaat van de raadpleging.

    De kredietgever moet niet beschikken over een kredietaanvraag in de zin van artikel VII.126, § 2 om een raadpleging te verrichten van de Centrale met het oog op de verlening van een krediet. Hij moet echter kunnen aantonen dat er daadwerkelijk een krediet werd aangevraagd door de consument bij gebreke waarvan de raadpleging zou kunnen gekwalificeerd worden als commerciële prospectie in de zin van artikel VII.153, §2 WER.

    Wanneer de kredietgever de raadpleging verricht na ontvangst van een kredietaanvraag in de zin van artikel VII.126, § 2 WER en hij een verschil vaststelt tussen het antwoord van de Centrale en de door de consument meegedeelde informatie, ondervraagt hij de consument over deze verschillen.

    In alle gevallen moet de raadpleging gebeuren voordat een overeenkomst ter ondertekening wordt voorgelegd aan de consument en binnen de 20 dagen voorafgaand aan de sluiting van de overeenkomst.

    De vrederechter van Doornik heeft een kredietgever veroordeeld tot de terbeschikkingstelling van het bedrag van het krediet aan de consument, omdat de kredietgever na de ondertekening van de kredietovereenkomst had vastgesteld dat hij een fout had begaan bij de raadpleging van de Centrale. In zijn vonnis wees de rechter erop dat de raadpleging van de Centrale slechts mag plaatsvinden na controle van de identiteit van de consument. Die uitspraak moet evenwel genuanceerd worden. De administratie aanvaardt dat de raadpleging kan gebeuren op basis van de verklaringen van de consument (voor de controle van diens identiteit), maar de kredietwaardigheidsbeoordeling moet, of veronderstelt in ieder geval, de raadpleging van de Centrale op basis van het rijksregisternummer dat middels de identiteitskaart wordt gecontroleerd.

     

     

     

     

    Kredietwaardigheidsbeoordeling door de bemiddelaar

    Ook kredietbemiddelaars hebben de plicht om de kredietwaardigheid van de consument te beoordelen Deze beoordeling moet gebeuren voordat de bemiddelaar een kredietaanvraag stuurt naar een kredietnemer. De bemiddelaar mag geen kredietaanvraag sturen naar de kredietnemer indien hij, op basis van de informatie die hij heeft verzameld tijdens het onderzoek van de financiële situatie van de consument, moet kunnen inschatten dat de consument duidelijk niet in staat zal zijn om de verbintenissen voortvloeiend uit de kredietovereenkomst na te komen. Een bemiddelaar mag niet systematisch alle kredietaanvragen die hij ontvangt, doorsturen naar de kredietnemer. Hij moet een eerste beoordeling uitvoeren.

    Ook wanneer de kredietgever een deel van het beoordelingsproces delegeert aan de bemiddelaar, bijvoorbeeld het onderzoek van de financiële situatie, blijft hij volledig verantwoordelijk voor de goede uitvoering van het geheel van de beoordeling. Wanneer hij een beroep doet op een bemiddelaar, moet de kredietgever toezien op de kwaliteit van het door de bemiddelaar geleverde werk: hij moet procedures uitwerken die bedoeld zijn om zeker te stellen dat de bemiddelaars de taken die hen door de kredietgever worden toevertrouwd, stipt en correct uitvoeren. De kredietbemiddelaar is, evenals de kredietgever, verantwoordelijk voor de daden die hij tijdens de bemiddeling stelt.

     

     

     

     

    Welk ogenblik moet in aanmerking worden genomen om te beoordelen of de kredietgever de kredietwaardigheidsbeoordeling correct heeft uitgevoerd?

     

     

    Op het moment van de toekenning van het krediet

    De kredietwaardigheidsbeoordeling moet worden uitgevoerd op het ogenblik van het afsluiten van de overeenkomst (Vred. Arendonk, 21 april 2008, Jaarboek Kredietrecht 2008, 63; Vred. Oudenaarde - Kruishoutem, 11 juli 2016, T. Vred. 2016, 569, noot STEENNOT R.). De latere verslechtering van de situatie van de consument is dus zonder gevolg voor de aansprakelijkheid van de kredietgever (Vred. Bergen, 7 januari 2014, Ius et Actores 2014, 139).  Het feit dat de consument het krediet niet heeft kunnen terugbetalen, vormt geen bewijs dat verzaakt werd aan de raadgevingsplicht, net zomin als het feit dat de overeenkomst gedurende lange tijd werd terugbetaald een bewijs vormt dat de raadgevingsplicht correct werd uitgevoerd (Vred. Arendonk, 21 april 2008, Jaarboek Kredietrecht 2008, 63).

    Dat betekent niet dat de kredietgever bij zijn beslissing geen rekening moet houden met de toekomst. Hij moet in tegendeel een voorspelling maken van de toekomstige inkomsten en lasten en beoordelen hoe deze waarschijnlijk zullen evolueren. Als de kredietinstelling tijdens de precontractuele onderhandelingen vaststelt (of niet kan negeren) dat de financiële situatie van de kredietnemer zeker of zeer waarschijnlijk zal verslechteren tijdens de uitvoering van de overeenkomst, moet zij hiermee uiteraard rekening houden bij de beoordeling van de wenselijkheid om het krediet toe te kennen en bij de uitoefening van haar raadgevingsplicht(Vred. Luik Liège (3e Kant.), 25 juli 2007, Jaarboek Kredietrecht 2007, 53, noot de PATOUL F.). Zij moet dus rekening houden met het bereiken van de pensioenleeftijd, met het wegvallen van de kinderbijslag omwille van de leeftijd van de kinderen, met het wegvallen van alimentatiegeld als dit voor een bepaalde duur is toegekend, met externe omstandigheden die gekend zijn op het ogenblik van de beslissing (bijv., aangekondigde sluiting van het bedrijf waar de consument werkzaam is), enz.  Het feit dat de terugbetaling van het krediet normaal is verlopen tot aan de echtscheiding van het koppel - een omstandigheid die de kredietgever niet kon voorzien en waarmee hij geen rekening dient te houden bij de toekenning van het krediet - toont volgens de vrederechter van Bergen aan dat de kredietwaardigheidsbeoordeling correct werd uitgevoerd (Vred. Bergen, 7 januari 2014, Ius et Actores 2014, 139).

     

     

     

    In geval van wijziging van de kredietovereenkomst

    Voor zover nodig, bepaalt artikel VII.77, §1, lid 5 dat elke wijziging van de kredietovereenkomst moet worden beschouwd als een nieuwe kredietovereenkomst voor wat betreft de kredietwaardigheidsbeoordeling. Deze bepaling is van toepassing in geval van verhoging van het bedrag van het krediet dat, gelet op de vormvoorschriften van de wet, een nieuwe kredietovereenkomst uitmaakt, die onderworpen is aan alle regels die van toepassing zijn bij het afsluiten van de kredietovereenkomst. Deze bepaling is ook van toepassing in geval de partijen overeenkomen om het bedrag van de kredietovereenkomst, bijvoorbeeld een kredietopening, te verminderen. Ze is niet van toepassing in geval van een gedeeltelijke vermindering van het bedrag van het krediet bedrag bij eenzijdige beslissing van de consument (gedeeltelijke vervroegde terugbetaling).

    De FOD Economie heeft geoordeeld dat het volgende beding onrechtsgeldig is: “de huidige overeenkomst vernietigt en vervangt de voorgaande overeenkomst voor een kredietopening tussen partijen. De nieuwe debetrente is van toepassing vanaf de dag volgend op het eerstvolgend rekeninguittreksel” gezien het de schuldvernieuwing van een overeenkomst voor kredietopening betreft met de wederopneming van uitstaand krediet.  Een nieuw aanbod of een nieuwe overeenkomst moet echter worden voorafgegaan door een uitdrukkelijke aanvraag vanwege de consument en moet zijn opgesteld overeenkomstig de wet (met name de informatie- en raadgevingsplicht).

     

     

     

    Onderzoek van de kredietwaardigheid in de loop van de uitvoering van de overeenkomst

    Artikel VII.77, §1, lid 6, WER, legt aan de kredietgever de verplichting op om de kredietwaardigheid van de consument voor kredietovereenkomsten van onbepaalde duur regelmatig te herbeoordelen. Deze herbeoordeling moet gebeuren op basis van een nieuwe raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren, uiterlijk op de eerste werkdag volgend op de verjaardag van het sluiten van de kredietovereenkomst.

    Het betreft een vrij summiere controle aangezien deze zich beperkt tot het bevragen van de Centrale. Deze raadpleging moet evenwel beoordeeld worden met dezelfde nauwkeurigheid als de oorspronkelijke beslissing. De verschijning van nieuwe kredieten en in bijzonder van kredietopeningen is dus een signaal dat kan wijzen op den verontrustende toename van de schuldenlast van de consument. Het resultaat van de raadpleging moet dus geanalyseerd worden in de lijn van de regels en procedures die worden vastgelegd door de kredietgever en moet geconfronteerd worden met de motivering van de initiële beslissing. Indien deze nieuwe beoordeling ertoe leidt te beschouwen dat de kredietwaardigheid van de consument negatief geëvolueerd is en geschokt is door de nieuwe kredieten, vereist de professionele zorgvuldigheid van de kredietgever (in de zin van art. VII.93, § 2, WER) dat hij nuttige maatregelen treft om de consument ertoe te brengen dat hij zijn niveau van overlast vermindert (bv. op basis van art.VII.98, §2 : Indien dit in de kredietovereenkomst is overeengekomen, kan de kredietgever op objectieve gronden, onder meer wanneer de kredietgever over inlichtingen beschikt waaruit hij kan afleiden dat de consument niet langer in staat zal zijn zijn verbintenissen na te komen, het recht van de consument om krediet op te nemen op grond van een kredietovereenkomst op te schorten)..

    De FOD Economie nodigt de kredietgevers uit om bijzondere aandacht te besteden aan de kredietopeningen van onbepaalde duur, d.i. de hoofdoorzaak van overmatige schuldenlast volgens de cijfers van de Centrale. Tijdens zijn jaarlijkse beoordeling wordt de aandacht van de normaal voorzichtige en zorgvuldige kredietgever getrokken wanneer hij vaststelt dat een nieuw krediet werd aangegaan door de consument en tegelijkertijd een betaling werd verricht waardoor de opening op nul werd gesteld.

    De FOD Economie heeft talloze malen vastgesteld dat, in geval van herfinanciering van kredieten, de geherfinancierde kredietopeningen niet werden afgesloten, omwille van administratieve fouten bij het overmaken en de behandeling van de aanvraag tot afsluiting, terwijl de herfinancierende kredietgever dit noodzakelijk had geacht bij zijn kredietwaardigheidsanalyse. Wanneer de herfinancierende kredietgever van oordeel is dat een krediet moet worden afgesloten om het nieuwe vooropgestelde krediet toe te kennen, zorgt hij ervoor dat deze stappen daadwerkelijk ondernomen worden en bewaart hij het bewijs van hetgeen hij ondernomen heeft. 

    De geherfinancierde kredietgever onthoudt zich ervan de consument te ondervragen over zijn werkelijke wil om een kredietopening af te sluiten wanneer hij een schrijven ontvangt waarin uitdrukkelijk wordt verzocht om het krediet af te sluiten.

     

     

     

    Kredietwaardigheidsbeoordeling en negatieve indicatoren

     

    Registratie van een wanbetaling in de Centrale voor Kredieten

    De registratie van een wanbetaling in de CKP is de vermelding dat de consument kampt met betalingsmoeilijkheden. Indien hij dit negatief signaal negeert, moet de kredietgever in het kredietdossier een aanvullende motivering opnemen die zijn beslissing verantwoordt (art. VII.77, §2, 2de lid). De motivering zal moeten aantonen dat de negatieve registratie geen verband houdt meet een probleem van kredietwaardigheid van de consument of dat het probleem van kredietwaardigheid een einde heeft genomen en dat de consument opnieuw in staat is om zijn verplichtingen na te komen.

    Zodra de kredietgever in de Centrale vaststelt dat een consumentenkrediet en/of een hypothecair krediet met een roerende bestemming negatief geregistreerd werd voor een bedrag van meer dan 1.000 euro, mag hij geen nieuw krediet verstrekken zolang dat achterstallige bedrag niet werd terugbetaald (verwijzing : commentaar bij art. VII.77, §2). 1

    Artikel VII.77, § 2, lid 2, is niet van toepassing op kredietovereenkomsten van minder dan € 200 of op kredietovereenkomsten die door een werkgever aan zijn werknemers worden verstrekt (VII.3, § 4, 1 °).

     

     

     

    Een sterk negatief signaal: hergroepering van schulden

    verwijzing: zie de commentaar betreffende dit onderwerp

     

     

     

    Andere negatieve signalen opgemerkt door de FOD Economie

    (Bron: Guidelines)

    De administratie heeft gewezen op verschillende alarmindicatoren die een grotere voorzichtigheid gebieden bij de kredietwaardigheidsbeoordeling, onder meer:

     

     

    Verplichting tot weigering van het krediet aan de consument die zijn verplichtingen voortvloeiend uit de kredietovereenkomst niet zal kunnen nakomen

    verwijzing

     

     

    Burgerlijke sanctie

    Het toekennen van een krediet aan een consument die niet in staat is om terug te betalen, wordt gesanctioneerd door artikel VII.201: De rechter kan de consument ontslaan van het geheel of van een gedeelte van de nalatigheidsintresten en zijn verplichtingen verminderen tot de prijs bij contante betaling van het goed of de dienst of tot het ontleende bedrag. De consument behoudt het voordeel van de betaling in termijnen. Artikel VII.201 bepaalt verder dat de consument het recht heeft om een schadevergoeding te eisen overeenkomstig het gemeen recht wat, naast het bewijs van de fout (die reeds geleverd is als artikel VII.201 wordt toegepast), impliceert dat het geleden nadeel en het oorzakelijk verband worden aangetoond.

     

     

     

    Voorbeelden - Rechtspraak

    • Het gedrag van de bank ten aanzien van wanhopige debiteuren lijkt te hebben bijgedragen aan de verstikkingvan hun financiële situatie door, ondanks het verklaarde doel van de "liquiditeitslening", de liquiditeit onmiddellijk tot een minimum te beperken (3.059,28 euro of 3.338,08 euro) voor een totale kredietkost van 17.172 euro, waardoor het totale terug te betalen bedrag op 47.172 euro komt (Burgers van Henegouwen (Bergen 3de hoofdstuk), 23 mei 2018, J.L.M.B. 2019/18, 861).

    • Voldoet niet aan zijn plicht om voldoende informatie in te winnen, de kredietgever die genoegen neemt met een kopie van een waarschuwing uit 2010 om in 2012 een krediet toe te kennen en die in 2013 een nieuw krediet toekent zonder op dat ogenblik de financiële situatie van de consument te controleren (behalve de raadpleging van de CKP) (Vred. Oudenaarde - Kruishoutem, 11 juli 2016, T. Vred. 2016, 569, noot STEENNOT R.)

    • In een vonnis van 25 januari 2015 oordeelt de vrederechter van Arendonk als volgt: Van bij de aanvang in 2005 en alleszins bij het toestaan van alle daarop volgende leningen en kredieten heeft eiseres als professionele kredietverstrekker haar zorgvuldigheidsplicht niet nagekomen. Het beperkte inkomen van verweerster liet misschien wel toe haar een beperkte lening op afbetaling toe te staan voor de aankoop van meubelen of voor andere privé doeleinden. Het krediet met een visakaart was daartoe niet het geschikte krediettype. Eiseres heeft de Visa-kredietopening ook steeds laten bestaan, meer nog zij heeft in de loop van de rit  ook nog een krediet met Mastercard toegestaan. Eiseres heeft verweerster in een schuldenpositiegebracht. Eiseres heeft de verplichting van art. 15 WCK niet nageleefd.(Vred. Arendonk, 27 januari 2015, T. Vred. 2015, 462 met noot ENGLEBERT M. "la responsabilité du prêteur dans l'octroi du crédit).
    • Verzaakt aan zijn raadgevingsplicht en zijn plicht om een kredietwaardigheidsbeoordeling uit te voeren, de kredietgever  die een krediet toekent "ten behoeve van het gezin" zonder andere controle dan de raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren, terwijl de consument geen andere bestaansmiddelen  heeft dan een ziekenfondsuitkering, hij in een woonwagen leeft en zijn financiële situatie geen andere optie overliet dan een aanvraag voor collectieve schuldenregeling in te dienen. (Vred. Florennes, 27 juni 2016, T. Vred. 2016, 518).
    • De kredietgever mag ervan uitgaan dat de consument in staat zal zijn om de verplichtingen voortvloeiend uit de kredietovereenkomst die voorziet in maandaflossingen van € 426,43 wanneer (1) de inkomsten € 3.661,81 bedragen, (2) de huur € 600 bedraagt en (3) de raadpleging van de Centrale het bestaan van twee leningen op afbetaling aan het licht brengt voor een maandelijks bedrag van € 333,35 EUR en twee kredietopeningen van respectievelijk € 1.000 en € 2.000.(Vred. Kortrijk (1e kant.), 14 januari 2015, Jaarboek Kredietrecht 2015, 18).
    • Begaat een fout, de kredietgever die een krediet toekent van bijna € 50.000 terugbetaalbaar in 56 maandaflossingen van € 1.165, wat meer dan de helft is van de netto gecumuleerde maandinkomsten van de kredietnemers, een gepensioneerd koppel van 70 en 75 jaar (vermindering tot het ontleende bedrag - Vred. Doornik, 10 maart 2015, J.L.M.B. 2016, 521)      
    • Begaat een fout, de kredietgever die een krediet toekent aan een moeder, terwijl hij weet at de lening bestemd is voor haar zoon die in faling is gegaan en aan wie reeds een krediet werd geweigerd (Vred. Antwerpen (8ste kanton), 18 juni 2013, T. Vred. 2015, 423, noot STEENNOT R.).
    • Begaat een fout, de kredietgever die een krediet toekent, bestemd om een ander krediet terug te betalen, terwijl uit het dossier blijkt dat meerdere termijnen van dat eerste krediet niet werden afgelost (Vred. Arendonk, 12 oktober 2010, T. Vred.  2013, 650, noot de Patoul F.; NjW 2011, 343 noot STEENNOT, R.).
    • Een kredietgever kan niet redelijkerwijs de toekenning van een eerste lening op afbetaling overwegen, terugbetaalbaar in maandaflossingen ten bedrage van € 313,48 en vervolgens van een tweede ten bedrage van €  147,43 aan een alleenstaande kredietnemer met een kind ten laste en een netto inkomen (met aftrek van de kinderbijslag) van € 1.655,72, die bovendien een hypothecaire lening lopen heeft van € 865, 72  per maand (Vred. Antwerpen (11e kant.), 8 december 2015, Jaarboek Kredietrecht 2015, 25).
    • Een maandelijkse betaling van 320,05 euro overschrijdt de terugbetalingscapaciteit van leners van wie het maandelijks inkomen inclusief gezinsbijslag 1.075,10 euro bedraagt met een huur van 124 euro naast het onderhoud van hun twee personen(Vred. Kortrijk, 26 mei 2009, Jaarboek Kredietrecht 2009, p. 56).
    • Een kredietverstrekker kan redelijkerwijs inschatten dat twee lenerskandidaten aan hun verplichtingen zullen kunnen voldoen als ze op maandelijkse basis 1.500 euro ontvangen, 50 € terugbetalen voor een kredietopening en 259,90 voor een lening op afbetaling en als, na aftrek van de maandelijkse betaling van de gevraagde lening houden ze 1.000 euro per maand om zonder huur te leven, omdat ze bij hun zoon wonen (Vred. Gent, 25 juni 2009, Jaarboek Kredietrecht 2009, 45).
    • begaat een fout, de kredietgever die een krediet verstrekt op basis van en ongeverifieerde verklaring van de consument dat hij € 3.000 per maand verdient, terwijl de kredietgever moest weten dat de consument geen zelfstandige activiteit had en dat de lening zou worden gebruikt om een ​​andere lening terug te betalen (Vred. Diksmuide, 8 januari 2007, Jaarboek Kredietrecht 2007, 39).
    • De kredietgever mag geen krediet toekennen wanneer uit de voorgelegde stukken blijkt dat na betaling van de lasten, het gezinsbudget niet toelaat dat een bedrag van meer dan 5,14 euro kan worden vrijgemaakt (Vred. Kortrijk, 4 oktober 2005, Jaarboek Kredietrecht, 2005, 39).
    • De kredietgever mag geen krediet toekennen wanneer de verklaringen van de consument worden tegengesproken door het rekeninguittreksel (Vred. Antwerpen, 18 november 2004, Jaarboek Kredietrecht, 2004, 3).
    • Indien het aangevraagde krediet meer bepaald tot doel heeft voordien toegekende kredieten terug te betalen, leven kredietgevers en kredietbemiddelaars hun onderzoeksplicht niet na, wanneer ze het krediet toestaan zonder zich te bekommeren over de rechtmatigheid van de gevraagde kredieten en bedragen die aan de kredietgevers moeten worden terugbetaald aan voorwaarden die objectief en op aanzienlijke wijze de schuldenlast van de kredietnemers verzwaren. Dat, terwijl ze in het kader van de kredietovereenkomsten die ze gewoonlijk aanbieden, het type en kredietbedrag moeten kiezen die het best zijn aangepast, rekening houdend met de financiële toestand van de kredietnemers op het tijdstip waarop de overeenkomst wordt gesloten (Vred. Grâce-Hollogne, 24 februari 2004, Jaarboek Kredietrecht 2004, 13).
    • De kredietgever heeft zijn plicht zich te informeren en de solvabiliteit van de kredietnemer na te gaan, niet nageleefd wanneer uit de stukken, die hij zelf tijdens de debatten heeft voorgelegd, blijkt dat: de raadpleging van de gegevensbank van de Beroepsvereniging van het Krediet BVK niet is aangetoond, de aanvraagformulieren voor inlichtingen en in het bijzonder de rubrieken “maandelijkse lasten”, “onroerend goed”, “budgettaire analyse”, “beoordeling van de interviewer” of “maandelijkse inkomsten” niet zijn ingevuld, het doel van de aangevraagde lening een voordien bij dezelfde kredietgever toegestaan krediet terug te betalen was, de kredietgever reeds vijf kredieten aan de kredietnemer had toegekend in een periode van zeven jaar en telkens met een hogere maandelijkse afbetaling (...) ( Vred. Ronse, 27 juli 2004, Jaarboek Kredietrecht 2004, 18).
    • De kredietgever mag geen krediet toekennen als hij niet over een krediet beschikt, dat beantwoordt aan de vraag van de consument: Zie Vred. Westerlo, 14 maart 1997, T. Vred., 1998, p. 553. De rechter stelt op basis van artikel 11 vast dat de kredietgever verplicht was om het krediet te weigeren. D. BLOMMAERT, “De aansprakelijkheid van de kredietinstelling-kredietverlener: recente trends”, op.cit., p. 693. zie ook B.DE CONINCK, L’obligation d’information du consument dans la formation du contrat, op.cit,. p. 268.
    • De kredietgever is niet verplicht het krediet aan de beste marktvoorwaarden toe te kennen (E. BALATE, F. de PATOUL en P. DEJEMEPPE, Le crédit à la consommation, op.cit., p 58, nr. 199; Vred. Ronse, 26 september 2000, D.C.C.R., 2001, nr. 52, p. 283; R.W., 2002-2003, 1151; Vred. Gent (4e kanton), 23 juni 2000, Jaarboek Kredietrecht, 2000, p. 64 en noot J.VAN LYSEBETTENS; Vred. Gent, 9 mei 2001, Jaarboek Kredietrecht, 2001, p. 150; Contra: Vred. St Niklaas, 17 april 2002, Jaarboek Kredietrecht, 2002, p. 133 die van oordeel is dat de kredietgever die een krediet toekent aan een JKP dat 3 à 4% hoger is dan het percentage dat van toepassing is op de markt, tekort komt aan zijn raadgevingsverplichting; Vred. Kortrijk (II), 29 juni 2004, Jaarboek Kredietrecht 2004, 55).
    • Ontheffing van de plicht zich te informeren voor de kredietbemiddelaar: neen Vred. Westerlo, 14 maart 1997, T. Vred., 1998, p. 553; F. DOMONT-NAERT, "L’incidence de l’intervention de l’intermédiaire de crédit sur la responsabilité du prêteur", noot onder Vred. Sint-Niklaas, 20 februari 1997, D.C.C.R., 1997, p. 157.
    • Komt zijn raadgevingsplicht niet na, de kredietbemiddelaar die niet kan aantonen op welke manier de terugbetaling van een vorig krediet door een nieuw, duurder krediet wenselijk is, gelet op de financiële situatie van de consument (Vred. Sint-Niklaas, 13 augustus 1999, Jaarboek Kredietrecht, 1999, 122).