www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.106 : Verschuldigde bedragen bij wanbetaling

    Artikel VII.106

     

     

     

    VII.106, § 6 : De algemene regel

     

    Principe

    Art.VII.106, § 6, verbiedt en beschouwt als niet geschreven, elk beding dat straffen of schadevergoedingen oplegt waarin de wet niet voorziet. De tekst van deze bepaling is afkomstig van de wetswijziging van 7 januari 2001 (wet «Santkin») die artikel 27bis invoegde waarin op beperkende wijze de bedragen worden opgesomd die van de in gebreke blijvende consument mogen worden gevraagd. Zo is elk beding dat de consument een schadevergoeding ten laste legt, die niet is voorzien, nietig krachtens artikel VII.106. Wanneer de rechter een dergelijk beding vaststelt, moet hij dat nietig verklaren. Hij beschikt in dit opzicht over geen enkele beoordelingsbevoegdheid. Het feit dat hij aan de consument geen andere schadevergoedingen vraagt dan die voorzien in artikel VII.106, geeft de kredietgever nog niet de garantie dat deze niet zullen worden verminderd. De rechter behoudt een matigingsbevoegdheid. Immers, indien de rechter krachtens artikel VII.199, tweede lid oordeelt dat de overeengekomen of toegepaste straffen of schadevergoedingen, onder meer in de vorm van strafbedingen, bij niet-uitvoering van de overeenkomst, overdreven of onverantwoord zijn, kan hij deze ambtshalve verminderen of de consument er geheel van ontslaan.

     

     

    Artikel VII.106, § 6, / artikel VII.199, al.1

    Artikel VII.106, § 6, is er enkel op gericht de contractuele bedingen te bestraffen, die de beperkende lijst van artikel VII.106, § 1 niet naleven. Bij gebrek aan een contractueel beding valt de praktijk die erin bestaat dat de kredietgever een vergoeding vraagt die niet is opgenomen in de beperkende lijst van artikel 27bis binnen het toepassingsgebied van artikel 90, eerste lid, eveneens gewijzigd door de wet van 7 januari 2001 (R. STEENNOT, « Overzicht van rechtspraak. Consumentenbescherming (1998-2002) », T.P.R., 2004, p. 1951; S. STIJNS, E. SWANEPOEL, « Onrechtmatige bedingen », in Handboek consumentenkrediet, uitg. Terryn, Die Keure, 2007, p. 197).

    Krachtens deze bepaling wordt, wanneer van de consument straffen of schadevergoedingen worden gevraagd waarin deze wet niet voorziet, deze laatste van rechtswege daarvan volledig ontslagen. Volgens de parlementaire voorbereiding, voorziet artikel 90, eerste lid « in een onmiddellijke burgerlijke sanctie in alle gevallen waarin straffen of schadevergoedingen geëist worden die niet in overeenstemming zijn met wat de wet bepaalt. Die bepaling mag niet verward worden met artikel 28 dat enkel van toepassing is op contractuele bedingen. Niet zelden kunnen eisen tot schadevergoeding worden geformuleerd die niet steunen op dergelijke bedingen. De invoering van een echte burgerlijke sanctie moet hier ontradend werken. Dit artikel is dus de logische aanvulling van artikel 28. Het kan immers niet dat de kredietgever zich verschuilt achter zogenaamde « berekeningsfouten » die de consument zeer moeilijk kan achterhalen en betwisten, om straffen op te leggen. Deze sanctie is van toepassing op alle geëiste straffen of schadevergoedingen die niet in overeenstemming zijn met de wet» (Parl. St., Senaat, sess. 1999/2000, S. 2-223/1).

     

     

    Voorbeelden - advies van de administratie

    • Een beding dat bij voorbaat de nalatigheidsintrest vastlegt die van toepassing is op alle overeenkomsten en dat stipuleert «onverminderd de toepassing van artikel 28 [VII.106, § 6] van de wet» is onrechtmatig.
    • Een beding dat bij voorbaat de gerechtskosten ten laste legt van de consument in geval van verval van de termijnbepaling is onrechtmatig. De tenlastelegging van de gerechtskosten is afhankelijk van het vonnis. Het door de administratie voorgestelde beding inzake gerechtskosten is het volgende: «De partijen komen overeen dat de gerechtskosten veroorzaakt door de aanspanning van een rechtsgeding in geval van niet-uitvoering van de overeenkomst ten laste zijn van de in het ongelijk gestelde partij».
    • Is in strijd met artikel 28 WCK,[VII.106, § 6 WER] , het beding dat voorziet dat « A partir de la livraison, tout risque d’endommagement, de destruction ou de perte est à charge du consommateur.  Le consommateur est exclusivement responsable pour tout dommage résultant d’un vice des marchandises et garantit de preteur pour toute réclamation de tiers.  Le consommateur autorise par les présentes exclusivement le preteur de recevoir paiement, donner quittance de toutes sortes, qu’il pourrait recevoir d’une compagnie d’assurances, en raison de la perte ou d’un dommage au bien décrit à l’article 10 avant la transmission de la propriété en exécution d’une police responsabilité civile, incendie, vol ou dommage propre, assurance que le consommateur s’engage à conclure à concurrence d’un montant égal au montant du bien ».
    •  Het is in strijd met artikel VII.106 om van de consument bij wijze van inningskosten, kosten voor een hypotheekcontrole bij de hypotheekbewaarder te eisen, ook al zou de overeenkomst dit bepalen. 

     

     

    Verbod op niet uitdrukkelijke toegestaan straffen of schadevergoedingen

    In uitvoering van artikel VII.106 zijn de enige betalingen die aan de consument, bij ontbinding of verval van de termijnbepaling mogen, worden gevraagd bij ontbinding of verval van de termijnbepaling, de volgende:

    • het verschuldigd blijvende saldo;
    • het bedrag van de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet;
    • het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest berekend op het verschuldigd blijvend saldo;
    • de overeengekomen straffen of schadevergoedingen, voor zover ze worden berekend op het verschuldigd blijvende saldo en beperkt worden tot de in het artikel bepaalde maximumbedragen.

    Deze bepaling is van toepassing zowel wat bij de toepassing van een uitdrukkelijk ontbindend beding als wanneer de ontbinding wordt uitgesproken op grond van een tekortkoming van de consument, terwijl in een beding de schadevergoeding in dergelijke gevallen forfaitair was vastgelegd. De kosten dekken echter niet de kosten die de rechter in zijn vonnis moet aanrekenen op verzoek van de kredietgever en de kosten die wettelijk ten laste van de consument mogen worden gelegd bij een gedwongen tenuitvoerlegging.

     

     

    Bepalingen met straffen die niet zijn toegestaan op grond van artikel VII.106

    Artikel VII.106, § 6 bepaalt dat elk beding verboden is en als niet geschreven wordt beschouwd dat, ingeval de consument zijn verbintenissen niet uitvoert, straffen of schadevergoedingen oplegt waarin de wet niet voorziet. Deze bepaling is slechts van toepassing voor zover een beding in de wet is voorzien. Indien dat het geval is en de kredietgever er de toepassing van vraagt, moet de rechter er de nietigheid van uitspreken. Indien echter de overeengekomen sancties lager zijn dan de wettelijk toegestane maxima, zou de kredietgever de toepassing van de wet niet mogen verkiezen boven de contractuele (Vred. Oudenaarde – Kruishoutem, 10 juli 2003, Jaarboek Kredietrecht 2003, 121).

     

     

     

    Andere niet-contractuele straffen

    Indien een kredietgever straf vordert waarin de wet niet voorziet bijvoorbeeld op basis van het gemeen recht, moet de rechter artikel VII.199, lid 1, toepassen.

     

     

    Beoordeling van het niet-overdreven noch onverantwoorde karakter van de toegelaten sancties

    Het feit dat de contractuele schadebedingen op alle punten beantwoorden aan de vereisten van art. VII.106, betekent niet dat de rechter zijn discretionaire macht verliest. Integendeel, art. VII.199 lid 2, kent de rechter, zelfs in zo’n geval een appreciatiebevoegdheid toe : als hij van oordeel is dat de overeengekomen of toegepaste strafbedingen of schadebedingen, voornamelijk in de vorm van een schadebeding bij de niet uitvoering van de overeenkomst, excessief of ongerechtvaardigd zijn, kan hij van ambtswege dezen herleiden of volledig onttrekken van de consument.

    Het betreft hier zowel de laattijdigheidsinteresten (Vred. Verviers 1 - Herve, 2 mei 2011, Jaarboek Kredietrecht 2011, p. 60; Vred. Luik (3e Cant.), 7 november 2011, Jaarboek Kredietrecht 2011, 61) als de schadebedingen. Het excessief of ongeoorloofd karakter wordt niet alleen beoordeeld ten aanzien van het effectief door de kredietgever geleden nadeel maar ook ten opzichte van de buiten de partijen liggende omstandigheden en ten opzichte van de contractuele relatie zoals de ongelukkige situatie van de consulent die te goeder trouw is.

     

    Strafrechtelijke sanctie

    In de WCK, artikel 101, 9° bepaalde een strafrechtelijke sanctie voor wie een betaling of vergoeding vordert buiten de gevallen waarin de wet voorziet. Deze sanctie werd niet hernomen bij de omzetting in het WER. Enkel de strafrechtelijke sanctie (niveau 5) die voorzien wordt bij de niet teruggave van de door art. VII.106, §4 bedoelde documenten, werd behouden (XV.90, 14°).

     

     

     

    Voorbeelden - Rechtspraak

    • De rechter beschikt over een beoordelingsbevoegdheid zelfs als de straffen zijn berekend overeenkomstig de bepalingen in de wet (Vred. Mol, 28 juni 2005, Jaarboek Kredietrecht 2005, 67).

    • Een straf is overdreven wanneer ze niet in verhouding staat tot de overtreding of de geleden schade. Ze is onverantwoord wanneer de kredietnemer financiële moeilijkheden heeft als gevolg van omstandigheden buiten zijn wil om (Antwerpen, 27 november 2006, Jaarboek Kredietrecht 2006, 112)

     

     

     

    De residuele toepassing van Boek – Strafbedingen en wederkerigheid

     

     Artikel VI.83, 17° en de gereglementeerde kredieten

    Artikel VI.83, 17°, verbiedt het beding dat tot doel heeft « het bedrag vast te leggen van de vergoeding verschuldigd door de consument die zijn verplichtingen niet nakomt, zonder in een gelijkwaardige vergoeding te voorzien ten laste van de onderneming die in gebreke blijft ».

    De toepassing van dit artikel is vaak problematisch gezien de verplichtingen die ten laste van de professioneel worden gelegd, doorgaans sterk verschillend zijn met degenen die door de consument worden gedragen. Voorzien in analoge strafbedingen in hoofde van de ene of de andere kan dus moeilijkheden met zich meebrengen. Het principe is niettemin dat de algemene bepalingen van Boek VI (zoals die van het burgerlijk wetboek), van toepassing zijn in het consumentenkrediet in zoverre zij niet incompatibel zijn met de specifieke bepalingen van het bijzonder regime waaraan de kredieten onderworpen zijn.

    Deze moeilijkheden zijn echter niet noodzakelijkerwijze belangrijker in het kader van een gereglementeerd krediet dan in het kader van een andere overeenkomst zoals een verkoop tussen een professioneel en een consument. De regel van de wederkerigheid is dus niet incompatibel met het regime van de gereglementeerde kredieten en met worden nageleefd in deze materie als in alle andere materies (zie bv. Vred. Dendermonde, 2 februari 2016, Ann. Jur. 2016, p.159; Vred. Wavre (2e kanton), 22 december 2015, J.J.P., 2016, p. 432-435; C. BIQUET-MATHIEU, « La loi du 12 juin 1991 et les clauses abusives en matière de crédit à la consommation », in La promotion des intérêts des consommateurs au sein d’une économie de marché, 1993, p. 16-17; R. STEENOT, « Consumentenkredietovereenkomsten. Ontbinding ingevolge wanprestatie van de consument », NjW, 2006, p. 58 ; S. STIJNS, E. SWANEPOEL, « Onrechtmatige bedingen », in Handboek consumentenkrediet, ed. Terryn, Die Keure, 2007, p. 198). Zo zou een strafbeding kunnen voorzien worden in een lening op afbetaling, om de kredietgever te sanctioneren bij gebreke aan of bij een vertraging in de storting van het kredietbedrag of, in geval van een kredietopening, in geval van weigering of vertraging bij de ter beschikking stelling van het conventioneel beloofde krediet enz.

    Geoordeeld werd dat de wederkerigheid van de strafbedingen die vereist wordt door art. VI.83, 17° WER, betrekking moet hebben op de karakteristieke eigenschappen van de kredietgever gedurende de gehele uitvoering van de overeenkomst: de informatieplicht, de terbeschikkingstelling van het kredietbedrag, volgen in geval van uitoefening van het herroepingsrecht of bij uitoefening van het recht op vervroegde terugbetaling, verwerking van persoonlijke gegevens, … Het volstaat niet dat de kredietgever een strafbeding voorziet voor het geval dat het krediet zou ontbonden worden wegens een fout of nalatigheid van de verhuurder. Opdat er voldaan zou zijn aan de voorwaarde van wederkerigheid, is het bovendien nodig dat het strafbeding ten laste van de kredietgever van dezelfde orde is als die ten laste van de consument. Dit is niet het geval wanneer het strafbeding ten laste van de kredietgever enkel voorziet in de debet van slechts een contractuele debet interest hoewel de strafbedingen ten laste van de consument een verhoogde interestvoet en een forfaitaire verhoging van het verschuldigd saldo voorzien (Vred. Waver, 2e kanton), 22 december 2015, J.J.P., 2016, p. 432-435).

    Wanneer hij vaststelt dat er geen wederkerigheid is, dient de rechter de nietigheid uit te spreken en moet hij dit van ambtswege opwerken, in overeenstemming met de arresten van het HvJ (Vred. Dendermonde, 2 februari 2016, Ann. Jur. 2016, p.159).

    Mag de rechter een onrechtmatig beding vervangen door een bepaling van het aanvullend recht? Als men het ontradend doel van de sanctie op de onrechtmatige bedingen in overweging neemt (zoals het HvJ ons eraan herinnerd), lijkt het op heden duidelijk dat de nationale rechter die een onrechtmatig beding nietig verklaart het aanvullend recht moet afwijzen. Er kan echter van deze regel worden afgeweken, wanneer de niet toepassing van het aanvullend nationaal recht ertoe leidt dat de consument in een minder gunstige situatie wordt geplaatst dan waarin hij zich zou bevinden ten gevolge van de vernietiging van het onrechtmatig beding (DELFORGE C. en BIQUET-MATHIEU C., « La théorie des clauses abusives », in « Clauses abusives et pratiques réglementées », Crédit aux consommateurs et aux P.M.E., CUP, Larcier, 2016, vol.170, p. 292 cit. PEERAER F., «Het volledig verbod op herziening van onrechtmatige bedingen : de botte bijl van het Hof van Justitie», R.G.D.C., 2014, pp. 328-329 ; GEIREGAT S., «Verfijning van transparantievereiste en duiding van de rol van aanvullend nationaal recht in het EU-recht inzake oneerlijk bedingen », R.G.D.C., 2015, p. 162).

     

     

    Artikel VI.83, 24° en de gereglementeerde kredieten

    Art. VI.83, 24, verbiedt het beding dat als voorwerp heeft om "schadevergoedingsbedragen vast te stellen die duidelijk niet evenredig zijn aan het nadeel dat door de onderneming kan worden geleden». De vergoedende aard wordt beoordeeld op het tijdstip van het sluiten van de overeenkomst. De artikelen VII.106 en VII.147/22 wijken af van de dubbele titel van deze regel : enerzijds bepalen zij de toegelaten strafbedingen die de facto het vergoedend karakter ervan erkennen en anderzijds laten de art. VII.199 en VII.213, lid 2, het de rechter toe om de gevolgen voor de consument van de niet uitvoering, hierbij de contractuele strafbedingen en vergoedingen te verzachten en dit zelfs wanneer de vergoedende aard ervan op het tijdstip van de opmaak van het contract niet betwistbaar zou zijn maar wanneer de toepassing ervan in het onderhavig geval excessief of ongerechtvaardigd lijkt te zijn.

     

     

    VII.106 § 1 de verschuldigde sommen in geval van de beëindiging of verval van een termijn.

    Het Wetboek bepaalt duidelijk de bedragen die van de consument kunnen gevorderd worden. Zij worden hierna becommentarieerd.

     

     

    Het verschuldigd blijvende saldo

    Volgens artikel 1.9, 63°, is het verschuldigd blijvende saldo het bedrag in hoofdsom dat moet worden gestort om het kapitaal af te lossen of terug te betalen. Volgens artikel 1.9, 60° is het kapitaal:

    (1) de schuld in hoofdsom die het voorwerp uitmaakt van de kredietovereenkomst.
    (2) Voor de geoorloofde debetstanden op een rekening en de overschrijdingen zonder regeling voor gespreide terugbetaling van de hoofdsom : het door de consument opgenomen bedrag, vermeerderd met de vervallen debetintresten en, in het geval van eenvoudige betalingsachterstand zoals bedoeld in artikel VII.106, § 2, vervallen nalatigheidsinteresten op het bedrag van de overschrijding;

    In de hiervoor aangehaalde veronderstelling (1) mag de kredietgever als verschuldigd blijvend saldo enkel het kapitaal in de strikte zin vorderen. Artikel VII.106 verbiedt dus de voordien toegepaste praktijk van bepaalde kredietgevers om als vergoeding alle te vervallen maandelijkse betalingen te eisen.

     

     

     

     

    Het bedrag van de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet

    De wet machtigt de kredietgever de vervallen en niet-betaalde totale kosten te vorderen. Artikel I.9, 41°, definieert de totale kosten van het krediet voor de consument als alle kosten die de consument moet betalen in verband met de kredietovereenkomst en die de kredietgever bekend zijn, met uitzondering van de notariskosten. Het gaat dus om het deel van de totale kosten van het krediet dat is begrepen in de onbetaalde termijnbedragen. Elke termijnbedrag moet dus worden bekeken om er het deel van af te trekken dat overeenkomt met de onbetaalde totale kosten. Het saldo, meer bepaald het deel in kapitaal, maakt deel uit van het verschuldigd blijvende saldo. Deze bepaling verbiedt dus kredietkosten te vorderen die zijn begrepen in de nog te vervallen maandelijkse betalingen op het ogenblik van de opzegging.

     

     

     

    Het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest

    Een nalatigheidsintrest is slechts verschuldigd in zoverre het verschuldigd zijn van nalatigheidsintresten contractueel is bepaald in geval van ontbinding van de kredietovereenkomst. Zo niet is, in principe, geen interest kan berekend worden.Bij gebreke van een beding waarin de nalatigheidsinteresten of de rentevoet daarvan worden vermeld, is er geen rente overeengekomen en verbiedt artikel VII106 uitdrukkelijk een andere dan de in de bepaling genoemde boete. Er moet derhalve van worden uitgegaan dat artikel VII.106 afwijkt van artikel 1153 (in deze zin, met betrekking tot artikel 27Bis WCK, BIQUET MATHIEU C. et St. DENGIS, La loi du 7 janvier 2001 réglant les conséquences financières du défaut de paiement et la dénonciation du crédit à la consommation, in J.J.P. 2002, p.5);STEENNOT R. et al., "Overzicht van rechtspraak consumenten bescherming (2005-2014)", T.P.R. 2015 - 3/4, n°465, p. 1773).

    Sommige beslissingen passen echter het gemene recht toe en dus het wettelijke tarief vanaf de datum van de ingebrekestelling (zie bijvoorbeeld Vred. Verviers-Herve, 7 juni 2011, Jaarboek Kredietrecht, 2011, p. 45, dat de wettelijke rentevoet toepast zolang deze niet hoger is dan de laatste debetrentevoet plus 10%). Artikel 1153 zal soms gelijktijdig van toepassing zijn met de contractuele clausule, bijvoorbeeld als deze laatste alleen de rentevoet voor betalingsachterstand regelt zonder dat er sprake is van vrijstelling van ingebrekestelling. In dit geval begint de vertragingsrente te lopen na de ingebrekestelling door de schuldeiser.

     

    De geldigheidsvoorwaarden van de bepaling van de conventionele nalatigheidsintrestvoet

    De wetgever komt tussen om de nalatigheidsinteresten op verschillende punten in te perken:

    • geen enkele andere interest mag worden gevorderd dan die bepaald in artikel VII.106
    • de interest mag enkel worden berekend op het verschuldigd blijvende saldo, meer bepaald op het kapitaal dat de consument nog is verschuldigd. Deze bepaling maakt een einde aan de controverse van vóór de wet van 7 januari 2001 over de vraag of de nalatigheidsintrest betrekking mocht hebben op alle onbetaalde termijnen (voor een deel bestaande uit de totale kosten van het krediet en dus intresten) of enkel op het deel in kapitaal. Voor de “geoorloofde debetstanden” en “overschrijdingen”, kunnen nalatigheidsintresten nog steeds aangerekend worden op de vervallen interesten (definitie kapitaal art. I.9, 60° WER)
    • De overeengekomen nalatigheidsintrestvoet mag voor de kredietopeningen niet hoger liggen dan de laatst toegepaste debetrentevoet en voor andere kredietovereenkomsten niet hoger dan het laatste overeengekomen jaarlijkse kostenpercentage, verhoogd met een coëfficiënt van hoogstens 10 % (artikel VII.106, §3).
    • De toe te passen nalatigheidsintrestvoet is degene die in voege is wanneer de betalingsachterstand zich voordoet (zelfs indien dat verschilt van de intrestvoet vermeld in de overeenkomst).

     

     

    Aanvangspunt van de berekening van de intresten

    De nalatigheidsintrest is verschuldigd vanaf de datum van opeisbaarheid van het kapitaal voor zover dat een contractueel beding de ingebrekestelling overbodig maakt of vanaf de ingebrekestelling bij ontstentenis van dergelijke opheffingsbepaling.

    Bij de termijnbedragen die onbetaald bleven op de dag van de ontbinding of het verval van de termijnbepaling, worden de eenvoudige nalatigheidsintresten in de zin van artikel VII.106, § 2, berekend tot op de dag van het verval of de ontbinding op het deel in kapitaal van de vervallen en onbetaalde termijnbedragen. Vanaf de dag van de ontbinding of het verval van de termijnbepaling, worden de nalatigheidsintresten in de zin van artikel VII.106, §1, berekend op het volledige verschuldigd blijvend saldo.

     

     

     

    Berekeningsmethode

    Artikel 5 van het KB van 14 september 2016 bepaald: De nalatigheidsinteresten inzake consumentenkrediet en hypothecair krediet met een roerende bestemming worden berekend volgens dezelfde methode als hetgeen overeenkomstig artikel VII.78, § 2, 7°, van het Wetboek van economisch recht contractueel is voorzien voor de berekening van de debetintresten. De nalatigheidsinterest wordt dus berekend volgens de methode die werd toegepast voor de debet interest.

     

     

    Verbod op kapitalisatie van intresten

    Artikel VII.106 verbiedt elke vorm van kapitalisatie van intresten. Het artikel verplicht immers deze te berekenen op het verschuldigd blijvende saldo, gedefinieerd in artikel I.9, 63° als het bedrag dat moet gestort worden om het opgenomen kapitaal af te lossen, weder samen te stellen of terug te betalen. Een bepaling waardoor de kredietgever intresten zou mogen kapitaliseren op een wijze toegestaan door artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek wordt als nietig beschouwd. Enerzijds kan een kapitalisatieovereenkomst slechts a posteriori worden gesloten, zodra de intresten voor een jaar zijn vervallen. Anderzijds laat artikel VII.106– van openbare orde – de berekening enkel toe op het verschuldigd blijvende saldo. Het Boek VII wijkt dus af van artikel 1154 van het Burgerlijk Wetboek (zie ook C. BIQUET MATHIEU, op.cit., p 11). Dat geldt voor de contractuele bedingen, maar eveneens voor de andere kapitalisatietechniek toegelaten door artikel 1154. De kredietgever mag zich dus niet beroepen op kapitalisatie middels aanmaning (deurwaardersexploot of neergelegde conclusies) zodra de intresten zijn vervallen.

     

     

    Uitzondering

    Er bestaat echter een uitdrukkelijk in artikel VII.106 opgenomen uitzondering. Voor geoorloofde debetstanden op een rekening en de overschrijdingen zonder regeling voor gespreide terugbetaling van de hoofdsom, definieert de wet het kapitaal als het bedrag dat door de consument wordt opgenomen, vermeerderd met de vervallen debetrente en, bij eenvoudige betalingsachterstand zoals bedoeld in artikel VII.106, § 2, met de vervallen nalatigheidsintresten op het bedrag van de overschrijding. Deze uitzondering is te wijten aan de nauwe band tussen de kredietopeningen en een rekening-courant die alle verrichtingen van de consument registreert (en niet enkel de kredietopnemingen/terugbetalingen). De facto gaat het om rekeningen die enkel kredietinstellingen mogen aanbieden en die zijn onderworpen aan de controle van de BNB. De uitzondering geldt slechts voor de interesten die vervallen zijn op de dag van de opzegging van het krediet. De interesten die vervallen na de opzegging kunnen niet worden opgenomen in het verschuldigd blijvende saldo. Eens het krediet wordt opgezegd, bestaat er geen “ontleend kapitaal” meer, die het betalen van vergoedende interesten, premies van de kosten enz. zou rechtvaardigen (Vred. Châtelet, 24 maart 2016, Jaarboek Kredietrecht, 2016, p.204).

     

    De nalatigheidsintrest op de strafbedingen

    De formulering van artikel VII.106 verbiedt het in rekening brengen van rente op alle accessoires, ongeacht of het niet alleen om rente gaat, maar ook om kosten of bedragen die als sanctieclausule zijn vastgesteld; derhalve kan geen aanspraak worden gemaakt op vertragingsrente, noch op de forfaitaire verhogingsclausule in geval van beëindiging van het krediet, noch op de overeengekomen kosten van aanmaningsbrieven in geval van een eenvoudige betalingsachterstand (F. de Patoul, "Les intérêts sur les clauses pénales", noot sub Vred. Wetteren, 1er oktober 2003, Jaarboek Kredietrecht 2003, 151; C. Biquet Mathieu, op. cit, 111; Vred. Châtelet, 17 juni 2010, Jaarboek Kredietrecht 2010, p. 55; Vred. Châtelet, 23 oktober 2014, Jaarboek Kredietrecht 2014,p. 102 met noot PHILLIPS L). 

     

     

    De overeengekomen straffen of vergoedingen

    De nalatigheidsintrest vergoedt de kredietgever bij een vertraging in de uitvoering van de overeenkomst door de consument. De overeengekomen straffen en vergoedingen stellen de kredietgever schadeloos voor de gevolgen van de niet-uitvoering. Het gaat erom de beheerskosten van een openstaande vordering te dekken, alsmede stappen die erop gericht zijn de inning ervan te bekomen. Er zijn dus twee verschillende nadelen.

    Het WER beperkt de mogelijkheid tot forfaitaire bepaling van de hoogte van de vergoeding die is voorzien in geval van niet-uitvoering. Eerst wordt de berekeningsbasis vastgesteld, en vervolgens wordt het bedrag beperkt. De vergoeding moet, zoals een nalatigheidsintrest, worden berekend op het verschuldigd blijvende saldo. Dat veronderstelt dat voor geoorloofde debetstand zonder gespreide terugbetaling van de hoofdsom, het verschuldigd blijvende saldo overeenstemt met het door de consument opgenomen bedrag, vermeerderd met de intresten (vervallen debetintresten en, in het geval van eenvoudige betalingsachterstand zoals bedoeld in artikel VII.106, § 2, vervallen nalatigheidsintresten op het bedrag van de overschrijding).

    Het WER beperkt de vergoeding vervolgens tot onderstaande plafonds:

    • ten hoogste 10 % van de schijf van het verschuldigd blijvende saldo tot 7.500 euro;
    • ten hoogste 5 % van de schijf van het verschuldigd blijvende saldo boven 7.500 euro.

    Als het verschuldigd blijvende saldo bijvoorbeeld 11.273 euro bedraagt, kan de forfaitaire vergoeding oplopen tot maximaal (7.500 x 0,1)+((11.273 - 7.500) x 0,05) = 938,65 euro.

    Die forfaitaire inschatting van de schade, binnen de perken gesteld door de wet, is uiteraard slechts geldig in zoverre deze in een contractuele bepaling is opgenomen. Zo niet kan de kredietgever de vergoeding van zijn geleden schade slechts eisen overeenkomstig het gemeen recht waarvan het WER op dat vlak niet is afgeweken.

     

     

    De vergoeding is forfaitair en dekt de volledige schade

    Het maximale forfaitaire bedrag dat krachtens de wet kan worden geëist in geval van ontbinding of verval van de termijnbepaling dekt de volledige schade door de kredietgever geleden ten gevolge van de niet-uitvoering. Die vergoeding dekt bijvoorbeeld:

    • de kosten voor de aangetekende zendingen die de kredietgever meent te moeten sturen na de ontbinding of het verval van de termijnbepaling (uiteenzetting in het wetsvoorstel, Parl. St., Senaat, 1999-2000, 2-223/1 6: Die maankosten kunnen vanzelfsprekend niet geeïst worden bij de ontbinding of bij het verval van de termijnbepaling van de kredietovereenkomst omdat in dat geval de kredietgever recht heeft op een vaste vergoeding.

    • de kosten voor het opnieuw in bezit komen van het goed waarop het eigendomsvoorbehoud betrekking heeft zelfs als het een verkoop op afbetaling betreft (de verkoop is niet onderscheiden van het krediet);

    • de kosten voor het opzoeken van het adres, hypothecaire of kadastrale opzoekingen enz.

    • de kosten voor de domicilieopzoekingen.

     

     

    Strafbedingen en gerechtskosten

    De overeengekomen straffen en gerechtskosten dekken forfaitair de volledige schade geleden door de kredietgever ten gevolge van de niet-uitvoering. Als een rechtszaak wordt ingespannen, kan de kredietgever eisen dat de consument wordt veroordeeld tot de betaling van de gerechtskosten van deze rechtszaak. Deze moeten door de rechter worden vastgesteld op basis van de geldende wettelijke bepalingen. De gerechtskosten vergoeden de eiser voor de specifieke schade voortvloeiend uit de verplichting een rechtsgeding in te spannen. De kredietovereenkomst mag geen bepaling bevatten volgens dewelke een rechtsgeding nog andere straffen met zich zou meebrengen. Een dergelijke bepaling is immers verboden door artikel VII.106, krachtens hetwelk geen enkele andere betaling mag worden geëist dan dewelke in het artikel worden opgesomd.

     

     

     

    Advies van de administratie

    • Er kan slechts een “straf” van de consument worden geëist in geval van ontbinding of verval van de termijnbepaling. De niet-betaling van de laatste maandelijkse aflossing moet worden beschouwd als een eenvoudige betalingsachterstand overeenkomstig artikel VII.106, § 2. Deze kan dus geen aanleiding geven tot de betaling van een vergoeding.
    • Is in strijd met artikel VII.106 van de consument bij wijze van inningskosten, kosten te vragen voor nazicht van de hypotheeklast

     

     

     

    VII.106, § 2 et § 3 :  Eenvoudig betalingsachterstand

     

    Principe

    Artikel VII.106, § 2, eerste lid, beoogt de eenvoudige betalingsachterstand, dat wil zeggen een achterstand die geen ontbinding van de overeenkomst noch een verval van de termijnbepaling met zich meebrengt.

    Volgens de voorbereidende werken, heeft De Belgische Vereniging van banken aangetoond dat die nalatigheidsintresten in sommige gevallen onvoldoende zijn om de maankosten te dekken. Het lijkt derhalve verstandig de kredietgevers toe te staan ook de maankosten in rekening te brengen. Die maankosten kunnen vanzelfsprekend niet geëist worden bij de ontbinding of bij het verval van de termijnbepaling van de kredietovereenkomst omdat in dat geval de kredietgever recht heeft op een vaste vergoeding. (Parl. St., Senaat, 1999-2000, 2-223/1 6).

    In dat geval staat het WER toe dat de kredietgever in de overeenkomst een bepaling opneemt, die voorziet dat aan de consument maximaal volgende bedragen kunnen worden gevraagd:

    • het vervallen en niet-betaalde kapitaal;
    • het bedrag van de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet;
    • het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest berekend op het vervallen en niet-betaalde kapitaal;
    • de overeengekomen kosten voor de maanbrieven en de brieven voor ingebrekestelling, a rato van één verzending per maand.

     

     

    Het vervallen en niet-betaalde kapitaal en de vervallen en niet-betaalde kosten

    Voor elke vervallen en niet-betaalde termijnbetaling wordt een onderscheid gemaakt, desgevallend aan de hand van de aflossingstabel, tussen het kapitaalgedeelte en het gedeelte aan kosten en intresten (deze twee posten samen vormen de totale kosten van het krediet). Deze afrekening moet ook worden gemaakt in geval van ontbinding van de overeenkomst of verval van de termijnbepaling om het verschuldigd blijvende saldo te bepalen.

     

     

    Het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest

    In geval van een eenvoudige betalingsachterstand worden de nalatigheidsintresten berekend op het vervallen en niet-betaalde kapitaal, gehaald uit het bedrag van de niet-betaalde termijnbedragen, desgevallend aan de hand van de aflossingstabel. De intrestvoet is deze toegepast bij ontbinding of opzegging van de overeenkomst. Deze moet uitdrukkelijk in de kredietovereenkomst zijn vermeld, zo niet is het gemeen recht van toepassing.

     

     

    De overeengekomen kosten voor de maanbrieven

    Het WER staat toe dat de kredietgever kosten aanrekent voor de verzending van maanbrieven of brieven voor ingebrekestelling. Die kosten mogen slechts worden gevraagd voor zover dit uitdrukkelijk in een contractuele bepaling is voorzien.

    Verder stelt het WER hieraan een dubbele grens. Enerzijds, is het bedrag van de kosten vastgelegd en, anderzijds, mag de kredietgever deze kosten slechts aanrekenen a rato van één verzending per maand. Het heeft verder geen belang dat de maanbrieven of brieven voor ingebrekestelling betrekking hebben op één of meerdere niet-betaalde termijnen, de kredietgever mag deze kosten slechts aanrekenen voor één enkele maanbrief of brief voor ingebrekestelling over een periode van één maand, te rekenen van datum op datum.

    Niets verbiedt de kredietgever meerdere maanbrieven te verzenden, maar dat gebeurt dan op zijn kosten, zonder dat hiervoor van een consument een vergoeding kan worden geëist. De termijn van één maand begint te lopen vanaf de datum van verzending van de vorige brief. Een maanbrief is niet hetzelfde als het maandelijkse rekeningoverzicht bedoeld in artikel VII.99.

     

     

    Eenvoudige betalingsachterstand gevolgd door de opzegging van de overeenkomst - cumul van straffen

    De kosten die verschuldigd zijn voor de periode voorafgaand aan de ontbinding of opzegging van de overeenkomst blijven verschuldigd in geval van opzegging of ontbinding (contra: C. Biquet -Mathieu, Actualités législatives en matière de crédit à la consommation, in Chronique à l'usage des Juges de paix et de police, 26 januari 2002, n°33, n°23; Vred. Charleroi, 23 juni 2005, Jaarboek Kredietrecht, 2005, 66); de kosten voor maanbrieven of brieven voor ingebrekestelling gemaakt na de opzegging zijn inbegrepen in de forfaitaire vergoeding en kunnen dus niet bijkomend aan de consument worden aangerekend.

     

     

    Veelheid van schuldenaren

    Als er meerdere medeschuldenaren zijn, kunnen de kosten voor de ingebrekestelling die aan elkeen worden verzonden aan elkeen afzonderlijk ten laste worden gelegd binnen de door de wet voorziene grenzen, maar deze kosten mogen enkel aan de bestemmeling worden aangerekend. Als aan een consument één enkele brief wordt verzonden voor meerdere niet-uitgevoerde overeenkomsten, mogen de kosten slechts eenmaal worden aangerekend. Als voor elke overeenkomst een afzonderlijke brief wordt verzonden, mogen de kosten per overeenkomst worden aangerekend.

     

     

     

    De niet-betaling van de laatste maandelijkse aflossing

    Wanneer enkel de laatste maandelijkse aflossing onbetaald blijft, voorziet artikel VII.106, § 2, 2de lid (tweede veronderstelling) de verzending van een laatste ingebrekestelling met vooropzeg van drie maanden. De aanmaningskosten mogen worden aangerekend tot aan de verzending van deze ingebrekestelling

     

     

     

    Toerekening van de betalingen

    De regel van artikel VII.106, § 5, die afwijkt van het Burgerlijk Wetboek inzake de toerekening van de betalingen, is niet van toepassing in geval van eenvoudige betalingsachterstand zoals bedoeld in artikel VII.106, § 2. De kredietgever mag de betaling eerst toerekenen op de kosten voor de maanbrieven of de brieven voor ingebrekestelling, vervolgens de nalatigheidsintresten en ten slotte op het vervallen en niet-betaalde kapitaal en op het bedrag van de totale kosten van het niet-betaalde krediet.

     

     

    VII.106, § 2, lid 2 : de kredietovereenkomst is vervallen en een saldo onbetaald blijft

    De wet van 24 maart 2003 wijzigt artikel 27bis, § 2, WCK, zodat het een veronderstelling dekt waarmee de wet van 7 januari 2002 geen rekening had gehouden: de gevolgen van de niet-betaling door de consument wanneer de kredietovereenkomst is vervallen en een saldo onbetaald blijft.  Het laatste lid van artikel VII.106, § 2, dekt twee gevallen. Het doelt eerst op de kredietopeningen die overeenkomstig artikel VII.98, § 1, tweede lid, werden beëindigd middels een opzegging van twee maanden. Het doelt eveneens op overeenkomsten waarvan de looptijd is overschreden. Het kan bijvoorbeeld gaan om een lening op afbetaling waarvan de laatste maandaflossing niet is betaald.

    De aan artikel 27bis, § 2, van de wet van 12 juni 1991 voorgestelde toevoeging heeft als oogmerk de hypothesen te vatten waarbij de consument zijn verbintenissen niet uitvoert, terwijl de overeenkomst niet het voorwerp heeft uitgemaakt van een ontbinding of van termijnbepaling, maar werd opgezegd of tot zijn einde is gekomen. In deze gevallen zal de kredietgever straffen kunnen eisen van de consument die zijn verbintenissen niet heeft uitgevoerd binnen een termijn van drie maanden na ingebrekestelling bij een aangetekende brief. (Parl. St., Kamer, 2001-2002, 1730/02, 4).

    In dat geval moet de kredietgever een ingebrekestelling versturen en worden de nalatigheidsinterest en de boetes pas opeisbaar indien de consument in gebreke van betaling blijft na een termijn van drie maanden.

     

     

    Straffen en vergoedingen

    Drie maanden na de ingebrekestelling (en voor zover de consument in gebreke blijft), mag de kredietgever volgende bedragen vragen:

      1. het vervallen en niet-betaalde kapitaal
      2. het bedrag van de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet;
      3. het bedrag van de overeengekomen nalatigheidsintrest berekend op het vervallen en niet-betaalde kapitaal;
      4. de overeengekomen straffen of vergoedingen, binnen de grenzen van de maximumbedragen bedoeld in § 1.

     

     

    VII.106, § 4: Informatieplicht

     

    Informatieplicht

    Artikel VII.106, § 4, verplicht de kredietgever die een bedrag vordert in uitvoering van artikel VII.106, § 1 (ontbinding en verval van de termijnbepaling) of § 2 (eenvoudige betalingsachterstand of einde van de overeenkomst) om zijn vordering uitvoerig te omschrijven en te motiveren in een document dat gratis aan de consument moet worden overhandigd.

    Deze regel is uiteraard van toepassing op de procedurehandelingen en moet het de schuldenaar toelaten om rekenschap te geven aan de exacte aard van de vordering. Het detail moet ook de vrederechter toestaan om na te gaan of de vordering correct is en in het bijzonder, om na te gaan of de rentevoet van het strafbeding is toegelaten, en of er niet toegelaten kosten werden toegevoegd aan de afrekening, gezien deze kwesties de openbare orde raken. De weigering van de eiseres om de afrekening in de vorm van een procedurestuk op te stellen, dien men te overwegen dat de vordering niet gedetailleerd is in de zin van art. 27bis, § 4 [van het WCK= VII.106, § 4, WER] en past het om de eiseres af te wijzen van haar vordering (Vred. Vorst, 19 april 2011, T. Vred., 2015, p. 115-116).

     Een nieuw document moet, met het detail en de motivering van de bedragen verschuldigd in toepassing van §§ 1 en 2, gratis aan de consument die hiertoe een verzoek indient worden overhandigd, en dit maximaal driemaal per jaar. Deze vereiste wordt strafrechtelijk beteugeld door artikel XV.90, 14°.

     

     

    Te verstrekken inlichtingen

    Deze verplichting omhelst dat met name de volgende inlichtingen moeten worden meegedeeld:

    • mbt. de gevorderde intresten:

      • het aantal dagen van de periode waarvoor de intresten werden berekend;

      • het bedrag in kapitaal;

      • als het bedrag in kapitaal veranderd is: de verschillende saldi in kapitaal en het aantal dagen dat het saldo niet is veranderd;

      • de methode voor de berekening van de intresten;

      • De toegepaste nalatigheisinterestvoet
      • Het bedrag in kapitaal waarop de interestent berekend werden
    • mbt. de schadevergoedingen

      • de afrekening per schijf volgens de methode uiteengezet in artikel VII.106, § 1;

    • mbt. de kosten voor maanbrieven:

      • de datum van de brieven.

    Als de reeds vervallen maar niet-opgeëiste bedragen louter ter informatie worden meegedeeld, moet het document een duidelijk onderscheid maken met de bedragen die daadwerkelijk worden opgeëist. Als de verschuldigde bedragen in geval van eenvoudige betalingsachterstand niet daadwerkelijk worden opgeëist in de ingebrekestelling, kan de kredietgever volstaan met hiervan een omschrijving te geven die bondiger is dan wat artikel VII.106, § 4, vereist. Dat impliceert evenwel dat de betalingen die door de consument worden gedaan, eerst moeten worden toegerekend op het vervallen en niet-betaalde kapitaal en op de vervallen en niet-betaalde totale kosten van het krediet.

     

     

     

    VII.106, § 5: Toerekening van de betalingen

    Ratio legis

    De door de consument, de borg of de steller van een persoonlijke zekerheid uitgevoerde betalingen moeten bij ontbinding van de overeenkomst of bij verval van de termijnbepaling verplicht eerst worden toegerekend op het verschuldigd blijvende saldo en de totale kosten van het krediet. Slechts nadat het verschuldigd blijvende saldo en de totale kosten van het krediet zijn betaald, mogen ze op het bedrag van de nalatigheidsinteresten of andere straffen en schadevergoedingen worden toegerekend.

    Deze bepaling wijkt af van de toepassing van artikel 1254 van het Burgerlijk Wetboek in het belang van de consument, doordat elke betaling, hoe bescheiden ook, daadwerkelijk bijdraagt aan de vermindering van de schuld door de berekeningsbasis van de intresten te verlagen.

    Hieruit volgt dat:

    • bij ontbinding van de overeenkomst of bij verval van de termijnbepaling, iedere betaling eerst toegerekend wordt op het verschuldigd blijvende saldo en de totale kosten van het krediet vóór enige andere toerekening;
    • de kosten voor de maanbrieven of voor de brieven van ingebrekestelling die onbetaald blijven na de ontbinding van de overeenkomst of het verval van de termijnbepaling, zullen worden betaald nadat het verschuldigd blijvende saldo en de totale kosten zijn betaald;

    De regel van artikel VII.106, §5, niet van toepassing is in geval van eenvoudige betalingsachterstand. Het gemeen recht van artikelen 1254 tot 1256 is van toepassing en de betalingen kunnen worden toegerekend op de kosten en intresten voor het kapitaal.

    Na vonnisneming, de gerechtskosten (vastgestelde gerechtskosten en kosten van tenuitvoerlegging) die niet bedoeld zijn in artikel VII.106, eerst zullen worden betaald. Zodra deze kosten zijn betaald, worden de door de consument gedane betalingen toegerekend zoals voorzien in artikel VII.106, §5.

     

     

     

    VII.106: De strafbedingen en het lot van de zekerheden

     

    Strafbedingen en aanmaningskosten

    Artikel VII.110 verplicht de kredietgever de borg en desgevallend de steller van een zekerheid, te informeren in geval van betalingsachterstand door de consument van twee termijnen of van ten minste één vijfde van het totale terug te betalen bedrag.

    Die informatie vormt geen aanmaning of ingebrekestelling die de aanrekening van kosten in de zin van artikel VII.106, § 2, kan rechtvaardigen. Bovendien bepaalt artikel VII.110 dat de borgtocht en, desgevallend, elke andere vorm van zekerheid voor de verbintenissen die voortvloeien uit een kredietovereenkomst moeten het bedrag dat gewaarborgd is nauwkeurig vermelden; de borgtocht en, desgevallend, de persoonlijke zekerheid gelden enkel voor dit bedrag, eventueel verhoogd met de nalatigheidsintresten (met uitsluiting van alle andere boetes of kosten van niet-uitvoering). De kosten voor ingebrekestelling en straffen of schadevergoedingen, zelfs met inachtneming van de maximumbedragen voorzien in artikel VII.110, kunnen dus in geen geval aan de borg worden aangerekend.

     

     

    Toerekening van de betalingen

    De regel van de toerekening van betalingen met voorrang ten opzichte van het verschuldigd blijvend saldo en de totale kosten van het krediet, geldt ook voor personen die een zekerheid (persoonlijk of reëel) hebben gegeven.