www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.112 - VII.114 : Bijzondere bepalingen voor bemiddelaars

     

    Artikel VII.112

     

     

    VII.112, § 1: Bemiddeling enkel voor kredietovereenkomsten met vergunninghoudende of geregistreerde kredietgevers

     

    Principe

    Het is een kredietbemiddelaar verboden de aanvraag van een consument in te dienen bij iemand anders dan een erkende kredietgever. Dat principe wordt in artikel VII.112, § 2 gesteld. Het verbod wordt hernomen in artikel VII.186, §1, 4 (en VII.187, § 1, 4, voor de agenten in nevenfunctie), krachtens hetwelk de bemiddelaars, die hun inschrijving aanvragen, verplicht zijn zich te verbinden enkel met het oog op het sluiten van een kredietovereenkomst bij een erkende kredietgever.

    Advies van de administratie
    • Van zodra een zelfstandig tussenpersoon cliënteel doorverwijst naar of aanbrengt bij een welbepaalde kredietgever moet hij beschouwd worden als een kredietbemiddelaar in de zin van artikel 1, 3°, van de wet van 12 juni 1991. Zonder zijn aanbrengen zou de kredietovereenkomst niet tot stand zijn gekomen. Ik neem aan dat er ook omgekeerd, door X. -bank wordt doorverwezen naar X. -verzekeringen waardoor er sprake is van een compensatie/vergoeding onder de vorm van een tegenprestatie. Vermits er geen mandaat is, in de zin van artikel 62, 1°, van de wet, en het toch om een zelfstandige kredietbemiddelaar gaat, is de kwalificatie van kredietmakelaar, in de zin van artikel 62, 2°, de meest evidente. Een kredietmakelaar hoeft niet noodzakelijk met meerdere kredietgevers te werken.

     

     

    VII.112, § 2: Plicht van de makelaar om enkel onder zijn eigen naam te bemiddelen

     

    Ratio legis

    Het WER verplicht bemiddelaars hun identiteit en hoedanigheid duidelijk aan de consument mee te delen: de consument moet weten wie zijn onderhandelingspartner is en wat zijn rol is. Het gaat erom elke verwarring tussen de kredietgever en de bemiddelaar te voorkomen en bovendien een onderscheid te maken tussen bemiddelaars die slechts één kredietgever vertegenwoordigen en makelaars die voor meerdere kredietgevers kunnen bemiddelen.

    De regel is door de artikel VII.72 opgesteld en artikel VII.112, §2, vullen de regel voor kredietmakelaars aan.

     

    Principe

    Als de verbonden agenten de identificatiegegevens van de kredietgever dienen te vermelden in alle documenten die voor het cliënteel bestemd zijn (art. VII.73, laatste lid), mag de kredietmakelaar enkel zijn eigen benaming gebruiken. Dit verbod strekt ertoe om te vermijden dat de consument de kredietmakelaar niet kan verwarren met de kredietgever, bij wie de kredietaanvraag zal ingediend worden. Het gebruik van de eigen benaming van de kredietmakelaar houdt in dat het hem verboden is om in zijn verhoudingen met het cliënteel, gebruik te maken van de naam van de kredietgever.

    Deze regel wordt opgelegd aan de bemiddelaar die reclame maakt en de wet verduidelijkt dat hij geen adres mag verstrekken dat verschilt van het adres dat werd meegedeeld bij zijn inschrijving (art. VII.65, §2, 4). Deze inlichtingen moeten eveneens worden overgemaakt, voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst (art. VII.70, §1, 2°, en VII.71, § 2, 2°,). Het exacte adres en identiteit moeten worden opgenomen in het gestandardiseerde Europese formulier (SECCI) en in de overeenkomst (art. VII.78, § 2, 4°: … desgevallend de identiteit van de kredietbemiddelaar met inbegrip van zijn ondernemingsnummer, zijn geografisch adres dat relevant is voor de betrekkingen met de consument evenals de benaming en het adres van het bevoegd toezichthoudend bestuur bij de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie).

    Deze verplichting geldt bovendien ook voor alle documenten bestemd voor het cliënteel, ongeacht of het gaat om een brief, een aanbieding, een prijsopgave, een uithangbord enz. Er werd geoordeeld dat wanneer de kredietovereenkomst wordt gesloten via een kredietagent, de consument moet worden ingelicht over zijn hoedanigheid van kredietbemiddelaar alsook over de aard en de draagwijdte van zijn bevoegdheden. De loutere vermelding van een getal van tien nauwelijks leesbare cijfers op het kredietaanbod voldoet niet aan die voorwaarde, aangezien de consument op die manier de persoon in kwestie niet kan identificeren (schending van artikel 63, § 1 [VII.73 WER], van de wet op het consumentenkrediet) (Vred. Sint Niklaas, (II), 8 december 1999, T. Vred., 2002, 105).


     

    Plicht van de verbonden agent om de identiteit van zijn lastgever bekend te maken

    Naast zijn hoedanigheid van kredietagent, moet de verbonden agent ook in alle documenten bestemd voor het cliënteel de elementen ter identificatie van de kredietgever aangeven (artikel VII.73). Dat impliceert de verplichting om de commerciële benaming, het logo, het uithangbord, de gebruikelijke kleuren enz. van de kredietgever te gebruiken die hij vertegenwoordigt, erop lettend dat zijn hoedanigheid van verbonden agent duidelijk blijkt.

     

    Artikel VII.112 : Sancties

    Het niet-naleven van de plicht zich te identificeren, wordt bestraft door artikel VII.201: de rechter kan de consument ontslaan van het geheel of van een gedeelte van de nalatigheidsintresten en zijn verplichtingen verminderen tot de prijs bij contante betaling van het goed of de dienst of tot het ontleende bedrag. Bovendien vormt het niet bekendmaken van de bemiddelaar in de kredietovereenkomst een schending van artikel VII.78, die wordt bestraft door artikel XV.90, 10°.

     

    Artikel VII.113

     

    VII.113, § 1: Verbod een kredietaanvraag in te dienen voor een consument die niet in staat is terug te betalen

     

    Principe

    Het verbod uitgevaardigd, is de tegenhanger, voor de kredietbemiddelaar, van het verbod voor kredietgevers, uitgevaardigd door artikel VII.77, §2. Ondanks enkele verschillen bij de verwoording, hebben de teksten een vergelijkbare draagwijdte. De bemiddelaar moet weigeren een kredietaanvraag in te dienen indien de consument duidelijk niet in staat is de verplichtingen voortvloeiend uit de kredietovereenkomst na te komen. Het voorgestelde nieuwe artikel 64, § 1, heeft tot doel de kredietbemiddelaar te verplichten tot het verrichten van een eerste solvabiliteitsbeoordeling van de consument op basis van de inlichtingen waarover hij beschikt of zou moeten beschikken, en hem slechts toe te laten een kredietaanvraag in te dienen bij een kredietgever indien hij redelijkerwijze moet aannemen dat de kandidaat-ontlener in staat zal zijn zijn terugbetalingsverplichtingen na te komen. In voorkomend geval, zal hij bij het doorgeven van die kredietaanvraag een persoonlijke commentaar kunnen voegen waarbij de kredietgever of de kredietverzekeraar wordt ingelicht over de solvabiliteit van de consument (Parl. St. Kamer, 2001-2002, 1730-01, 41).

    De bemiddelaar zou geen beroep kunnen doen op zijn onwetendheid, indien deze een fout inhoudt omdat hij namelijk heeft nagelaten om de consument alle nodige inlichtingen te vragen, die hij had moeten vragen in uitvoering van artikel VII.69.

    De wet heeft immers betrekking op inlichtingen waarover de bemiddelaar beschikt of zou moeten beschikken. De overtreding van dit verbod is duidelijk indien de bemiddelaar inlichtingen voor de kredietgever verbergt of het nalaat hem bepaalde inlichtingen te verstrekken waarvan hij als professional weet dat ze nuttig zouden kunnen zijn voor de kredietbeslissing.

    De administratie heeft als een schending van het verbod uitgevaardigd door artikel 64, § 1, [VII.113, § 1] beschouwd, het fout van de bemiddelaar die bepaalde lasten achterhoudt of vermindert om een betere credit scoring te verkrijgen.

     

     

    VII.113, § 2: Plicht om de kredietgever te informeren- verbod op opsplitsing

     

    Algemene plicht

    In artikel VII.113, §2, tweede zin, wordt een algemeen principe hernomen dat de rol van de kredietbemiddelaar verduidelijkt: hij moet aan de kredietgever de noodzakelijke inlichtingen bedoeld in artikel VII.69 meedelen. Het gaat er niet enkel om inlichtingen die van de consument zijn verkregen middels een door de kredietgever vooraf opgestelde vragenlijst aan de kredietgever mee te delen, maar het betreft een verplichting van algemene strekking, om hem namelijk alle informatie mee te delen die nuttig is voor de beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument. Deze regel verbiedt een tussenpersoon om bewust elk element te verbergen dat van invloed kan zijn op de beoordeling van de kredietinstelling (Kh. Charleroi., 11 april 2003, J.T. 2003).

    Deze informatieplicht kan het voorwerp uitmaken van bijzondere overeenkomsten tussen de kredietgever en de kredietbemiddelaar. De kredietgever kan de bemiddelaar bijvoorbeeld bijkomende verplichtingen opleggen om de door de consument aangebrachte informatie te controleren.

    De vrederechter van het eerste kanton van Brussel heeft een kredietbemiddelaar veroordeeld tot het schadeloosstellen van de kredietgever voor de gevolgen van een krediet aan een consument die een valse identiteit en vals loonbriefje had opgegeven (Vred. Brussel (I), 13 oktober 1994 geciteerd door BLOMMAERT D. en NICHELS F., Kroniek van het consumentenkrediet (1991-1994), T.B.H. 1995, p. 944). De overeenkomsten tussen de bemiddelaar en de kredietgever hebben echter geen invloed op het recht van de consument om zowel van de ene als van de andere een schadevergoeding te eisen ingevolge een inbreuk op artikelen VII.69 en vlg. Het hof van beroep van Antwerpen heeft de kredietbemiddelaar die een summiere controle (“op het zicht”) heeft verricht op de identiteit van de consument (identiteitskaart werd door een derde overgemaakt en de bemiddelaar heeft genoegen genomen met een nazicht op het huwelijksregime per telefoon), hoewel het met de kredietgever gesloten contract voorzag dat het de kredietbemiddelaar is die verantwoordelijk is voor de juistheid van de informatie die hij kende of diende te kennen, veroordeeld tot betaling van het kredietbedrag (Antwerpen, 17 september 2009, R.W. 2011-2012, 185).

    De kredietbemiddelaar die, hoewel hij goed geïnformeerd is dat het krediet er toe dienst om de aankoop en de installatie van fotovoltaïsche panelen te financieren en een verbonden kredietovereenkomst uitmaakt, de kredietgever hier niet over inlicht en de vermelding van het gefinancierde goed en de contante prijs ervan niet vermeldt in de overeenkomst, begaat een fout ten aanzien van de kredietgever. Het is een schending van de verplichting om adequate uitleg aan de consument te verstrekken (in het bijzonder op het feit dat, bij gebreke aan deze vermeldingen, de consument niet kan genieten van de bescherming geboden door art. VII.91) en een schending van de verplichte vermeldingen zoals voorzien door art. VII.78.

    De rechtbank spreekt de nietigheid van de overeenkomst uit en bevrijdt de consument van de verplichting om het kredietbedrag terug te betalen. Hij veroordeelt de bank en de bemiddelaar in solidum tot terugbetaling van de bedragen die aan de consument verschuldigd zijn. In dit geval oordeelt de rechter dat als de bank normaal aandachtig zou zijn, zij op zijn minst de kredietbemiddelaar had moeten ondervragen betreffende de bijzondere omstandigheden van de markt alvorens hem toe te laten te oordelen of de lening niet diende behandeld te worden als een verbonden krediet. De extreem precieze aard van het nominale bedrag van de lening voor een herschikking van een woning zou moeten gewezen hebben op het noodzakelijke verband met een bepaald goed of dienst. Hierdoor legt de rechtbank 30% van de gevolgen van de nietigheid ten laste van de bank veroordeelt de bemiddelaar tot het ten laste nemen van 70% (Rechtbank Henegouw (div. Bergen), 23 oktober 2017, J.L.M.B., 2019/18, 837 met noot ENGLEBERT M., " Crédit lié au financement d'un bien ou d'un service particulier... une figure juridique complexe !", vernietigd door Cass, 28 mars 2019,  J.L.M.B., 2019/18, 828.).

     

    Toepassing – opsplitsingsverbod

    Naast de algemene regeling, bepaalt artikel VII.133, § 2, een toepassing van het principe in het bijzondere geval waar de kredietaanvraag wordt opgesplitst. Het bijzondere verbod op opsplitsing werd ingevoerd door de wet van 24 maart 2003. In het kader van haar onderzoeken had de administratie vastgesteld dat weinig gewetensvolle kredietmakelaars niet zelden de ontleende bedragen opsplitsten (splitting) tussen meerdere kredietgevers die niet op de hoogte werden gesteld van de gelijktijdige aanvragen. Die splitsing kon op verschillende manieren gebeuren (hetzij gelijktijdig bij meerdere kredietgevers, hetzij met een tussenperiode van enkele maanden, hetzij in samenspraak met een andere makelaar - advies van de administratie). Het nagestreefde doel was een hoger ontleend bedrag te verkrijgen voor de consument dan het bedrag dat de kredietgever zou hebben toegestaan gelet op de maatstaven inzake “credit scoring”. Deze kunstgreep had een verslechtering van de financiële toestand van de consument tot gevolg. Vóór de invoering van het volstrekte verbod, vormde de opsplitsing vaak een overtreding op de bepaling waardoor de bemiddelaar de kredietaanvragen die waren ingediend voor dezelfde consument gedurende vijftien dagen voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst, bekend moest maken (huidig artikel VII.133, § 3). Dergelijke opsplitsing vormde bovendien een schending van de raadgevingsplicht (Parl. St.).   De administratie was steeds van mening dat het een praktijk betrof die in strijd was met de geest dan wel de letter van de wet. 

     

    Adviezen van de administratie
    • Een kredietbemiddelaar die op de hoogte moest zijn van het feit dat de ontleende bedragen voor een derde waren bestemd, begaat een zware fout wanneer hij deze informatie niet aan de kredietgever doorgeeft.
    • Vormt een niet-naleving van de plichten bedoeld in artikel 64 [VII.113], het feit dat de bemiddelaar voorstelt aan personen die geen krediet meer konden genieten omdat ze een te bescheiden inkomen hadden of omdat ze als in gebreke blijvende consumenten waren geregistreerd, om zich dooer een andere consument te laten vervangen (familielid, vriend) op wiens naam de kredietaanvraag werd ingediend en met wie de kredietovereenkomst werd ondertekend. Het krediet werd daarna verstrekt aan de feitelijke kredietnemer die zich per brief ertoe verbond het geld terug te betalen. (uittreksel van een ministerieel sanctiebesluit).
    • Er werden tal van vonnissen uitgesproken tegen bemiddelaars die een kredietaanvraag hadden opgesplitst.

     

    VII.113, § 3: Verplichting de kredietaanvragen van de twee laatste maanden bekend te maken

     

    Commentaar

    De wet schrijft de kredietbemiddelaar voor de kredietgever in kennis te stellen van de kredietaanvragen die hij tijdens de laatste twee maanden heeft ingediend (ratio legis). Deze vereiste heeft betrekking op:

    • De kredietaanvragen ingediend door de bemiddelaar bij een kredietgever in de loop van de twee laatste maanden en waaruit daadwerkelijk een overeenkomst tot stand is gekomen. Aan deze informatieplicht moet worden voldaan ook al zijn de overeenkomsten opgenomen in de lijst met lopende kredieten die werd meegedeeld na raadpleging van de Centrale voor Kredieten aan Particulieren. 
    • De kredietaanvragen die door de bemiddelaar bij een kredietgever zijn ingediend, maar niet hebben geleid tot een overeenkomst, ongeacht de reden daarvoor.
    • De kredietaanvragen (ongeacht of ze tot een overeenkomst hebben geleid) die niet door de bemiddelaar zijn ingediend, maar waarvan deze laatste op de hoogte is, op grond van verklaringen van de consument. 

    De wettekst schept een vermoeden dat de kredietaanvragen die de laatste twee maanden werden ingediend, informatie vormen die een invloed kunnen hebben op de beslissing van de kredietgever. In werkelijkheid heeft de bemiddelaar de plicht aan de kredietgever alle informatie waarover hij beschikt door te geven die een invloed kan hebben op de beslissing van de kredietgever.

    Deze regel werd voorheen vastgelegd in artikel 64, eerste lid, WCK en werd vervangen door het gelijkstellen van de kredietbemiddelaar met de kredietgever wat betreft de raadgevingsplicht. Deze wijziging verzwaart de verplichting van de bemiddelaar. De beperking tot twee maanden voorzien in de wet heeft een verplichte overmaking van de kredietaanvragen tot gevolg, zelfs indien de bemiddelaar van mening zou zijn dat deze aanvragen geen invloed hebben op de beslissing tot kredietverlening. Ondanks deze beperking in de tijd moeten vorige aanvragen steeds worden gemeld indien in een bepaald geval zou blijken dat deze voorgaande aanvragen een belangrijk element vormen in de beoordeling van de ingediende kredietaanvraag. Daarenboven dient eraan te worden herinnerd dat de relaties tussen de kredietgever en de kredietbemiddelaar bij overeenkomst kunnen worden aangepast. De partijen kunnen dus de omvang van de door de bemiddelaar mee te delen informatie uitbreiden.

     

     

    Article VII.113: Sancties

     

    Burgerlijke sanctie

    Het niet-naleven van de in artikel VII.113, § 1, bepaalde verplichting wordt gestraft door artikel VII.201, 2°: de rechter kan de consument ontslaan van het geheel of van een gedeelte van de nalatigheidsinteresten en zijn verplichtingen verminderen tot de prijs bij contante betaling van het goed of de dienst of tot het ontleende bedrag. Het wetboek voorziet geen strafrechtelijke sanctie. Paragrafen 2 en 3 worden niet burgerlijk gestraft. Echter, en in de mate waarin de schending van deze bepaling vaak een schending uitmaakt van art. VII.113, §1, zou artikel VII.201, 2° kunnen toegepast worden. Bovendien zou aan de bemiddelaar, in toepassing van art. VII.208, zijn recht op commissie kunnen onthouden worden.

     

    Bijzondere sanctie voor de bemiddelaar

    Artikel VII.208 van de wet bepaalt: Geen enkele commissie is verschuldigd wanneer de kredietovereenkomst ontbonden of verbroken wordt of het voorwerp uitmaakt van een termijnverval en de kredietbemiddelaar de bepalingen van artikel VII.113 niet heeft nageleefd.

     

     Artikel VII.114

     

    VII.114, § 1: De vergoeding van de kredietbemiddelaar is uitsluitend ten laste van de kredietgever

     

    De bepaling

    § 1. De kredietbemiddelaar mag van de consument die om zijn bemiddeling heeft verzocht, geen enkele vergoeding in welke vorm ook, rechtstreeks of onrechtstreeks ontvangen.
     

     

    De vergoeding van de kredietbemiddelaar is uitsluitend ten laste van de kredietgever

    Richtlijn 2008/48 laat aan de lidstaten de mogelijkheid om bijkomende verplichtingen voor kredietbemiddelaars te handhaven of in te voeren, inclusief de voorwaarden waaronder een kredietbemiddelaar een vergoeding mag krijgen vanwege een consument die een beroep heeft gedaan op zijn diensten (considerans nr. 17). België heeft een zuivere verbodsregeling gehandhaafd op elke vergoeding of rechtstreekse kostenvergoeding van de consument ten gunste van de bemiddelaar, d.i. een verbod dat sinds 1991 bestond in de WCK. Het Wetboek verbiedt dus alle kredietbemiddelaars, ongeacht hun hoedanigheid, om enige bezoldiging of vergoeding aan te rekenen aan de consument, zowel in het consumentenkrediet (VII.114, § 1) als in het hypothecair krediet VII.147/30, § 1). Het gaat om een grondbeginsel van de wet, dat strafrechtelijk wordt beteugeld en dat, in dat opzicht, van openbare orde is

    Enkel en alleen de kredietgever mag de kredietbemiddelaar vergoeden. Dat verbod heeft zowel betrekking op een rechtstreekse vergoeding of terugbetaling, als op een onrechtstreekse vergoeding. Artikel I.9, 41°, b), WER, verduidelijkt als volgt dat: commissielonen en/of vergoedingen die de kredietbemiddelaar ontvangt voor zijn bemiddeling inbegrepen zijn bij de totale kosten van het krediet voor de consument. Artikel 21, c), van richtlijn 2008/48/EG stelt bovendien dat de kredietmakelaar die een commissie zou vragen van de consument (wat in België verboden is) ertoe gehouden is dit te berichten aan de kredietgever om de berekening van het JKP mogelijk te maken. Wanneer hij bemiddelt in het kader van een hergroepering van schulden, kan de kredietmakelaar of –agent geen enkele vergoeding van welke aard ook eisen van de consument voor bijzondere prestaties die de verrichting met zich zou meebrengen (sanctie). 

     

    Verbod op de clausule van erkenning

    De kredietovereenkomst mag geen bepaling omvatten waardoor de consument verklaart geen enkele vergoeding voor bemiddeling te hebben betaald, onder welke benaming of vorm dan ook en bestemd voor wie dan ook. Een dergelijke bepaling is in strijd met artikel VII.2, § 4 in die zin dat zij de consument een verdedigingsmiddel ontneemt en de bewijslast verzwaart.

     

    Advies van de administratie
    • De administratie oordeelde dat het feit dat de kredietbemiddelaar de consument een overeenkomst voor schuldsaldoverzekering deed onderschrijven een inbreuk vormde op artikel 65, §1, [VII.114, § 1] in aanmerking nemende het feit dat de bemiddelaar een commissie ontving van 40 tot 70 % van de premie die zelf abnormaal hoog was;
    • De minister heeft een bemiddelaar bestraft, die beweerde zijn klanten een dienst aan te bieden die niet door de andere bemiddelaars werd aangeboden, waarbij hij voorstelde over bestaande kredietovereenkomsten opnieuw te onderhandelen en deze te hergroeperen naar een krediet met hypotheek. De bemiddelaar verklaarde het recht te hebben kosten en honoraria te vorderen voor die bijzondere prestaties (zie de tekst van de administratieve sanctie).
    • Een consument in een reclameboodschap voor consumentenkrediet uitnodigen naar een betalend telefoonnummer te bellen (0900) houdt een verboden vergoeding in. Betalende nummers zijn altijd verboden voor mededelingen m.b.t. gereglementeerde kredieten ongeacht of zij door een kredietgever of door een bemiddelaar aan het publiek ter beschikking worden gesteld. Gedurende de precontractuele fase, mag er geen enkele betaling van de consument vereist worden voor dat de consumentenkredietovereenkomst is afgesloten. Enkel de betaling van de kosten van een deskundigenonderzoek kunnen, onder bepaalde voorwaarden, van de consument worden gevraagd voor de ondertekening van een hypothecair kredietovereenkomst (VII.141). Eens de overeenkomst ondertekend is, is de praktijk van de betalende nummers verboden (art. VI.40 WER).

     

     

    Mag de bemiddelaar de terugbetaling van kosten eisen?

    Het verbod uit artikel VII.114, § 1, heeft slechts betrekking op de vergoeding van de bemiddelaar. De term vergoedingen verbiedt een vorm van forfaitaire betaling. Het is dus daarentegen de kredietbemiddelaar niet verboden de terugbetaling te vragen van bepaalde kosten die hij voor zijn opdracht zou hebben gemaakt. Het mag enkel gaan om kosten die dus moeten worden gerechtvaardigd door werkelijke uitgaven. Bovendien verplicht artikel I.9, 41°, de kredietgever ertoe deze kosten op te nemen in de totale kosten van het krediet, die als basis dienen voor de berekening van het JKP. Artikel 21, c), van richtlijn 2008/48/EG verduidelijkt op dit punt: de vergoeding die de consument aan de kredietbemiddelaar dient te betalen voor zijn dienstverlening door de kredietbemiddelaar wordt meegedeeld aan de kredietgever, teneinde het jaarlijkse kostenpercentage te kunnen berekenen.

    Daaruit volgt dat die kosten enkel mogen worden geëist in zoverre de kredietgever er op voorhand van op de hoogte werd gebracht en hij zijn akkoord heeft gegeven om deze kosten in het JKP op te nemen. Bovendien verbiedt artikel VII.90, WER enige betaling van de consument te eisen voordat de overeenkomst is ondertekend. Het is dus verboden voor de bemiddelaar de consument een provisie te vragen om de kosten van de kredietaanvraag te dekken. Tot slot, zijn, overeenkomstig artikel VII.79, §3, WER, de kosten voor de raadpleging van het bestand van de Centrale voor Krediet (die betaald zijn door de kredietgever) de enige kosten die van de consument mogen worden geëist indien het krediet wordt geweigerd (voor zover de consument er op voorhand van op de hoogte werd gebracht).

     

    Mag de bemiddelaar een vergoeding of terugbetaling van kosten eisen voor zijn tussenkomst bij andere overeenkomsten die werden gesloten in het kader van het krediet?

    Het gaat dan om een overeenkomst met betrekking tot een nevendienst gekoppeld aan de kredietovereenkomst. De kosten van deze overeenkomsten moeten, in principe worden gevoegd bij de totale kosten van het krediet, zoals artikel I.9, 41°, WER, het vereist. Het principiële verbod van artikel VII.114, § 1, WCK kan niet worden omzeild door procédés aan te wenden die als enige doel hebben de bemiddelaar toe te laten andere inkomsten te innen door bijkomende overeenkomsten op te leggen. 

     

    Voorbeelden
    • Het systematisch aanbieden van schuldsaldoverzekeringsovereenkomsten aan de consument in dusdanige mate dat de kredietaanvragen automatisch worden vermeerderd met het bedrag van de premie van de schuldsaldoverzekering zonder medeweten van de consument, dat op 800 overeenkomsten voor consumentenkrediet er meer dan 700 worden gesloten met een schuldsaldoverzekering, dat de premies van de schuldsaldoverzekering een commissie van 80 % opbrengen, en dat het zakencijfer dat dankzij die commissies wordt gerealiseerd twee derde vormt van het totale zakencijfer van de bemiddelaar, vormt een overtreding van artikel 65, § 1 [VII.114, § 1,](
    • Gezien het systematisch sluiten van overeenkomsten met de onderneming die de hoogste commissies toepast, die bovendien volledig worden verhaald op de kredietnemer, werd geoordeeld dat de bemiddelaar de premie eigenlijk zelf vrij bepaalt. Aangezien het gaat om abnormaal hoge premies in vergelijking met de normale marktprijzen, overtreedt de bemiddelaar de bepalingen inzake de reglementering van de prijzen en is hij vatbaar voor strafrechtelijke sancties bepaald in de wet (Corr. Dendermonde, 9 november 2004, Jaarboek Kredietrecht. 2004, p. 37). Dergelijk optreden moet streng worden veroordeeld.

     

    Burgerlijke sanctie

    De consument mag de terugbetaling eisen van de bedragen die hij heeft gestort, vermeerderd met het bedrag van de wettelijke intresten, wanneer er een betaling heeft plaatsgevonden en dit ondanks het verbod van artikel VII.114, §1, (artikel VII.197). Bovendien moet ervan worden uitgegaan dat de bedragen die de bemiddelaar rechtstreeks of onrechtstreeks vordert bijkomende kosten vormen die moeten worden opgenomen in de totale kosten van het krediet in de zin van artikel I.9, 41, WER. Dat heeft tot gevolg dat het JKP, waarin geen rekening is gehouden met de bijkomende kosten, onjuist is. Dat rechtvaardigt de toepassing van artikel VII.195 en de vermindering van de verplichtingen van de consument tot de betaling van de prijs (van het goed of de dienst) bij contante betaling of van het ontleende bedrag. Bovendien, indien door de opname van de door de bemiddelaar gevorderde bedragen in de totale kosten van het krediet, het maximale JKP wordt overschreden, worden de verplichtingen van de consument van rechtswege verminderd.

     

    Strafrechtelijke sanctie

     

    Artikel XV.90, 7, WER legt een sanctie op van niveau 5 voor de persoon die aanspraak maakt op betaling of compensatie, behalve in de gevallen voorzien in boek VII. In een vonnis van 6 juni 2002 heeft de correctionele rechtbank van Gent geoordeeld dat de verkoop van schuldsaldoverzekeringen aan een overdreven prijs, een overtreding vormt op artikel 65, § 1, WCK [VII.114, §1].


    VII.114, § 2: De kredietbemiddelaar heeft slechts recht op een commissie voor de kredietovereenkomsten die met zijn bemiddeling geldig en volgens de vormregels zijn tot stand gekomen

    De bepaling

    § 4. Wanneer een kredietovereenkomst wordt gesloten met het oog op de volledige, vervroegde terugbetaling van een vroegere kredietovereenkomst, is geen commissie verschuldigd zo dezelfde kredietbemiddelaar voor beide overeenkomsten heeft bemiddeld.
      Deze bepaling is niet van toepassing bij een betekenisvolle vermindering van het jaarlijkse kostenpercentage van de nieuwe overeenkomst ten aanzien van de vroegere kredietovereenkomst.

     

    Commentaar

    Artikel VII.114, §1, heeft enkel betrekking op de betaling van commissies. De kredietgever en de bemiddelaar kunnen een andere vergoedingsmethode overeenkomen en een opdrachtgever kan bv. zijn agenten voor een deel vergoeden aan de hand van een vaste vergoeding. Deze bepaling heeft een invloed op de verhoudingen tussen de kredietgever en de bemiddelaar gezien er geen enkele commissie van de consument kan geëist worden (VII.114, §1). Dit artikel is een uitzondering op het recht op commissie zoals geregeld in boek X van het WER. Deze regel verbiedt het om de bemiddelaar te vergoeden voor het louter aanbrengen van toekomstig potentieel cliënteel. Het is de ondertekening van de kredietovereenkomst die het recht op commissie doet ontstaan. Bovendien moet de overeenkomst geldig en volgens de vormregels tot stand zijn gekomen. Dankzij deze bepaling kan de kredietgever de terugbetaling van een uitbetaalde commissie vorderen indien achteraf blijkt dat de overeenkomst niet geldig tot stand is gekomen of dat de wettelijke vermeldingen niet correct zijn opgenomen. De kredietgever kan deze sanctie bijvoorbeeld toepassen door bedragen in te houden, die voor andere overeenkomsten verschuldigd zijn. Deze bepaling mag niet contractueel worden afgezwakt ten gunste van de bemiddelaar.

    Het is niet vereist dat de kredietgever schade heeft geleden of dat de consument zijn aansprakelijkheid inroept. Het volstaat om de tekortkoming in hoofde van de bemiddelaar aan te tonen. Deze bepaling verbiedt de kredietgever niet om, bovenop de terugbetaling van de commissie, de vergoeding van de volledige schade die hij zou hebben kunnen lijden ten gevolge van de tekortkoming van de agent, te vorderen. De bepalingen van het Wetboek die betrekking hebben op de precontractuele fase, zijn hoofdzakelijk van toepassing op de kredietgever als op de bemiddelaar (buiten voor wat betreft art. VII.77). De naleving van de wettelijke verplichtingen kan een verplichting tot waakzaamheid opleggen, naast de instructies, procedures of contractuele modaliteiten die met de kredietgever zijn overeengekomen. Deze bepaling benadrukt dus de bijzondere verantwoordelijkheid in hoofde van de bemiddelaar.

     

     

    VII.114, § 3: Spreiding van de commissie

     

    De bepaling

    § 3. Volgens de regels door de Koning bepaald moet de betaling van de commissie ten minste voor de helft worden gespreid naargelang van de aard van het krediet en van de duur ervan. [2 De wijze waarop de kredietgevers hun personeelsleden en kredietbemiddelaars belonen en de wijze waarop kredietbemiddelaars hun personeelsleden en hun subagenten belonen, mag hun verplichting niet in de weg staan om op te treden op een eerlijke, billijke, transparante en professionele wijze, rekening houdend met de rechten en belangen van de consument.

     

    Commentaar

    De wet verplicht tot een minimale opsplitsing van de commissie die aan de kredietbemiddelaar wordt uitbetaald. De in de wet bepaalde modaliteiten vormen een drempel die de partijen niet mogen overschrijden. Zo is krachtens de wet het recht op commissie niet van toepassing indien de overeenkomst waarvoor de bemiddelaar is tussengekomen, niet geldig of niet overeenkomstig de vormregels is gesloten. Deze bepaling zou niet contractueel kunnen worden aangepast. De wet verbiedt daarentegen niet om meer beperkende maatregelen overeen te komen.

    Wat verstaat men onder commissie? De regels inzake de betaling van de commissie gelden voor alle vormen van vergoeding die aan de kredietbemiddelaar worden betaald, ongeacht hun benaming of vorm en ongeacht of ze rechtstreeks of onrechtstreeks zijn.

    Het WER legt geen eisen op ten aanzien van het bedrag van de commissie, dat dus vrij door de partijen mag worden bepaald. Artikel X.13 bepaalt dat bij het sluiten van de agentuurovereenkomst de partijen vrij het bedrag van de commissies bepalen en wordt een aantal regels aangebracht die van toepassing zijn bij gebrek aan contractuele bepalingen. Datzelfde artikel staat kredietinstellingen toe een paritair overlegorgaan op te richten per principaal. De binnen het paritair overlegorgaan gesloten overeenkomst bindt alle agenten en de principaal, maar de wijzigingen die voortvloeien uit de overeenkomst, kunnen niet leiden tot de verbreking van de agentuurovereenkomst.

     

    Minimaal bedrag van de spreiding - 50%

    Krachtens de wet moet de spreiding betrekking hebben op minstens de helft van de commissie en laat het aan de bevoegdheid van de Koning om de specifieke regels inzake de spreiding te bepalen. Voor de kredietbemiddelaars werd deze kwestie geregeld door het K.B. van 4 augustus 1992 die is nu vervangen door het K.B. van 7 december 2016 tot regeling van de spreiding van de commissie voor bemiddeling inzake kredietovereenkomsten (B.S. 19 januari 2017, p. 3492). Dit Besluit heeft betrekking op de commissies die aan kredietbemiddelaars wordt betaald in het kader van consumentenkrediet en van hypothecair krediet. De Koning heeft het niet nodig geacht om de verhouding die door art. VII.114, §3 wordt voorzien, te overschrijden: art. 2 van het K.B. van 7 december 2017 voorziet dat de commissie bij het sluiten van de kredietovereenkomst slechts wordt uitbetaald ten belope van maximum 50%. Partijen kunnen voorzien dat in een lager bedrag en de spreiding op meer dan 50% zetten.

     

     

    Betaaltermijn van het bedrag – maximaal twee jaar

    De gespreide uitbetaling van het saldo van de commissie moet verdeeld worden over een duur die ten minste gelijk is aan de helft van de door de kredietovereenkomst bepaalde totale terugbetalingstermijn zonder dat die duur evenwel 24 maanden mag overschrijden (artikel 3, 1°, van het KB van 7 december 2016). In artikel 3, 4° wordt bovendien gesteld dat, indien er geen betalingsregeling werd vastgesteld en dit ook niet kan worden afgeleid uit de bepalingen van de kredietovereenkomst, de kredietovereenkomst geacht wordt een theoretische looptijd te hebben van één jaar. Dankzij deze wettelijke bepaling kunnen de partijen dus de duur van spreiding overschrijden, maar niet langer dan twee jaar. Gevolgen:

    • Kredietovereenkomsten voor een bepaalde duur tot vier jaar: het bedrag van de commissie mag niet volledig worden betaald voordat de helft van de totale terugbetalingstermijn is verstreken.
      Voorbeeld: voor een lening op afbetaling van 36 maanden, moet de spreiding van de commissie betrekking hebben op de eerste 18 maanden van de overeenkomst (tenzij de termijn op grond van contractuele bepalingen wordt verlengd, zonder 24 maanden te overschrijden). 
    • Kredietovereenkomsten voor een bepaalde duur langer dan vier jaar: de spreiding van de commissie moet betrekking hebben op de eerste 24 maanden van de overeenkomst (zonder dat het mogelijk is die termijn contractueel te verminderen of te verlengen).
    • Kredietovereenkomsten voor onbepaalde duur: de spreiding moet betrekking hebben op de eerste zes

     

    Betalingsmodaliteiten – gelijke schijven

    Artikel 3, 1° van het KB van 7 december 2016, verplicht de betaling in gelijke schijven. De schijven mogen niet worden uitbetaald voor de vervaldag van de betalingstermijnen die in de kredietovereenkomst zijn vastgelegd.
    Voorbeeld: voor een lening op afbetaling van 36 maanden, moet de spreiding betrekking hebben op de eerste 18 maanden van de overeenkomst. De commissie mag voor 50 % worden uitbetaald bij de totstandkoming van de overeenkomst en voor één achttiende op het einde van elke maand.

    Krachtens artikel 3, 2° van het KB wordt de hergroepering van de betalingsschijven toegelaten. Het artikel verduidelijkt echter dat indien die uitbetaling gebeurt tijdens de eerste helft van de in de kredietovereenkomst vastgelegde totale terugbetalingstermijn, de schijven van de commissie, waarvan de uitbetaling is gehergroepeerd, slechts mogen uitbetaald worden na de vervaldag van de betalingstermijnen die voorzien zijn in de kredietovereenkomst en die betrekking hebben op de schijven van de commissie. Het KB verbiedt een vervroegde hergroepering waardoor een commissie zou worden betaald aan het begin van de periode.
    Voorbeeld: voor een lening op afbetaling van 36 maanden, moet de spreiding betrekking hebben op de eerste 18 maanden van de overeenkomst. De commissie mag voor 50 % worden uitbetaald bij de totstandkoming van de overeenkomst en voor één achttiende op het einde van elke maand. De partijen kunnen overeenkomen om de schijven om de zes maanden te hergroeperen.

    Artikel 5 van het K.B. laat ook de betaling van commissie op portefeuille toe door echter te verduidelijken dat deze berekeningswijze moet leiden tot de gelijkwaardigheid van de regels inzake de gespreide betaling van de commissie, opgelegd door de artikelen 2 tot 4. In geval van een betaling op portefeuille is het aangeraden om de betaling van de commissie in te plannen op het einde van de maximale perioden van 6 en 24 maanden, die door het K.B. worden voorzien.

    Art. 4 van het K.B. bepaalt dat voor de verkoop op afbetaling, de financieringshuur en de lening op afbetaling waarvan het kredietbedrag lager is dan 2.500 euro, mag het in artikel 2 bedoelde saldo van de commissie in één keer worden uitbetaald, voor zover de betaling niet gebeurt voor het verstrijken van een termijn van zes maanden na het sluiten van de kredietovereenkomst, of ten laatste bij de vervaldag van de kredietovereenkomst.

     

     

     

    Article VII.114, § 4: Verbod op de commissie voor krediet dat dient voor de terugbetaling van een ander krediet

     

    Principe

    De wetgever heeft de praktijken van bepaalde kredietbemiddelaars, die de consument ertoe aanzetten een krediet aan te gaan om een ander krediet terug te betalen, dit met als enige doel een nieuwe commissie op te strijken willen ontmoedigen. In dergelijke gevallen is geen enkele commissie verschuldigd, maar in de praktijk wordt deze bepaling nooit toegepast wegens de restrictieve voorwaarden die de bepaling oplegt.

    Het verbod geldt enkel voor de bemiddelaar die heeft bemiddeld voor de twee overeenkomsten. De commissie is echter wel verschuldigd indien de vervroegde terugbetaling de consument toelaat van een aanzienlijk lager JKP te genieten. De commissie blijft bovendien verschuldigd indien het nieuwe aangevraagde krediet niet exclusief tot doel heeft een bestaand krediet terug te betalen. Bepaalde kredietgevers aanvaarden bovendien alleen een nieuw krediet voor zover het bestaande krediet vervroegd wordt terugbetaald. Deze vereiste kan een rechtvaardigingsgrond zijn voor de bemiddelaar die wordt vervolgd voor systematische schuldhergroeperingspraktijken (zie de overwegingen van een administratieve sanctie).


     

     

     

    VII.114, §5 en §6: Vergoeding van het personeel dat door de kredietgever wordt gelast met de beoordeling van de verantwoordelijkheid en de vergoeding van het personeel en de bemiddelaars die raad moeten geven

     

    De bepalingen

    § 5. Wanneer de kredietgevers het beloningsbeleid voor het voor de beoordeling van kredietwaardigheid verantwoordelijke personeel vaststellen en toepassen, leven zij de volgende beginselen na op een wijze en voor zover die passend is voor hun omvang, hun interne organisatie en de aard, de reikwijdte en de complexiteit van hun activiteiten :
       1° het beloningsbeleid is in overeenstemming met en draagt bij tot een degelijke en doeltreffende risicobeheersing en moedigt niet aan tot het nemen van meer risico's dan voor de kredietgever aanvaardbaar is;
       2° het beloningsbeleid is in overeenstemming met de bedrijfsstrategie, de doelstellingen, waarden en langetermijnbelangen van de kredietgever, en omvat maatregelen ter voorkoming van belangenconflicten, door met name te bepalen dat de beloning niet afhankelijk is van het aantal of het percentage aanvaarde aanvragen.


    § 6. Wanneer de kredietgevers of kredietbemiddelaars adviesdiensten verstrekken kan de beloningsstructuur voor de betrokken personeelsleden geen afbreuk doen aan hun vermogen om in het beste belang van de consument te handelen en met name niet afhankelijk te zijn van verkoopdoelstellingen.

     

    Commentaar

    Richtlijn 2014/17/EU, heeft de ambitie om de vergoedingspolitiek van de bemiddelaars (en het personeel van de kredietgevers) te matigen om buitensporige financiële incentives te vermijden die een bepaalde onverantwoordelijkheid in hoofde van de professionals bij de toekenning van het krediet zouden kunnen aanmoedigen.

    Considerans (35) uit de bezorgdheid van de autoriteiten hierover:

    "De wijze waarop kredietgevers, kredietbemiddelaars en aangestelde vertegenwoordigers hun personeelsleden belonen, moet een van de fundamenten voor het consumentenvertrouwen in de financiële sector vormen». Het idee bestaat erin om « praktijken als wanverkoop te beperken en te waarborgen dat de wijze van belonen van het personeel geen beletsel vormt voor het nakomen van de verplichting om de belangen van de consument in acht te nemen".

    Deze bepalingen worden ingevoegd door de wet van 22 april 2016 die de richtlijn 2014/17/EU inzake hypothecair krediet omzet in het WER. Dit is een bijzondere toepassing van de algemene gedragsregel uiteengezet in artikel VII.70.

     

    Vergoedingspolitiek en de beoordeling van de solvabiliteit

    De becommentarieerde bepalingen (§ 5 en § 6) hebben betrekking op twee aspecten van precontractuele verplichtingen : de beoordeling van de solvabiliteit en de raadgevingsplicht.

    De beoordeling van de solvabiliteit (§ 5) is een verantwoordelijkheid van de kredietgever. Paragraaf 5 van art. VII.114 regelt dus de vergoedingspolitiek van de kredietgever ten aanzien van zijn personeel. Met het oog op de doelstelling van de Europese wetgever, dient men te beschouwen dat dit niet alleen betrekking heeft op de natuurlijke persoon werknemers maar ook op de commissies die aan derden worden betaald aan wie de kredietgever de beoordeling van de solvabiliteit in onder-aanneming, onder zijn verantwoordelijkheid, zou toevertrouwen. De overeengekomen vergoeding mag niet leiden tot het nemen van meer risico's dan voor de kredietgever aanvaardbaar is. De wet geeft hiervan een voorbeeld door te verwijzen naar de vergoeding die afhankelijk zou zijn van het aantal of de grootte van de aanvaarde aanvragen.

    Een kredietgever kan dus zijn personeel dus niet vergoeden aan de hand van commissies op basis van de omvang van de aanvaarde zaken (zoals, bv. een commissie afhankelijk van het totale bedrag van de aanvaarden kredieten binnen een bepaalde periode), op basis van een percentage van aanvaarde kredietdossiers, enz.

    De vergoedingspolitiek en de raadgevingsplicht

    De raadgevingsplicht (§ 6) ligt zowel op de kredietgever als op de kredietbemiddelaar. Paragraaf 6 van art. VII.114 is dus zowel op het personeel onder het gezag van de kredietgever als op het personeel onder het gezag van de bemiddelaar van toepassing.

    Hoewel de raadgevingsplicht optioneel is in richtlijn 2014/17 (hypothecair krediet), is het, in het Belgische recht, een verplichting dat de wet in alle gereglementeerde kredieten oplegt aan zowel de kredietgever als aan de bemiddelaar. Om de onafhankelijkheid van de raadgeving en dus de kwaliteit ervan te waarborgen, verplicht art. VII.114, §6, de kredietgever en de kredietbemiddelaars om een vergoedingsstructuur aan te nemen die niet van invloed is op het vermogen van het personeel om de belangen van de consument te dienen. Volgens de bepaling is een vergoeding die bepaald wordt op basis van verkoop doelstellingen van aard om deze beoordeling te beïnvloeden. Een kredietgever of een bemiddelaar mogen hun personeel dus niet belonen aan de hand van commissies die afhankelijk zijn van de omvang van de aanvaarde zaken (zoals bv. een commissie afhankelijk van het totaalbedrag van de aanvaarde kredieten binnen een bepaalde periode) of van een percentage van de aanvaarde dossiers, enz.

    In het licht van de doelstelling van de richtlijn is het toegelaten ervan uit te gaan dat deze bepaling niet alleen van toepassing is op de vergoedingsstructuur van de kredietgevers en bemiddelaars ten aanzien van hun personeel maar ook op de structuur van de commissies die door de kredietgever aan de bemiddelaar worden betaald, ongeacht deze optreedt als een kredietmakelaar of als een verbonden agent. Een commissiestructuur waarvan het bedrag wordt bepaald in functie van het JKP waarvan de bemiddelaar de aanvaarding van de consument bekomt moet ook als strijdig met art. VII.114, §6 beschouwd worden : hoe hoger het JKP, hoe hoger de commissie. Deze vergoedingsvorm plaatst de kredietbemiddelaar op onbetwistbare wijze en zijn personeel op onvermijdelijke wijze in een situatie van een manifest belangenconflict m.b.t. de raadgevingsplicht.

    Het feit dat de kredietgever een hogere commissie toekent (op het constante kredietbedrag), als het krediet onder een bepaalde vorm wordt toegekend bv. door de kredietopening dan in een andere vorm, zoals bv. een lening op afbetaling, moet ook worden beschouwd als een element dat mogelijks de onafhankelijkheid in de raadgevingsplicht zou kunnen raken.