www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.91 en VII.147/5: Uitstel van de plichten van de consument tot aan de levering van de gefinancierde goed of de verlening van de gefinancierde dienst

    Artikel VII.91 en Artikel VII.147/5

    Wanneer het gefinancierde goed of de gefinancierde dienstverlening in de kredietovereenkomst wordt vermeld, of wanneer het bedrag van de kredietovereenkomst rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper of de dienstverlener wordt gestort, krijgen de verplichtingen van de consument slechts uitwerking vanaf de levering van het goed of de verlening van de dienst, ingeval van een verkoop of dienstverlening met opeenvolgende uitvoeringen, krijgen de verplichtingen uitwerking vanaf de aanvang van de leveringen van het goed of de verlening van de dienst en houden ze op te werken wanneer deze onderbroken worden, tenzij de consument zelf het kredietbedrag ontvangt en de identiteit van de verkoper of de dienstverlener niet gekend is door de kredietgever.
    Het kredietbedrag mag pas aan de verkoper of de dienstverlener overgemaakt worden na kennisgeving aan de kredietgever van de levering van het goed of de verlening van de dienst.
    De kennisgeving bedoeld in het tweede lid gebeurt op een duurzame drager, onder meer een leveringsbewijs, dat door de consument gedagtekend en ondertekend moet zijn.
    De krachtens de kredietovereenkomst verschuldigde rente gaat eerst in op de dag van deze kennisgeving.

    Wanneer het gefinancierde goed of de gefinancierde dienstverlening in de kredietovereenkomst wordt vermeld, of wanneer het bedrag van de kredietovereenkomst rechtstreeks door de kredietgever aan de verkoper of de dienstverlener wordt gestort, krijgen de verplichtingen van de consument slechts uitwerking vanaf de levering van het goed of de verlening van de dienst, ingeval van een verkoop of dienstverlening met opeenvolgende uitvoeringen, krijgen de verplichtingen uitwerking vanaf de aanvang van de leveringen van het goed of de verlening van de dienst en houden ze op te werken wanneer deze onderbroken worden, tenzij de consument zelf het kredietbedrag ontvangt en de identiteit van de verkoper of de dienstverlener niet gekend is door de kredietgever.
      Het kredietbedrag mag pas aan de verkoper of de dienstverlener overgemaakt worden na kennisgeving aan de kredietgever van de levering van het goed of de verlening van de dienst.
      De kennisgeving bedoeld in het tweede lid gebeurt op een duurzame drager, onder meer een leveringsbewijs, dat door de consument gedagtekend en ondertekend moet zijn.
      De krachtens de kredietovereenkomst verschuldigde rente gaat eerst in op de dag van deze kennisgeving.

     

     

    Principe en ratio legis  

    De artikelen VII.91 en VII.147/5 maken van de levering van de dienst of van het goed een opschortende voorwaarde van de kredietovereenkomst. Wordt beoogd, de kredietovereenkomst waarin het gefinancierde goed het voorwerp heeft uitgemaakt van een uitdrukkelijke vermelding conform artikel VII.78, § 3, 2° of VII.134, §3, 2°.

    Om de toepassing van die bepaling te vermijden, volstaat het voor de kredietgever om het goed niet te vermelden bij de overhandiging van het aanbod. Daarom moet het voorschrift vervolledigd met een basiscriterium: de kredietovereenkomst wordt eveneens afhankelijk gesteld van de uitvoering van de verkoop - of dienstverleningsovereenkomst telkens het bedrag van het krediet wordt gestort, niet aan de consument zelf maar aan de verkoper of aan de dienstverlener (Memorie van Toelichting, Parl. St., Senaat, 1989-1990,916-1, 22).

    Volgens de Raad van State beoogt deze bepaling zowel de relaties tussen twee partijen (consument met een verkoper-kredietgever) als de relaties tussen drie partijen (consument met een verkoper, vaak een kredietbemiddelaar, en een kredietgever): In artikel 19 wordt in wezen bepaald dat de verbintenissen van de consument slechts uitwerking krijgen vanaf de levering van het goed of van de prestatie. De regel geldt zowel voor twee- als voor drie-partijen-verhouding, gesteld dat in dit laatste geval de leensom rechtstreeks aan de verkoper wordt gestort. De exceptie van niet-levering kan in deze zin worden opgeworpen in alle drie-partijen-verhouding, en niet enkel in die bedoeld in artikel 24, met name waar er een economische eenheid bestaat tussen verkoper en kredietverlener (Advies van de Raad van State, Parl. St., Senaat, 1989-1990,916-1, p. 185).

     Deze bepaling geldt dus ook voor de verkoop op afbetaling net zoals voor die waar de verkoper of de dienstverlener de facto weet heeft van het bestaan van een krediet, aangezien hij ervan op de hoogte is gebracht dat hij pas wordt betaald na de levering of de dienstverlening op voorlegging van het attest van de consument.

    De wet van 13 juni 2010 die richtlijn 2008/48/EG omzet, heeft bovendien het toepassingsgebied verduidelijkt door de casus waarbij de kredietgever onder geen enkele omstandigheid kan weten wie de verkoper is, laat staan wanneer de levering zal plaatsvinden uit te sluiten (Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, zitting 52, 2468/001, p. 43). Deze precisering werd toegevoegd op het einde van het eerste lid, dat stelt : tenzij de consument zelf het kredietbedrag ontvangt en de identiteit van de verkoper of dienstverlener niet gekend is door de kredietgever.

     

     

    Toepassingsgebied en gelieerde kredietovereenkomst

    Artikel VII.91 is van toepassing op consumentenkredieten. Artikel VII.147/5 is alleen van toepassing op hypothecaire kredieten met een roerende bestemming.

    De bepaling beoogt de volgende gevallen:

    1. de kredietovereenkomst vermeldt het gefinancierde goed of de gefinancierde dienst 
    2. het kredietbedrag wordt door de kredietgever rechtstreeks gestort  aan de verkoper of dienstverlener

    De bepaling beoogt niet specifiek de gelieerde overeenkomsten waarvan de definitie is opgenomen in artikel I.9, 64° (zie de commentaar van die bepaling). De werkingssfeer van artikel VII.91 en VII.134, § 3, 2° moet dus autonoom beoordeeld worden, los van de definitie van de gelieerde kredietovereenkomst (ENGLEBERT M., "La crise du secteur des panneaux photovoltaïque : quelles conséquences pour les prêteurs et les emprunteurs.?", noot onder Rb. Luik, 6 september 2016, J.L.M.B. 2018, 81, in het bijzonder voetnoot 4, p. 82).

    Elke gelieerde kredietovereenkomst valt onder de werkingssfeer van deze artikelen. Deze artikelen kunnen evenwel van toepassing zijn op andere gevallen dan deze die beoogd worden in de definitie van de gelieerde kredietovereenkomst: zo is het bijvoorbeeld niet vereist door artikel VII.91 dat de kredietovereenkomst enkel dient ter financiering van de aankoop van het goed of de dienst.

    Zie ook de commentaren van artikel VII.78, § 3, 2° en artikel VII.134, § 3,2°.

    1ste hypothese: rechtstreekse betaling van de verkoper door de kredietgever

    Deze eerste hypothese levert geen interpretatieproblemen op. Het feit dat de kredietgever rechtstreeks aan de verkoper betaalt, toont aan dat de kredietgever het doel van het krediet kent, dat het krediet wordt gebruikt om een bepaald goed of een bepaalde dienst te kopen en dat de kredietgever de identiteit van de leverancier kent.

    Zelfs wanneer dit objectieve criterium aanwezig is, kan de geldigheid van het door de consument ondertekende leveringsbewijs problematisch zijn. Het lijkt erop dat sommige verkopers overtuigend genoeg zijn om een leveringsbewijs te laten ondertekenen door de consument, ook al zijn de goederen nog niet geleverd, zodat het aan de rechter is om de reikwijdte van het document en de mate van verificatie door de kredietverstrekker te beoordelen (zie ENGLEBERT M..., " Crédit lié au financement d'un bien ou d'un service particulier... une figure juridique complexe !", nota onder Burg. Henegouwen (Bergen, 25 oktober 2017, J.L.M.B., 2019/18, 837,  vernietigd door Cass. 28 maart 2019, JLMB 2019/18, 828; J.T., 2019, blz. 403).

    Om dit risico te vermijden, kan de kredietgever er ook de voorkeur aan geven om rechtstreekse betalingen aan de consument te doen. De kredietgever zou de consument zo de door de wet geboden bescherming ontnemen. Dit lijkt niet conform met de verplichting om het krediet te zoeken dat qua soort en bedrag het best is aangepast, rekening houdend met het doel van het krediet (artikel VII, leden 75 en 131). Dit zou ten minste een bijzondere verplichting voor de kredietgever inhouden om informatie te verstrekken over het recht van de consument om de terugbetaling van het krediet te weigeren zolang de levering niet heeft plaatsgevonden en over het gevaar van betaling vóór de levering (zie ENGLEBERT M., op. cit., blz. 852).

     

    2de hypothese: het gefinancierde goed wordt in het contract vermeld.

    In het tweede hypothese moet het gefinancierde goed of de gefinancierde dienst in het contract worden vermeld. Deze hypothese doet de vraag rijzen of de kredietgever verplicht is deze verwijzing in het contract op te nemen wanneer hij weet dat het krediet wordt gebruikt om een goed of dienst te kopen. De toepassing van de artikelen VII.75 en VII.131 vereist een positief antwoord: de adviesplicht verplicht de kredietgever ertoe de meest geschikte kredietsoort te kiezen, rekening houdend met het doel van het krediet. Zodra de kredietgever weet of moet weten dat het krediet wordt gebruikt om de aankoop van een goed of dienst te financieren, moet de vermelding van dit laatste in de kredietovereenkomst worden vermeld. De kredietbemiddelaar is ook verplicht de kredietgever te informeren over het doel van het krediet en in het bijzonder over de mogelijke tussenkomst van een subagent. De sanctie voor deze overtreding is voorzien in artikel VII.195 (nietigheid van de overeenkomst of vermindering van de contante prijs), maar de rechter kan de overtreding ook bestraffen met een schadevergoeding in natura en de consument toestaan de betaling op te schorten tot de levering (ENGLEBERT M., op. cit., 847).

    Gevolg: de terbeschikkingstelling van het krediet - zelfs aan de consument - wordt uitgesteld tot de kennisgeving van de levering.

    Krachtens artikel VII.91, lid 2 is de kredietgever verplicht om te wachten tot de levering van het goed hem ter kennis wordt gebracht om het gefinancierde bedrag vrij te geven ten gunste van de verkoper. Deze regel bepaalt echter enkel het geval dat de kredietgever het kredietbedrag overmaakt an de verkoper. Wat als hij de gelden overmaakt aan de consument? Dan moet er een onderscheid worden gemaakt naargelang de kredietgever het doel van het krediet (het te financieren goed of de te financieren dienst) en de leverancier (en dus de contante verkoopprijs) kent (of diende te kennen).  Indien hij zijn verplichting om informatie in te zamelen correct heeft uitgevoerd, heeft de kredietgever deze informatie gekregen van de consument die hij verplicht is te vermelden in de kredietovereenkomst (artikel VII.78, § 3, 2°). Hoewel het in dat geval niet formeel verboden is voor de kredietgever om de sommen aan de consument te storten zonder de kennisgeving van de levering af te wachten, loopt de kredietgever het risico dat hij geen enkele terugbetaling kan eisen van de consument zolang de levering niet heeft plaatsgevonden. Hij loopt dus het risico om alles te verliezen indien de levering nooit plaatsvindt.

    Indien hij deze informatie niet heeft kunnen verkrijgen, ofwel omdat de consument zijn intenties bewust heeft verborgen gehouden, ofwel omdat de keuze van laatstgenoemde nog niet vaststond (bijvoorbeeld betreffende de naam van de leverancier), kan de kredietgever, onder voorbehoud van zijn raadgevingsverplichting (VII.75), de gelden rechtstreeks overmaken aan de consument zonder de kennisgeving van de levering te moeten afwachten en zonder risico in dit opzicht (ENGLEBERT M., "La crise du secteur des panneaux photovoltaïque : quelles conséquences pour les prêteurs et les emprunteurs.?", noot onder Rb. Luik, 6 september 2016, J.L.M.B. 2018, 87).

    De vrederechter van Edingen-Lens heeft artikel VII.91 toegepast op een geval waar de aankoop van zonnepanelen in de kredietovereenkomst was vermeld onder de benaming "huisinrichting", terwijl de kredietovereenkomst een opschortende voorwaarde bevatte van de overhandiging van het "bewijs van de bestemming van de gelden", waaruit de rechter afleidde dat de kredietgever dus noodzakelijkerwijze kennis heeft gehad, of kunnen hebben, van de factuur van de verkoper voor de overhandiging van de gelden zodat er geen dubbelzinnigheid kan bestaan over het voorwerp van het krediet. Deze conclusie drong zich des te meer op daar het kredietbedrag exact overeenstemde met de kosten van de aankoop van de panelen (Vred. Edingen-Lens ,16 september 2014, J.M.L.B. 2016, 517).

    In hoger beroep volgt de rechtbank van eerste aanleg van Bergen (Rb. Henegouwen (afdeling Bergen), 23 oktober 2017, AR nr. 14/3596/A, onuitgeg.) een ander argumentatie en weert zij de toepassing van artikel VII.91 (art. 19 WCK) om de reden dat het, in feite, niet bewezen is dat de kredietgever kennis had van het bestaan van de overeenkomst van verkoop van zonnepanelen. Daarentegen is de rechtbank van oordeel dat het bewezen is dat de agent via wie de kredietmakelaar het kredietdossier heeft voorbereid en het akkoord van de bank heeft gekregen, daar niet alleen kennis van had, maar bovendien aan de oorsprong lag van het systeem van contracten en de voorbereider was van alle contractuele documenten, waardoor hij enerzijds optrad als zaakwaarnemer van de leverancier en anderzijds als subagent van de kredietbemiddelaar. De rechtbank is daarentegen van oordeel dat de kredietovereenkomst een gelieerde overeenkomst was in de zin van artikel I.9, 64° (artikel 1, 20° WCK), vermits de lening uitsluitend diende ter financiering van een onbekend goed of een onbekende dienst dat/die evenwel bepaald was - hetgeen ipso facto valt af te leiden uit de vermelding van het bedrag ervan tot op de centiem na - en dat beide overeenkomsten objectief gezien een commerciële eenheid vormen, aangezien de ene niet zonder de andere kan. De wet vermoedt in dit geval dat er een commerciële eenheid bestaat omdat de voorbereiding van de kredietovereenkomst is gebeurd dankzij de diensten van de leverancier. De rechtbank is dus van oordeel dat de kredietbemiddelaar is tekortgekomen aan zijn verplichting om passende toelichtingen te verstrekken, onder meer het feit dat de consument niet de wettelijke bescherming genoot die is ingevoerd door artikel VII.91. De rechtbank spreekt bijgevolg de nietigheid van de kredietovereenkomst uit op grond van artikel 86 WCK (VII.195 WER) maar aangezien de nietigheid de consument verplicht om de geleende som terug te betalen, is de rechtbank van oordeel dat, om de effectiviteit van de sanctie te verzekeren, de consumenten het kredietbedrag op hun beurt niet moeten teruggeven. 

    In een andere beslissing van 25 maart 2017 (AR nr. 16/1514/A, onuitgeg.) heeft de rechtbank van Henegouwen (afdeling Bergen) beschouwd dat artikel VII.91 van toepassing was in een gelijkaardig geval van verkoop van zonnepanelen, waarbij zij hier eveneens wees op de beslissende rol van de leverancier van de panelen bij het sluiten van de kredietovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de kredietgever kennis had van het doel van het krediet. De beslissing benadrukt eveneens dat de kredietgever de verplichting had, net zoals elke normaal voorzichtige bankier die in dezelfde omstandigheden wordt geplaatst, om concrete informatie in te winnen over de bestemming van een dergelijke som. De rechtbank is van oordeel dat het dus van weinig belang is dat, door kunstgrepen die blijkbaar werden aangewend om de wettelijke reglementering te ontduiken, de betwiste kredietovereenkomst niet het concrete doel van de lening op afbetaling bepaalt en in dit opzicht gebruik maakt van een truïsme ("lening op afbetaling/LOA- Actie") en dat de gelden niet ter beschikking werden gesteld van Home Vision [de verkoper], maar van de appellanten, zonder enige controle van hun kant vermits de artikelen 3 en 4 van de beleggingsovereenkomst hen ertoe verplichtten deze zeer snel over te maken aan HOME VISION, onafhankelijk van de levering van de installatie. De kredietgever heeft dus geen enkele twijfel kunnen voeden over het voorwerp van het krediet. De rechtbank is vervolgens van oordeel dat de overeenkomst van rechtswege vervallen is. Zij spreekt de bevrijding van de consumenten uit van elke terugbetalingsverplichting.

    De analyse van de vrederechter van Edingen-Lens wordt gedeeld door de vrederechter van het kanton Komen-Waasten (24 mei 2016, T. Vred. 2016, 504) voor een kredietovereenkomst met hetzelfde doel waarin vermeld werd "energy@home" terwijl het kredietbedrag exact overeenkwam met de prijs van de installatie van de zonnepanelen. In dezelfde zin is de vrederechter van Seraing van oordeel dat er sprake is van een gelieerde kredietovereenkomst en hij bevrijdt de consument van de vervallen, onbetaalde stortingen alsook van de nog te vervallen stortingen ((8 december 2016, onuitgegeven, AR nr. 16A493) (in andere zin: Vred. Thuin, 14 maart 2016, J.L.M.B. 2018, 66 terwijl de gelden worden gestort aan de leverancier en de overeenkomst "isolation Solar and Co" vermeldt; Vred. Aat, 21 december 2015, J.M.L.B. 2018, 62, en de kritische commentaar van ENGLEBERT M., "La crise du secteur des panneaux photovoltaïque : quelles conséquences pour les prêteurs et les emprunteurs.?", not onder Rb. Luik, 6 september 2016, J.L.M.B. 2018, 81).

    Deze interpretaties stroken met de intentie van de wetgever zoals uitgedrukt in de Memorie van toelichting van de wet van 13 juni 2010 tot wijziging van de wet van 12 juni 1991 op het consumentenkrediet (Parl. St., Kamer., Zitting 52, 2468/001, p. 43). Daarin wordt het feit uitgedrukt dat de uitzondering slechts van toepassing is in de gevallen waarbij de kredietgever onder geen enkele omstandigheid kan weten wie de verkoper is, laat staan wanneer de levering zal plaatsvinden.

    Artikel VII.91 zal dus van toepassing zijn, zelfs indien de overeenkomst niet uitdrukkelijk het gefinancierde goed of de gefinancierde dienst vermeldt, indien de kredietgever (of de bemiddelaar) in staat was om kennis te hebben van deze informatie en de ontstentenis van vermelding in werkelijkheid voortvloeit uit een onachtzaamheid van de kredietgever of de bemiddelaar bij het verzamelen van de informatie of bij het opstellen van de overeenkomst. Wanneer het een gelieerde kredietovereenkomst betreft, moeten de documenten een specifieke rubriek bevatten met de beschrijving van de te financieren dienst en de contante prijs ervan.

     

    Het aanvangspunt van de verplichtingen van de consument

    In het eerste lid van artikelen VII.91 en VII.147/5, wordt gesteld dat de verplichtingen van de consument van toepassing zijn vanaf de levering van het goed of de dienstverlening; het gaat om een opschortende voorwaarde. Deze heeft tot gevolg dat de kredietgever het kredietbedrag niet aan de verkoper mag overhandigen. Hij mag evenmin het kredietbedrag aan de consument overhandigen, aangezien zijn plichten voortvloeiend uit de overeenkomst zijn uitgesteld. Artikelen VII.91 en VII.147/5 bevatten een aanvullende voorwaarde op artikel VII.90 (of VII.147/3): de ondertekening van de kredietovereenkomst volstaat niet, daarnaast is een bewijs van levering van het goed of de dienstverlening vereist.

    Dat principe wordt door artikel VII.91, laatste lid, bevestigd: de krachtens de kredietovereenkomst verschuldigde rente gaat eerst in op de dag van deze kennisgeving.

    De burgerlijke sanctie van artikel (VII.202 [CK] – VII.214/2 [HKRB) , voorziet bovendien dat de consument wordt vrijgesteld van betaling van de intresten voor het deel van de betalingen die vóór de levering van het goed of de dienstverlening werden verricht, bij overtreding van artikel VII.91, eerste en vierde lid. Deze sanctie komt bovenop het mechanisme van artikel VII.91 dat de kredietgever verbiedt om enige terugbetaling te eisen voor de levering (Rb. Luik, 6 september 2016, J.L.M.B. 2018, 75).

    Geoordeeld dat hij, indien hij aan de kredietgever een door hem ondertekend attest van levering overmaakt terwijl de levering in werkelijkheid niet heeft plaatsgevonden, kan de consument de kredietgever vervolgens niet verwijten dat hij de geleende sommen heeft overgemaakt aan de verkoper overeenkomstig zijn eigen instructies (Vred. Thuin, 14 maart 2016, J.L.M.B. 2018, 66; Vred. Aat, 21 december 2015, J.L.M.B. 2018, 62) of de gelden te hebben overgemaakt aan de consument die op zijn beurt de verkoper betaald heeft. In dat geval is de consument gehouden tot terugbetaling van het krediet en moet hij zelf instaan voor de gevolgen van de ontstentenis van levering (Vred. Thuin, 14 maart 2016, J.L.M.B. 2018, 66; Vred. Aat, 21 december 2015, J.L.M.B. 2018, 62).

     

    Verkoop met opeenvolgende uitvoeringen

    Bij verkoop of dienstverlening met opeenvolgende uitvoeringen, stelt de wet dat de verplichtingen van de consument uitwerking krijgen vanaf de aanvang van de leveringen van het goed of de verlening van de dienst en ophouden te werken wanneer deze onderbroken worden. Dit is een afwijking van het principe van de relativiteit van de overeenkomsten (artikel 1165 B.W.). Indien de verkoopovereenkomst met opeenvolgende uitvoeringen wordt beëindigd, houdt de kredietovereenkomst op voor de toekomst. Zij blijft echter bestaan voor het deel van het krediet dat is opgenomen.

     

     

    Het probleem van goederen met een lange leveringstermijn (wagens enz.)

    Voor goederen waarvan de leveringstermijn varieert, kan de prijsevolutie van de producent problemen opleveren. Het kredietbedrag moet in de kredietovereenkomst worden bepaald en mag niet veranderen, zelfs niet indien beide partijen ermee instemmen of omwille van externe omstandigheden.

    Voor de verkoop op afbetaling en de financieringshuur bestaat een oplossing erin de levering binnen een bepaalde termijn in te stellen als een opschortende voorwaarde. Indien de levering niet binnen die termijn plaatsvindt, wordt de kredietovereenkomst ontbonden en moet een nieuwe overeenkomst worden gesloten.

     

     

    Bewijs van levering

    Wanneer de prijs aan de verkoper wordt overgemaakt, schrijft de wet voor dat de kredietgever vooraf een door de consument ondertekend leveringsbewijs moet ontvangen: De kennisgeving bedoeld in het tweede lid gebeurt op papier of een andere duurzame drager, onder meer een leveringsbewijs, dat door de consument gedagtekend en ondertekend moet zijn.

    De vormvoorschriften van de wet beperken zich tot een door de consument gedateerde en ondertekende vermelding. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat die vermelding op de bestelbon mag worden opgenomen. De kennisgeving moet door de consument zelf getekend worden en niet door een naaste of een buurman. De kredietgever moet het aan hem verstrekte bewijslevering verifiëren (Rb. Luik, 6 september 2016, J.L.M.B. 2018, 75). Zoals M. ENGLEBERT benadrukt ( "La crise du secteur des panneaux photovoltaïque : quelles conséquences pour les prêteurs et les emprunteurs?", J.L.M.B. 2018, 88), is het belangrijk in het achterhoofd te houden dat, in sommige situaties, talloze documenten tegelijkertijd ter ondertekening worden voorgelegd aan de consument, die zich niet altijd rekenschap geeft van de draagwijdte van hetgeen hij ondertekent. Om geen enkele fout te kunnen verweten, is het ongetwijfeld voorzichtiger voor de kredietgever om de duidelijkheid en de transparantie van het document dat hem wordt voorgelegd te onderzoeken om zich ervan te vergewissen dat de consument effectief de bedoeling heeft gehad om hem de levering ter kennis te brengen.  De rechtbank van eerste aanleg van Luik wijst op een fout van de kredietgever die niet heeft vastgesteld dat het overhandigde attest onrealistisch was gelet op de chronologie van de prestaties (Rb. Luik, 6 september 2016, J.L.M.B. 2018, 75). Indien de consument het attest niettemin ondertekent terwijl de levering niet heeft plaatsgevonden, moet hij alleen instaan voor de gevolgen die voortvloeien uit het feit dat de levering nooit zal gebeuren omwille van het faillissement van de leverancier (Vred. Thuin, 14 maart 2016, J.L.M.B. 2018, 66; Vred. Aat, 21 december 2015, J.L.M.B. 2018, 62; beslissingen die bekritiseerd worden door M. ENGLEBERT in voormelde noot).

    De kredietgever mag het kredietbedrag niet overhandigen aan de verkoper op basis van een factuur die niet werd ondertekend door de consument, alsook op basis van documenten die alleen maar werden ingevuld door de consument om een fiscale bonificatie te genieten (Rb. Luik, 6 september 2016, J.L.M.B. 2018, 75, noot ENGLEBERT M.).   

                                

    Uitstel van het lopen van de intresten en sancties

    Artikelen VII.91 et VII.147/5, laatste lid, stellen dat de krachtens de kredietovereenkomst verschuldigde rente pas ingaat op de dag van de kennisgeving van de levering. De kredietgever die per vergissing het kredietbedrag stort vóór de levering of de dienstverlening, kan dus niet rekenen op een compenserende interest.

    Voor consumentenkredieten kunnen de consumenten de sanctie voorzien in artikel VII.198, (vrijstelling van terugbetaling) toepassen. Voor hypothecaire kredieten is de sanctie voorzien door artikel VII.214/2 : De consument is ontslagen van de intresten voor het gedeelte van de betalingen vóór de levering van het goed of de dienstverlening, verricht in strijd met de bepalingen van artikel VII.147/5, eerste en vierde lid.

    Indien echter blijkt dat de levering nooit plaats zal kunnen vinden, moet de verkoopovereenkomst worden ontbonden en kan de kredietgever van de consument niet eisen dat deze de bedragen die hij aan de verkoper zou hebben overgemaakt, terugbetaalt. Indien de consument intresten heeft betaald op de bedragen vóór de levering, mag hij vragen daarvan te worden vrijgesteld overeenkomstig artikel VII.198 of VII.214/2.

     

    Advies van de administratie:

    • De bepaling in de kredietovereenkomst waardoor de consument verklaart het voertuig in ontvangst te hebben genomen (met datum en handtekening) is in strijd met artikel 19 WCK [VII.91]. Daarvoor is namelijk een van de overeenkomst onderscheiden schriftelijk document vereist.
    • Het is niet mogelijk enerzijds te bepalen dat de geleende bedragen pas ter beschikking worden gesteld wanneer de termijn bepaald in artikel 18 [VII.83] is verstreken (bedenktermijn) en anderzijds te bepalen dat de eerste betaling moet plaatsvinden 30 dagen na ondertekening van de overeenkomst. Een dergelijke bepaling is in strijd met artikel 32, 4° WHP [VI.83, 4°], aangezien de kredietgever eenzijdig beslist wanneer de overeenkomst zal worden uitgevoerd. Dat impliceert in de praktijk dat de intresten zouden kunnen worden berekend op het kapitaal dat niet ter beschikking van de consument werd gesteld.
    • Een overeenkomst waarin wordt bepaald dat de consument aan de kredietgever een cheque voor de eerste maandelijkse betaling overhandigt, die de kredietgever echter pas een maand na de levering zal innen, voldoet niet aan de vereiste van artikel [VII.91]: de datum van overhandiging van de cheque is bepalend en niet de datum van inning ervan.