www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.108 : Reglementering van het beding van eigendomsvoorbehoud

     

    Artikel VII.108

    § 1. Onverminderd de toepassing van § 2, wanneer de consument reeds sommen gelijk aan ten minste 40 % heeft betaald van de prijs bij contante betaling van een goed dat het voorwerp is, hetzij van een beding van eigendomsvoorbehoud, hetzij van een pandbelofte met onherroepelijke volmacht, kan dit goed niet worden teruggenomen dan op grond van een gerechtelijke beslissing, of van een schriftelijke overeenkomst, gesloten na een ingebrekestelling bij een aangetekende zending.
      De kredietgever moet binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de verkoopsdatum van het gefinancierde goed de verkregen prijs ter kennis brengen van de consument en hem het teveel gestorte terugstorten.
      § 2. Wanneer een consument, in het raam van een financieringshuur, 40 pct. of meer van de prijs bij contante betaling van een lichamelijk roerend goed betaald heeft, kan hij slechts eisen het bezit van het goed te bewaren op grond van een uitdrukkelijk akkoord tussen de partijen, gesloten na de totstandkoming van de kredietovereenkomst of bij beschikking van de rechter.
      § 3. In geen geval mag een lastgeving of een akkoord gesloten met het oog op de terugname van een goed gefinancierd door een kredietovereenkomst leiden tot een ongerechtvaardigde verrijking.

     

    De terugname van het gefinancierde goed bij de niet-uitvoering van de kredietovereenkomst

    Wanneer de consument een betalingsachterstand heeft, zal de kredietgever met naleving van de wettelijke voorwaarden proberen zijn vordering te innen.

    Indien het krediet is bestemd voor de financiering van de aankoop van een goed, bestaat een van de oplossingen erin het gefinancierde goed terug te nemen om het te verkopen. Wanneer de eigendom van het goed nog niet aan de consument is overgedragen, mag volgens het gemeen recht de verkoper het goed in der minne terugnemen, of, indien de schuldenaar zich hiertegen verzet, een procedure inleiden ter terugvordering van het goed.

    Artikel VII.108 bepaalt de voorwaarden en modaliteiten waarbij een gefinancierd goed door de kredietgever mag worden ingevorderd bij in gebreke blijven van de consument. Om te vermijden dat te snel naar die maatregel wordt gegrepen, wordt in artikel VII.108, bepaald dat wanneer de consument 40% van de prijs bij contante betaling van een goed heeft betaald, dat het voorwerp uitmaakt van een beding van eigendomsvoorbehoud of een pandbelofte met onherroepelijke volmacht, dit goed enkel door de kredietgever mag worden teruggenomen op grond van een gerechtelijke beslissing of middels een schriftelijke overeenkomst, gesloten na een ingebrekestelling bij ter post aangetekend schrijven.

     

    Beding van eigendomsvoorbehoud of pandbelofte met onherroepelijke volmacht

    Artikel VII.108 is van toepassing telkens de kredietgever het gefinancierde goed wil terugnemen krachtens een beding van eigendomsvoorbehoud. Deze bepaling kan zijn opgenomen in het contract van verkoop op afbetaling of in een overeenkomst voor contante verkoop waarvoor de kredietgever, derde bij de verkoop, een betaling heeft verricht met indeplaatsstelling bij de storting van het bedrag van de lening aan de verkoper. Artikel VII.108 is eveneens van toepassing, volgens zijn omschrijving, op de terugname van het goed krachtens een pandbelofte met onherroepelijke volmacht. Deze veronderstelling was niet voorzien in 1991 en werd door de wetgever in 2003 toegevoegd.

     

    Beschermingsvoorwaarde: ten minste 40% van de prijs bij contante betaling hebben betaald

    De bescherming bepaald in artikel VII.108, is slechts van toepassing in zoverre de consument bedragen heeft betaald gelijk aan ten minste 40% van de prijs bij contante betaling. Deze voorwaarde was reeds opgenomen in de wet van 1991. De rechtsleer stelde zich toen de vraag of, om aan deze voorwaarde te voldoen, niet enkel rekening moest worden gehouden met het vereffende kapitaalgedeelte of dat de consument zich daarentegen kon beroepen op alle betalingen verricht in hoofdsom, intresten en andere bijkomende kosten. Rekening houdend met het feit dat de prijs bij contante betaling echter noodzakelijk een prijs in kapitaal is, moest worden afgeleid dat enkel met het kapitaalgedeelte van de verrichte betalingen rekening moest worden gehouden om te bepalen of de grens van 40% is bereikt. Er werd ook gewezen dat het was de enige oplossing om op objectieve wijze te bepalen welk bedrag “reeds betaald” moet zijn om te kunnen genieten van de bescherming van artikel 33bis, zonder dat dit bedrag afhankelijk is van het door de kredietgever toegepaste percentage (R. STEENNOT, « De totstandkoming en de inhoud van de overeenkomst onder de nieuwe Wet consumentenkrediet », D.C.C.R., 2004, p. 36).

    In tegenstelling met het voorgaande, heeft de burgerlijke rechtbank van Luik geoordeeld dat men rekening moest houden met alle betalingen die reeds door de consument uitgevoerd waren, zonder een onderscheid te maken tussen een gedeelte in kapitaal en een gedeelte in interesten (Luik, 29 september 2009, Jaarboek Kredietrecht 2009, 63). De rechtbank steunt haar beslissing op de door de wetgever beoogde doelstelling en acht dat het feit dat 40% van het kapitaal nog niet betaald werd, niet pertinent is wanneer de bepaling betrekking heeft op “de betaalde sommen” in het algemeen en zelf geen onderscheid doorvoert.

     

    Rechten van de consument wanneer hij niet minstens 40% van de prijs bij contante betaling heeft betaald

    De kredietgever kan een procedure van beslag tot terugvordering instellen. Het goed kan in dat geval slechts rechtstreeks worden verkocht ten gevolge van een beslissing ten gronde. De consument krijgt dus de kans om zijn argumenten voor een rechter aan te voeren vooraleer het goed wordt verkocht.

    De Vrederechter van Moeskroen heeft de vordering van de kredietgever die de veroordeling van een consument tot betaling van een dwangsom bij gebreke aan teruggave van het voertuig, waarop de kredietgever het eigendomsrecht heeft voorbehouden, verzocht, afgewezen (Vred. Moeskroen- Komen- Warneton, 16 maart 2009, Jaarboek Kredietrecht 2009, 82). De beslissing stelt vast dat de dwangsom ertoe strekt om de uitvoering van een verplichting te bekomen maar niet op zich een hoofdvordering kan zijn. De rechter heeft geoordeeld dat de vordering ook niet gerechtvaardigd was gelet op de gegeven omstandigheden (voertuig van 5 jaar oud en met beperkte residuele waarde).

    De Vrederechter van Verviers-Herve herinnert eraan dat de terugname van een voertuig dat op afbetaling werd verkocht een verrichting blijft die inbegrepen zit in het kader van de uitvoering van de overeenkomst en zodus onderworpen blijft aan de verplichting tot goede trouw, opgelegd door art. 1134, al. 3 van het B.W. (Vred. Verviers-Herve, 7 juni 2011, Ann. Jur. 2011, p. 45; J.L.M.B. 2012, 229). Het gefinancierde voor een zeer laag prijs verkopen, vormt een verergering van de schuld van de schuldenaar, die dus niet meer wordt gedekt, of in mindere mate, door een verminderd pandrecht van de schuldeiser. De sanctie van dergelijk gedrag, uiteraard defect, is om een eerlijke waarde van het verkochte te behouden.

     

     

    Formele voorwaarden voor de terugname van het goed

    Wanneer aan de toepassingsvoorwaarden van VII.108 is voldaan, kan de terugname enkel plaatsvinden na schriftelijke instemming van de consument, die moet worden voorafgegaan door een aangetekende ingebrekestelling vanwege de kredietgever. Indien de consument schriftelijk weigert in te stemmen met de terugname van het goed, moet de kredietgever zich tot een rechter wenden om de toestemming te verkrijgen het goed terug te nemen.

    Zo zijn drie stappen voorzien:

    • de kredietgever moet de consument bij ter post aangetekend schrijven in gebreke stellen hem het goed terug te geven;
    • na deze ingebrekestelling moet de kredietgever de schriftelijke toestemming van de consument verkrijgen;
    • indien de consument niet reageert, moet de kredietgever voor de rechtbank de toestemming verkrijgen om het goed aan te slaan of terug te nemen.

    Wanneer hij de toestemming van de rechter vraagt, vraagt de kredietgever tegelijk de veroordeling van de consument tot betaling van de verschuldigde bedragen en de veroordeling tot teruggave van het gefinancierde voertuig. Als er recht wordt gedaan aan deze vordering, zal de beslissing de kredietgever toelaten om het voertuig in bezit te nemen, waar het zich ook bevindt, indien nodig met behulp van de gerechtsdeurwaarder en de openbare macht op kosten en op risico van de verwerende partij (Vred. Moeskroen - Komen - Warneton, 16 maart 2009, Jaarboek Kredietrecht 2009, 82.).

     

    Bescherming van de consument bij financieringshuur

    Artikel VII.108, § 2, WER, regelt de terugname van het gefinancierde goed bij financieringshuur. Bij deze kredietovereenkomst verschillen de waarborgen die aan de consument worden gegeven, die reeds ten minste 40% van de prijs bij contante betaling van het goed heeft betaald, van die uit artikel VII.108.

    Bij de financieringshuur is het namelijk aan de consument, gelast met de teruggave van het goed aan de kredietgever of onder dreiging van een beslag tot terugvordering, om een minnelijk akkoord te sluiten met de kredietgever of, bij gebrek daaraan, een rechterlijke beslissing te bekomen waardoor hij het goed mag behouden.

    De situatie is dus omgekeerd in vergelijking met de toepasselijke regeling bij consumentenkredieten met beding van eigendomsvoorbehoud ten gunste van de kredietgever, waarbij die laatste een rechtszaak moet inspannen om het gefinancierde goed te mogen terugnemen. Indien de kredietgever niet akkoord gaat, moet de consument zich dus wenden tot de rechter en het onrechtmatige karakter van de terugname van het gefinancierde goed aantonen. Eigenlijk gaat het om een oplossing die niet verschilt van de gemeenrechtelijke oplossing waarbij de consument, zelfs wanneer hij geen 40% van de prijs bij contante betaling van het gefinancierde goed heeft betaald, reeds de mogelijkheid heeft een akkoord met de kredietgever te verkrijgen of een gerechtelijke beslissing aan te vragen.

     

    Verbod op ongerechtvaardigde verrijking

    Artikel VII.108, lid 2, verbiedt elke ongerechtvaardigde verrijking door de kredietgever. In de parlementaire voorbereiding van de wet de 1991 staat in verband met het begrip ongerechtvaardigde verrijking te lezen dat "De Minister legt uit dat dit begrip is ontleend aan artikel 7 van de Europese richtlijn van 22 december 1986 (1987/102/CEE). Het komt neer op een toestand waarbij de kredietgever, bijvoorbeeld, een wagen zou terugnemen en hiervoor 50 000 frank zou aftrekken van de openstaande schuldvordering om naderhand de wagen te verkopen tegen 100 000 frank of bijvoorbeeld de wagen zou doorverkopen aan een familie- of personeelslid tegen een prijs beneden de marktwaarde" (Parl. St., Senaat, 1989-1990, nr. 916/2, p. 147).

    Teneinde de consument toe te laten te controleren of aan deze voorwaarde is voldaan, bepaalt artikel VII.108, tweede lid, dat de kredietgever binnen een termijn van dertig dagen te rekenen vanaf de verkoopdatum van het gefinancierde goed de verkregen prijs ter kennis moet brengen van de consument en hem het teveel gestorte moet terugstorten. Deze verplichting tot kennisgeving van de prijs aan de consument is ook van toepassing bij financieringshuur (C. BIQUET-MATHIEU, « Aperçu de la loi relative au crédit à la consommation après la réforme du 24 mars 2003 », Chronique de droit à l’usage des juges de paix et de police, nr. 42, Luik, 24 januari 2004, p. 184).

    Het verbod op de ongerechtvaardigde verrijking verbiedt niet dat de kredietgever de kosten die hij heeft moeten aangaan voor de procedure van de verkoop, inhoudt op de gerealiseerde prijs (Vred. Moeskroen - Komen - Warneton, 16 maart 2009, Jaarboek Kredietrecht 2009, 82 - kosten voor de terugname van het voertuig; Vred. Verviers, 30 maart 2009, Jaarboek Kredietrecht 2009, 96 (samenvatting) – kosten tot immobilisatie, herstelling en verkoop). Het spreekt voor zich dat de kredietgever de aangegane kosten moet kunnen rechtvaardigen en de overeenstemmende facturen moet kunnen overmaken.  

    Herverkoop aan een veel te lage prijs, inbreuk op de verplichting om te goeder trouw te handelen.

    • Er werd geoordeeld dat, wanneer de kredietgever, in de plaats gesteld van de rechten van de verkoper, de zaak die hij van de consument heeft teruggenomen aan een zeer lage of duidelijk ontoereikende prijs verkoopt in uitvoering van een beding van eigendomsvoorbehoud, hij de waarde van het goed, dat dient tot waarborg van zijn schuldvordering, op ongeoorloofde wijze doet dalen, de verplichting van goede trouw schendt, die aan de contracterende partijen is opgelegd krachtens artikel 1134, derde lid, van het Burgerlijk Wetboek alsook de verplichting van elke schuldeiser om alles in het werk te stellen teneinde de schuld van zijn schuldenaar niet te verzwaren (Vred. Verviers I – Herve, 19 november 2002, Jaarboek Kredietrecht 2002, 175).
    • In hoofde van de schuldeiser is het niet correct om het voertuig te koop aan te bieden tegen een gegeven prijs (in het kader van een eenzijdige schatting), zonder op zijn minst voorafgaandelijk de schuldenaar te hebben geïnformeerd over de prijs (bij gebreke aan het bekomen van zijn akkoord). Om de juiste waarde van het teruggenomen voertuig te beoordelen, mag men zich niet op de aflossingstabel van het krediet steunen. De juiste waarde van het voertuig moet bepaald worden, rekening houdend met de aankoopprijs zonder BTW, de vermindering van de waarde die algemeen wordt aangenomen rekening houdend met de leeftijd van het voertuig, het aantal verbruikte kilometers, en de eventuele waardeverminderingen die het voertuig heeft ondergaan. Deze juiste prijs, die zo wordt bepaald zal worden toegerekend aan de schuld in kapitaal van de consument (Vred. Verviers-Herve, 7 juni 2011, Jaarboek Kredietrecht 2011, p. 45 met noot van Loiseau O.). Het ritme van de aflossing stemt niet overeen met de aflossingstabel, die dus niet als een berekeningsbasis kan dienen. (Ibid.).
    • Het beding van eigendomsvoorbehoud moet te goeder trouw in uitvoering worden gebracht. Men kan de kredietgever niet verwijten het teruggenomen voertuig te hebben verkocht aan een professioneel, via het netwerk van een concessionaris van het merk. Maar de kredietgever legt geen ander document neer waaruit de ernst van de aanbestedingen kan beoordeeld worden. De bekomen prijs lijkt belachelijk laag te zijn, rekening houdend met de aankoopprijs van het voertuig en de verlopen tijd. De waarden die door de borg zijn verzameld op de Moniteur de l’automobile, tonen aan dat de waarde van het voertuig meer bedroeg (bijna het dubbele). De verrichting lijkt dus twijfelachtig, des te meer nu de consument niet werd ingelicht en gezien de consument niet de mogelijkheid werd geboden om een hogere prijs te bekomen (Rb. Brussel, 2 december 2013, J.L.M.B., 2016, 495).

     

     

    Sanctie

    Artikel VII.207 voorziet een burgerlijke sanctie: Indien het lichamelijk roerend goed in strijd met de bepalingen van artikel VII. 108 wordt teruggenomen, is de kredietovereenkomst ontbonden. De kredietgever is ertoe gehouden de gestorte bedragen binnen de dertig dagen volledig terug te betalen. Deze sanctie is zowel van toepassing op de formaliteiten voorafgaand aan de terugname van het goed als dusdanig (ingebrekestelling, schriftelijk akkoord of toelating door de rechter) als op de formaliteiten die bij de verkoop van het goed van toepassing zijn (kennisgeving aan de consument van de verkregen prijs, verbod op ongerechtvaardigde verrijking)

    De rechtbank van eerste aanleg van Luik heeft de nadruk gelegd dat het een sanctie ten aanzien van de kredietgever betreft, wat impliceert dat de verkoop op zich niet nietig is. De consument moet dus het saldo van het krediet niet terugbetalen (afgetrokken van de verkoopprijs van het teruggenomen goed) (Luik, 29 september 2009, Jaarboek Kredietrecht 2009, 63).

    De niet naleving van art. VII.108 wordt bestraft door art. XV.90, 4°.

     

    Voorbeelden - adviezen van de administratie

    • De kredietgever mag geen mondeling akkoord inroepen, dat is onvoldoende ten aanzien van het schriftelijke akkoord dat volgens de wettekst is vereist; bovendien wijst een mondeling akkoord niet altijd op een weloverwogen akkoord. De consument kan zijn overtuigd onder druk van de kredietgever of hebben gehandeld uit vrees voor de gevolgen van een weigering ten gevolge van de aangetekend verzonden ingebrekestelling. Indien enkel een mondeling akkoord kan worden ingeroepen, is de sanctie van artikel 98 [VII.207] van toepassing.
    • De wettekst verbiedt niet dat de overeenkomst een volmacht voorziet ten gunste van de verkoper van het goed. Dergelijke bepalingen komen vaak voor: "Indien de consument zijn verplichtingen niet nakomt, geeft hij de kredietgever nu een onherroepelijk mandaat om de voorwerpen in zijn bezit te produceren en de prijs te innen. Bovendien machtigen zij de kredietgever om de wederverkoopprijs en de nog verschuldigde bedragen te compenseren". Men kan echter het nut van een dergelijke bepaling in twijfel trekken. De bepaling veronderstelt de voorafgaande ontbinding van de kredietovereenkomst die enkel kan plaatsvinden mits naleving van artikel 29, van de wet. Anderzijds kan het onherroepelijke karakter van de volmacht aanleiding geven tot discussie, daar de partijen immers tegengestelde belangen hebben (zie Bergen, 25 maart 1986, rev. not. b. 1986, 285) en daar in elke geval de teruggave van het voertuig slechts kan plaatsvinden in uitvoering van een gerechtelijk vonnis of een schriftelijk akkoord van de consument, na de ingebrekestelling.
    • Het beding van eigendomsvoorbehoud in het kader van een lening op afbetaling die is toegestaan om de aankoop van een goed te financieren, is slechts geldig voor zover de contante verkoper zich het eigendomsrecht heeft voorbehouden en er sprake is van een daadwerkelijke indeplaatsstelling van de kredietgever in de rechten van de verkoper.

     

    .