www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.86, § 2 : De regel v/h verbod om de overeenkomst te wijzingen - Uitzonderingen

     

    Artikel VII.86, § 2

      § 2. Behoudens de uitzonderingen bedoeld in dit artikel met betrekking tot de veranderlijkheid van de debetrentevoet en de kosten van opnemen van contanten via een geldautomaat en, onverminderd de toepassing van artikel VII. 3, § 3, 6°, wordt elk beding dat er toe strekt de voorwaarden van de kredietovereenkomst te wijzigen voor niet geschreven gehouden.

     

    Ontstaan

    De initiële tekst van de wet van 1991 verbood bedingen die de kredietgever toelaten om de bedingen van de overeenkomst eenzijdig te wijzigen. Een auteur had hieruit afgeleid dat de bedingen die een wijziging toelaten, die niet afhankelijk zijn van de wil van de kredietgever maar van een extern element zoals een referentie index, wel toegelaten zijn. Deze stelling werd betwist door anderen. De hervormingswet van 2003 heeft dus de tekst verduidelijkt en het woord eenzijdig weggelaten (zie memorie van toelichting). De verboden bedingen zijn dus niet alleen degenen waarmee de kredietgever zich eenzijdig het recht behoudt om een voorwaarde van de overeenkomst te wijzigen, maar meer algemeen elk beding dat een wijziging van de contractuele voorwaarden zou toelaten, zelfs onafhankelijk van de wil van de partijen.

     

    De fundamentele regel – verbod op elke wijziging van de voorwaarden van een krediet zelfs met wederzijds akkoord

    De memorie van toelichting van de wet van 24 maart 2003 duidt erop dat de draagwijdte van de tekst in werkelijkheid veel ruimer is. In werkelijkheid sluit zij aan bij het perspectief van het geheel van de mechanismes van de consumentenbescherming uitgevoerd rond de ondertekening van de overeenkomst. Het zijn mechanismes die moeten hernomen worden voor elke wijziging van de overeenkomst: de wijziging van bedingen en voorwaarden van het krediet verplicht bijgevolg het sluiten van een nieuwe kredietovereenkomst.

    De memorie van toelichting bevestigt zeer duidelijk het principieel verbod van de wijziging, zelfs met wederzijds akkoord (zie de bespreking van de memorie van toelichting).

    Het verbod op een beding die een eenzijdige wijziging zou toelaten is eigenlijk slechts een versterking van dit principe. De overeenkomst in geen geval worden gewijzigd, zelfs niet als een beding die werd overeengekomen bij het sluiten van de overeenkomst, dit zou toelaten.

     De geest en de formalistische logica van de wet van 1991 leggen deze interpretatie die reeds door bepaalde uitleggers van de initiële tekst werd ondersteund op. Het is ondenkbaar dat het strenge formalisme zou vereist zijn voor het sluiten van de overeenkomst, maar dat de partijen ervan zouden bevrijd zijn bij het sluiten van een later akkoord die de voorwaarden van de initiële verbintenis zou wijzigen, terwijl deze wijziging bovendien veel zwaardere verplichtingen in hoofde van de consument zou kunnen teweegbrengen.

    Hieruit volgt dat elke wijziging van de overeenkomst – zelfs met wederzijds akkoord- verboden is en de bedingen die een wijziging van de voorwaarden zouden toelaten, zelfs onafhankelijk van de wil van de partijen, als ongeschreven worden beschouwd.

    De uitzonderingen

    De enige uitzonderingen op het beginsel van de onveranderlijkheid van de overeenkomst inzake consumentenkrediet zijn opgenomen in artikel VII.86. Het betreft :

    Advies van de administratie

    • Het is verboden te voorzien in een mogelijkheid van kredietverhoging of -vermindering. De wijziging van het kredietbedrag mag pas gebeuren nadat het krediet werd beëindigd en een nieuwe overeenkomst werd ondertekend waarbij de door de wet bepaalde formaliteiten werden nageleefd;
    • De mogelijkheid van indexering van de kosten waarin wordt voorzien in de overeenkomst is in strijd met de wet van 1991 vermits zij een eenzijdige wijziging van de overeenkomst door de kredietgever toelaat.  Dit soort beding wordt voor niet geschreven gehouden in overeenstemming met artikel 30 WCK [VII.86].