www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VII.80 tot VII.82 : Bijzondere bepalingen voor overeenkomsten voor financieringshuur

     

     

    Artikelen VII.80 tot VII.82

     
     
     

    Het lichten van de optie

    Ratio legis: de huidige formulering van de artikel VII.80 is het resultaat van een wijziging aangebracht door de wet van 24 maart 2003. In de oorspronkelijke versie omvatte de tekst gewoon de twee eerste zinnen van het artikel en bleek dat vele consumenten het nalieten de koopoptie te lichten terwijl bepaalde kredietgevers bepalingen voor stilzwijgende verlenging invoegden bij een gewone huur van een goed, waardoor ze “huur” inden voor goederen die sinds lange tijd reeds economisch waren afgelost en terugbetaald. De voorgestelde toevoeging bij artikel 47[VII.80], van de wet, wil aan deze praktijk een einde stellen. Op het einde van de looptijd van de financieringshuur zal de consument derhalve, voor zover hij de aankoopoptie niet heeft gelicht, het gefinancierde goed moeten terugbrengen naar de kredietgever en, in voorkomend geval, op dat ogenblik, een nieuwe huurovereenkomst onderhandelen (Memorie van Toelichting, Parl. St. , Kamer, 2001-2002, 1730/1,34).

    Commentaar: financieringshuur kenmerkt zich door zijn beperking in de tijd. De overeenkomst wordt dus beëindigd wanneer de vervaldatum is bereikt of wanneer de optie wordt gelicht indien de consument dat wenst. Wat gebeurt er als de consument niet reageert wanneer de vervaldatum is bereikt, ondanks de verzending van de aangetekende brief waarin de consument wordt uitgenodigd de optie te lichten? Indien een aanmaning om het goed terug te geven zonder gevolgen blijft, mag de kredietgever ervan uitgaan dat het gedrag van de consument de uitdrukking is van zijn wil om het goed te behouden en dus de koopoptie te lichten. Hij zal bijgevolg de consument vervolgen voor de betaling van de prijs van de optie, vermeerderd met nalatigheidsinteresten.

     

     

    Vermeldingen in de overeenkomst

    Het totale door de consument terug te betalen bedrag : Artikel VII.78, § 1,3de alinéa laat de consument zijn handtekening voorafgaan door de vermelding van het totale door de consument terug te betalen bedrag. Volgens artikel I.1, 66° omvat het totale door de consument te betalen bedrag, de som van het kredietbedrag en de totale kosten van het krediet voor de consument met inbegrip van de te betalen residuele waarde van het goed bij het lichten van de koopoptie.

    Om het terug te betalen bedrag door de consument te kunnen berekenen, dient men dus het kredietbedrag te bepalen. Artikel VII81, § 1 past de definitie van art. I.9, 66° aan aan de financieringshuur: de contante prijs van het lichamelijk roerend goed, verminderd met het BTW-bedrag, dat in financierinsghuur wordt aangeboden. De prijs van bijkomende dienstverrichtingen is, wanneer die ter financiering worden aangeboden, verminderd met het BTW-bedrag en onverminderd de toepassing van artikel VII.87, eveneens begrepen in het kredietbedrag. In dat geval vermeldt het contract ook de prijs van de samenstellende delen van het kredietbedrag.

     Wat is de restwaarde: De restwaarde of residuele waarde is  de aankoopprijs bij de lichting van de koopoptie of de eigendomsoverdracht, zoals bepaald in artikel  VII.81, § 2, van de wet. Het gaat dus om het bedrag dat de consument moet betalen opdat de eigendom aan hem wordt overgedragen.

    Hoe het totale bedrag aangeven in geval van veranderlijkheid tijdens de uitvoering van de overeenkomst: De modaliteiten van de overeenkomst kunnen de lichting van de optie voorzien op het einde van de overeenkomst, op bepaalde tijdstippen, of zelfs op elk ogenblik. Het spreekt voor zich dat de residuele waarde dus varieert en kleiner wordt naarmate het einde van de kredietovereenkomst nadert.

    Omgekeerd zal het bedrag als huur hoger zijn indien de optie op het einde van de overeenkomst wordt gelicht. Het totale te betalen bedrag hangt dus af van een op het ogenblik van de totstandkoming van de overeenkomst onbekende parameter, te weten of de consument de optie al dan niet licht en wanneer hij dat doet. De wet legt in dat opzicht veronderstellingen op voor de aanduiding van het totale terug te betalen bedrag.

    • Bij onzekerheid wat betreft het ogenblik waarop de optie wordt gelicht:
      de koopoptie op verschillende tijdstippen kan worden gelicht vermeldt de kredietovereenkomst het totale bedrag van de betalingen op het ogenblik dat de optie de eerste en de laatste maal wordt gelicht. Met andere woorden, de kredietovereenkomst moet melding maken van de twee totale terug te betalen bedragen berekend op basis van de meest extreme veronderstellingen.

    • Bij onzekerheid wat betreft de residuele waarde:
      indien bij het sluiten van de kredietovereenkomst de residuele waarde slechts kan worden bepaald met behulp van parameters, moet de kredietovereenkomst, enerzijds, het totale bedrag van de betalingen vermelden, anderzijds, de minimale en maximale residuele waarde berekend op basis van deze parameters die de consument moet betalen bij het lichten van de koopoptie.
      De overeenkomst maakt dus melding van de twee extreme residuele waarden.

    • Wat als de twee parameters veranderlijk zijn (ogenblik en waarde):
      de logica van de wet verplicht in dergelijke gevallen de totale bedragen (op grond van twee extreme veronderstellingen) en de extreme residuele waarden afzonderlijk te vermelden.

     

    Wanneer de koopoptie stilzwijgend is en de overeenkomst geen berekeningswijze aangeeft: Wanneer de residuele waarde niet in de kredietovereenkomst is aangegeven, wat overeenkomt met de veronderstelling waarin de residuele waarde afhangt van parameters die bij de totstandkoming van de overeenkomst onbekend zijn, verplicht het KB van 14 september 2016, (art. 4, § 1, 3de al.) ervan uit te gaan dat de gehuurde zaak het voorwerp uitmaakt van een lineaire aflossing waardoor de waarde op nul wordt gesteld op het einde van de normale duur van de huur zoals bepaald in de kredietovereenkomst. Indien andere parameters veranderlijk zijn, moet een beroep worden gedaan op de veronderstellingen die zijn toegestaan door artikel 4, § 2 van het KB om een representatief voorbeeld op te stellen waardoor een JKP kan worden berekend. (Zie de voorbeeld in bijlage 1 van het KB). Indien de duur van de overeenkomst afhangt van de beslissing van de consument, bepaalt artikel 4, § 4, KB (in fine): wanneer de financieringshuur verschillende tijdstippen voorziet waarop de koopoptie kan gelicht worden, wordt het jaarlijkse kostenpercentage berekend voor elk geval afzonderlijk.

    Advies van de administratie

    • Betreffende een verhuurder die van de consument de betaling van taksen vorderde voor het gebruik van het goed dat in financieringshuur werd gegeven (taksen voor het gebruik van een tv) geeft de administratie aan dat het bedrag van die taksen geen deel uitmaakt van de totale kosten van het krediet. Dat bedrag mag niet worden inbegrepen in de berekening van de betalingsachterstand en kan geen registratie bij de Centrale voor Kredieten rechtvaardigen.

    • De kredietgever eiste van de consument een betaling die werd voorgesteld als een voorschot, en dit voordat de overeenkomst werd gesloten. De administratie lichtte toe dat het begrip voorschot niet mag worden gebruikt voor een financieringshuur en dat deze eerste betaling slechts mocht plaatsvinden bij de levering van het goed en ten vroegste bij de ondertekening van de overeenkomst indien de levering gelijktijdig met de ondertekening van de overeenkomst plaatsvond. De administratie benadrukte eveneens dat deze eerste betaling moet worden afgetrokken van het kredietbedrag en moet worden beschouwd als een betaling door de consument als terugbetaling van het krediet op het tijdstip nul.
     

    Zakelijke zekerheid bij een financieringshuur

     
    De enige zakelijke zekerheid die de kredietgever die een financieringshuur toestaat, van de consument mag eisen, is een gelddeposito bij een erkende kredietinstelling op een termijnrekening. Hij mag bovendien geen krediet toestaan om deze zekerheid te vormen bij toepassing van artikel VII.87, § 2 WER. De regeling wijkt niet af van het verbod van artikel VII.87. Het deposito moet dus door de consument worden samengesteld met eigen financiële middelen.
     
    De pandrekening moet worden geopend bij een kredietinstelling en daardoor bij een derde, aangezien geen enkele kredietinstelling de activiteit van kredietgever uitoefent in het kader van financieringshuur. De intresten maken, zoals in het gemeen recht, deel uit van het pand waarvan ze het bedrag verhogen door kapitalisatie. Het Wetboek voorziet dat de kredietgever enkel over de zekerheid kan beschikken na een schriftelijk akkoord van de consument, nadat de betalingsachterstand een feit is geworden (of na de termijn van de kredietovereenkomst) of ingevolge een gerechtelijke beslissing die ten minste bij voorraad uitvoerbaar moet zijn, niettegenstaande verzet of hoger beroep en zonder borgstelling noch beperking van de rechtsgevolgen.