XV. 86/1 - XV.91 : De strafsancties

Artikel XV.86/1

XV.86/1 sancties niveau 2

De bepaling

Article XV.86/1

Sont punis d’une sanction de niveau 2 ceux qui enfreignent les dispositions des articles VII.64, VII.65, VII.123 et VII.124 concernant la publicité.

Commentaar

Hoogte van de strafmaat: niveau 2

De bovenstaande inbreuken worden gesanctioneerd met een strafsanctie van niveau 2. De omschrijving van de strafmaat vindt men terug in artikel XV.70, § 1, 2° WER. Die sanctie bestaat uit een geldboete van een minimumbedrag van 26 euro tot een maximumbedrag van 10 000 euro of tot 4 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt.

De genoemde geldbedragen met uiteraard verhoogd worden met de toepasselijke strafrechtelijke opdeciemen. In 2025 bedragen zij een factor 8. Concreet moeten de opgelegde geldboeten dus vermenigvuldigd worden met 8, het minimumbedrag is vandaag dus gelijk aan 208 euro en het maximumbedrag is gelijk aan 80 000 euro of, indien hoger, het maximumbedrag berekend op basis van de totale jaaromzet.

Bij grensoverschrijdende inbreuken mag men bij het bepalen van de strafmaat, en in het bijzonder bij de berekening van het maximumbedrag op basis van de totale jaaromzet ook rekening houden met de de jaaromzet die verwezenlijkt werd in de andere landen waar de inbreuk is begaan (art. XV.70, § 2, 2e lid WER). Indien er geen informatie is over het bedrag van de totale jaaromzet, dan geldt een maximumbedrag van 2 miljoen euro (art. XV.70, § 2, 1ste lid WER).

Bepaling van de strafmaat

Bij het bepalen van de strafmaat houdt men o.a. rekening met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

  1. de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk;
  2. de door de kredietgever of -bemiddelaar genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen;
  3. de eerdere inbreuken van de kredietgever of -bemiddelaar;
  4. de door de kredietgever of -bemiddelaar als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen, als daarover relevante informatie beschikbaar is;
  5. de sancties die in grensoverschrijdende zaken in andere lidstaten aan de onderneming zijn opgelegd voor dezelfde inbreuk, wanneer informatie over dergelijke sancties beschikbaar is via het bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad opgericht mechanisme;
  6. de andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak (art. XV.70, § 3 WER).

Herhaling (recidive) is zo'n een verzwarende omstandigheid. Zo bepaalt artikel XV.72 WER dat in geval van herhaling binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, een definitieve administratieve beslissing tot schuldigverklaring of een definitieve administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete wegens dezelfde inbreuk, worden de geldboeten en de gevangenisstraffen op het dubbele van het maximum gebracht.

De Sanctiedienst van de FOD Economie houdt bij het bepalen van de hoogte van de administratieve gelboete eveneens rekening met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

  • de grootte van de onderneming (cf. de proportionaliteit van de sanctie);
  • de kansen waarover de onderneming beschikte om de inbreuk te regulariseren (bijv. omdat er reeds een waarschuwing door de FOD Economie was gegeven);
  • de gehele of gedeeltelijke regularisatie van de inbreuk door de onderneming;
  • de leeftijd van de onderneming (lees: hoeveel jaren de onderneming reeds actief is).

Artikel XV.87

XV.87 - Sancties niveau 3

De bepaling

Artikel XV.87

Met een sanctie van niveau 3 wordt gestraft, zij die te kwader trouw de bepalingen overtreden :
  (…)
  2° van de artikelen VII.64 tot VII.66 en VII.123 tot VII.124 betreffende de reclame;
  3° van de artikelen VII.125 en VII.128.

Commentaar

Hoogte van de strafmaat: niveau 3

De bovenstaande inbreuken worden gesanctioneerd met een strafsanctie van niveau 3. De omschrijving van de strafmaat vindt men terug in artikel XV.70, § 1, 3° WER. Deze sanctie bestaat uit een geldboete van een minimumbedrag van 26 euro tot een maximumbedrag van 25 000 euro of tot 6 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt.

De genoemde geldbedragen met uiteraard verhoogd worden met de toepasselijke strafrechtelijke opdeciemen. In 2025 bedragen zij een factor 8. Concreet moeten de opgelegde geldboeten dus vermenigvuldigd worden met 8, het minimumbedrag is vandaag dus gelijk aan 208 euro en het maximumbedrag is gelijk aan 200.000 euro of, indien hoger, het maximumbedrag berekend op basis van de totale jaaromzet.

Bij grensoverschrijdende inbreuken mag men bij het bepalen van de strafmaat, en in het bijzonder bij de berekening van het maximumbedrag op basis van de totale jaaromzet ook rekening houden met de de jaaromzet die verwezenlijkt werd in de andere landen waar de inbreuk is begaan (art. XV.70, § 2, 2e lid WER). Indien er geen informatie is over het bedrag van de totale jaaromzet, dan geldt een maximumbedrag van 2 miljoen euro (art. XV.70, § 2, 1ste lid WER).

Bepaling van de strafmaat

Bij het bepalen van de strafmaat houdt men o.a. rekening met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

  1. de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk;
  2. de door de kredietgever of -bemiddelaar genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen;
  3. de eerdere inbreuken van de kredietgever of -bemiddelaar;
  4. de door de kredietgever of -bemiddelaar als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen, als daarover relevante informatie beschikbaar is;
  5. de sancties die in grensoverschrijdende zaken in andere lidstaten aan de onderneming zijn opgelegd voor dezelfde inbreuk, wanneer informatie over dergelijke sancties beschikbaar is via het bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad opgericht mechanisme;
  6. de andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak (art. XV.70, § 3 WER).

Herhaling (recidive) is zo'n een verzwarende omstandigheid. Zo bepaalt artikel XV.72 WER dat in geval van herhaling binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, een definitieve administratieve beslissing tot schuldigverklaring of een definitieve administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete wegens dezelfde inbreuk, worden de geldboeten en de gevangenisstraffen op het dubbele van het maximum gebracht.

De Sanctiedienst van de FOD Economie houdt bij het bepalen van de hoogte van de administratieve gelboete eveneens rekening met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

  • de grootte van de onderneming (cf. de proportionaliteit van de sanctie);
  • de kansen waarover de onderneming beschikte om de inbreuk te regulariseren (bijv. omdat er reeds een waarschuwing door de FOD Economie was gegeven);
  • de gehele of gedeeltelijke regularisatie van de inbreuk door de onderneming;
  • de leeftijd van de onderneming (lees: hoeveel jaren de onderneming reeds actief is).

De notie “kwade trouw”.

Bij bepaalde inbreuken vereist de wetgever dat de kredietgever en/of de -bemiddelaar de inbreuk te kwader trouw begaat. De wetgever vereist dus een zekere kennis in hoofde van de overtreder dat hij een inbreuk pleegt. Er wordt echter geen bijzonder strafrechtelijk opzet vereist (H. Jacquemin en L. Kerzmann, "Les sanctions pénales en matière de pratiques du marché et de protection du consommateur (livre VI du C.D.E.)", DCCR 2018, nr. 119, 37). In gelijkaardige zin oordeelde ook het Grondwettelijk Hof in het kader van de vroegere Wet Handelspraktijken en Consumentenbescherming in navolging van eerdere cassatierechtspraak (GwH 14 december 2010, arrest nr. 111/2010, punt B.5.3 onder verwijzing naar Cass. 26 oktober 1988, Arr. Cass. 1988-89, I, 231; Cass. 19 oktober 1983, Arr. Cass. 1983-84, I, 186):

"Dat is overigens de strekking die dat begrip krijgt in de omgangstaal en volgens de gewone betekenis, zodat de rechtsonderhorige redelijkerwijs in staat is de draagwijdte ervan te bepalen. Dat geldt des te meer wanneer de adressaten van de strafbaarstelling, zoals te dezen, personen zijn die beroepsmatig handelen en over goede informatie beschikken of kunnen beschikken ten aanzien van de wenselijkheid van hun gedragingen."

Wat houdt dit dan concreet in? De betrokken kredietgever of -bemiddelaar kunnen geen objectieve rechtvaardigingsgrond voor hun handeling geven (bijvoorbeeld dat er over de interpretatie en toepassing van een bepaalde wettelijke verplichting een discussie heerst in de rechtsleer of rechtspraak en dat ze één van de onderbouwde strekkingen volgen). Voorts speelt de impact van hun handeling of omissie op het gedrag van de gemiddelde consument, de impact op de markt, etc. een rol (Vgl. Gent 17 november 2015, Jb. Marktpraktijken 2015, 486). Vermits een kredietgever of -bemiddelaar een professionele onderneming is die verondersteld wordt het bijzonder kredietrecht te kennen of behoort te kennen, zal men zich niet snel kunnen verschuilen achter loutere onwetendheid over bepaalde wettelijke verplichtingen (H. Jacquemin en L. Kerzmann, "Les sanctions pénales en matière de pratiques du marché et de protection du consommateur (livre VI du C.D.E.)", DCCR 2018, nr. 119, 38).

Artikel XV.88

XV.88 Sancties niveau 4

De bepaling

Artikel XV.88

Met een sanctie van niveau 4 wordt gestraft zij die de bepalingen overtreden :
  1° van artikel VII. 149, § 1, betreffende de verplichting tot raadpleging van de Centrale;
  2° van artikel VII. 149, § 2, betreffende de mededeling van gegevens aan de Centrale en van de besluiten ter uitvoering van dat artikel;
  3° van artikel VII. 153, § 2, betreffende het gebruik van de ontvangen inlichtingen;
  4° van artikel VII. 153, § 2, derde en vierde lid, betreffende de gegevens van de Centrale die de kredietbemiddelaar mag verkrijgen. 

Commentaar

Hoogte van de strafmaat: niveau 4

De bovenstaande inbreuken worden gesanctioneerd met een strafsanctie van niveau 5. De omschrijving van de strafmaat vindt men terug in artikel XV.70, § 1, 4° WER. Deze sanctie bestaat uit een geldboete van een minimumbedrag van 26 euro tot een maximumbedrag van 50 000 euro of tot 6 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt.

De genoemde geldbedragen met uiteraard verhoogd worden met de toepasselijke strafrechtelijke opdeciemen. In 2025 bedragen zij een factor 8. Concreet moeten de opgelegde geldboeten dus vermenigvuldigd worden met 8, het minimumbedrag is vandaag dus gelijk aan 208 euro en het maximumbedrag is gelijk aan 400 000 euro of, indien hoger, het maximumbedrag berekend op basis van de totale jaaromzet.

Bij grensoverschrijdende inbreuken mag men bij het bepalen van de strafmaat, en in het bijzonder bij de berekening van het maximumbedrag op basis van de totale jaaromzet ook rekening houden met de de jaaromzet die verwezenlijkt werd in de andere landen waar de inbreuk is begaan (art. XV.70, § 2, 2e lid WER). Indien er geen informatie is over het bedrag van de totale jaaromzet, dan geldt een maximumbedrag van 2 miljoen euro (art. XV.70, § 2, 1ste lid WER).

Bepaling van de strafmaat

Bij het bepalen van de strafmaat houdt men o.a. rekening met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

  1. de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk;
  2. de door de kredietgever of -bemiddelaar genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen;
  3. de eerdere inbreuken van de kredietgever of -bemiddelaar;
  4. de door de kredietgever of -bemiddelaar als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen, als daarover relevante informatie beschikbaar is;
  5. de sancties die in grensoverschrijdende zaken in andere lidstaten aan de onderneming zijn opgelegd voor dezelfde inbreuk, wanneer informatie over dergelijke sancties beschikbaar is via het bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad opgericht mechanisme;
  6. de andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak (art. XV.70, § 3 WER).

Herhaling (recidive) is zo'n een verzwarende omstandigheid. Zo bepaalt artikel XV.72 WER dat in geval van herhaling binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, een definitieve administratieve beslissing tot schuldigverklaring of een definitieve administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete wegens dezelfde inbreuk, worden de geldboeten en de gevangenisstraffen op het dubbele van het maximum gebracht.

De Sanctiedienst van de FOD Economie houdt bij het bepalen van de hoogte van de administratieve gelboete eveneens rekening met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

  • de grootte van de onderneming (cf. de proportionaliteit van de sanctie);
  • de kansen waarover de onderneming beschikte om de inbreuk te regulariseren (bijv. omdat er reeds een waarschuwing door de FOD Economie was gegeven);
  • de gehele of gedeeltelijke regularisatie van de inbreuk door de onderneming;
  • de leeftijd van de onderneming (lees: hoeveel jaren de onderneming reeds actief is).

Artikel XV.90

XV.90 Sancties niveau 5

De bepaling

Artikel XV.90

Met een sanctie van niveau 5 worden gestraft, zij die :
  1° als kredietgever de bepalingen van artikel VII.95, §§ 1, 2 of 3 of artikel VII.147/10, §§ 1, 2 of 3 overtreden;
  2° aanbiedingen, kredietaanvragen of kredietovereenkomsten bedoeld in boek VII in blanco doet ondertekenen of antidateren;
  3° een jaarlijks kostenpercentage of een debetrentevoet hanteren die de maxima, bedoeld in de artikelen VII.94 en VII.147/9 en vastgesteld door de Koning, overschrijden;
  4° gebruik maken van een van de in de artikelen VII.84 tot VII.88, VII.105, § 2, VII.139, VII.140, VII.144 en VII.147/20, §§ 2, 3 en 4, bedoelde onrechtmatige bedingen of een inbreuk maken op de artikelen VII.105, § 1, VII.108, VII.147/20, § 1, of VII.147/25; 
  5° in het raam van een kredietovereenkomst een wissel of een orderbriefje ter betaling of als zekerheid van de overeenkomst doen ondertekenen of een cheque in ontvangst nemen tot zekerheid van de volledige of gedeeltelijke terugbetaling van het verschuldigde;
  6° door de consument of elke andere persoon een overdracht bedoeld in de artikelen VII.89, § 1 en 147/2, § 1 en in de artikelen 27 tot en met 35 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers doen ondertekenen, waarvan de modaliteiten de bepalingen bedoeld in deze artikelen niet eerbiedigen;
  7° enige betaling of vergoeding eisen buiten de gevallen bepaald bij boek VII;
  8° in zoverre zulks door de artikelen VII.115 en 147/31 verboden is, als schuldbemiddelaar optreden;
  9° de bepalingen van de artikelen VII. 67 betreffende het leuren overtreden;
  10° de bepalingen van artikel van de artikelen VII.112, § 1 en VII.147/29, § 4, eerste lid, betreffende de kredietbemiddeling overtreden;
  11° in strijd met de bepalingen van de artikelen VII.69 en VII.126, § 1 in het raam van een kredietovereenkomst als kredietgever of kredietbemiddelaar wetens en willens aan de consument of de zekerheidssteller ongeoorloofde, onjuiste of onvolledige informatie vragen;
  12° als kredietgever of kredietbemiddelaar aan de consument niet de SECCI bedoeld in de artikelen VII. 70 en VII. 71, verstrekken of die in strijd met de artikelen VII. 74 en VII. 75, wetens en willens niet de meest aangepaste informatie verstrekt of niet het best aangepaste krediet zoekt;
  12° /1 als kredietgever of kredietbemiddelaar de bepalingen van de artikelen VII.70, § 1, vierde lid, of VII.130 overtreden; 
  12° /2 als kredietgever de bepalingen van artikel VII.86, § 7, overtreden; 
  13° de bepalingen van artikel VII. 68 betreffende de promotieaanbiedingen overtreden;
  14° de verplichting tot het ter beschikking stellen van de documenten bedoeld bij de artikelen VII.99, VII.106, § 4, VII.147/14 en VII.147/22, § 4 niet nakomen;
  15° als kredietgever de bepalingen van de artikelen VII.78, VII.81, VII.109, §§ 1 en 2, VII.126, § 2 en VII.134 overtreden;
  15° /1 als kredietgever de bepalingen van de artikelen VII.77, § 1 of VII.133, § 1, betreffende de grondige beoordeling van de kredietwaardigheid van de consument en de persoonlijke zekerheidsstellers overtreden; 
  16° in strijd met de bepalingen van de artikelen VII.77, § 2 en VII.133, § 2, als kredietgever wetens en willens een kredietovereenkomst sluiten waarvan men redelijkerwijze moet aannemen dat de consument niet in staat zal zijn de verplichtingen voortvloeiend uit de overeenkomst na te leven;
  17° VII.117 tot VII.122 en VII.147/33 tot VII.147/38 overtreden;
  18° de artikelen VII.137, VII.138, VII.143, VII.146, VII.147 en VII.147/26, §§ 1 en 2 overtreden; 
  19° als kredietgever of kredietbemiddelaar aan de consument niet het ESIS bedoeld in artikel VII.127 verstrekken of die in strijd met de artikelen VII.129, VII.131 en VII.131, wetens en willens niet de meest aangepaste informatie verstrekt of niet het best aangepaste krediet zoekt; 
  19° /1 als kredietgever de bepalingen van artikel VII.143, § 8 overtreden; 
  20° : a) wetens en willens een cheque of enig ander door dit Wetboek met de cheque gelijkgesteld waardepapier uitgeven zonder voorafgaand, toereikend en beschikbaar fonds; of
   b) dergelijk waardepapier overdragen, wetende dat het fonds niet toereikend en beschikbaar is; of
   c) als trekker wetens en willens het fonds van dergelijk waardepapier geheel of ten dele terugnemen tijdens de aanbiedingstermijn; of
   d) als trekker, met bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, een dergelijk waardepapier herroepen of het fonds ervan geheel of ten dele onbeschikbaar maakt, of na het verstrijken van de aanbiedingstermijn het fonds geheel of ten dele terugnemen.
 

Commentaar

Hoogte van de strafmaat: niveau 5

De bovenstaande inbreuken worden gesanctioneerd met een strafsanctie van niveau 5. De omschrijving van de strafmaat vindt men terug in artikel XV.70, § 1, 5° WER. Deze sanctie bestaat uit een geldboete van een minimumbedrag van 250 euro tot een maximumbedrag van 100 000 euro of tot 6 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt, en een gevangenisstraf van één maand tot één jaar of uit één van die straffen alleen.

De genoemde geldbedragen met uiteraard verhoogd worden met de toepasselijke strafrechtelijke opdeciemen. In 2025 bedragen zij een factor 8. Concreet moeten de opgelegde geldboeten dus vermenigvuldigd worden met 8, het minimumbedrag is vandaag dus gelijk aan 2 000 euro en het maximumbedrag is gelijk aan 800 000 euro of, indien hoger, het maximumbedrag berekend op basis van de totale jaaromzet.

Bij grensoverschrijdende inbreuken mag men bij het bepalen van de strafmaat, en in het bijzonder bij de berekening van het maximumbedrag op basis van de totale jaaromzet ook rekening houden met de de jaaromzet die verwezenlijkt werd in de andere landen waar de inbreuk is begaan (art. XV.70, § 2, 2e lid WER). Indien er geen informatie is over het bedrag van de totale jaaromzet, dan geldt een maximumbedrag van 2 miljoen euro (art. XV.70, § 2, 1ste lid WER).

Bepaling van de strafmaat

Bij het bepalen van de strafmaat houdt men o.a. rekening met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

  1. de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk;
  2. de door de kredietgever of -bemiddelaar genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen;
  3. de eerdere inbreuken van de kredietgever of -bemiddelaar;
  4. de door de kredietgever of -bemiddelaar als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen, als daarover relevante informatie beschikbaar is;
  5. de sancties die in grensoverschrijdende zaken in andere lidstaten aan de onderneming zijn opgelegd voor dezelfde inbreuk, wanneer informatie over dergelijke sancties beschikbaar is via het bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad opgericht mechanisme;
  6. de andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak (art. XV.70, § 3 WER).

Herhaling (recidive) is zo'n een verzwarende omstandigheid. Zo bepaalt artikel XV.72 WER dat in geval van herhaling binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, een definitieve administratieve beslissing tot schuldigverklaring of een definitieve administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete wegens dezelfde inbreuk, worden de geldboeten en de gevangenisstraffen op het dubbele van het maximum gebracht.

De Sanctiedienst van de FOD Economie houdt bij het bepalen van de hoogte van de administratieve gelboete eveneens rekening met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

  • de grootte van de onderneming (cf. de proportionaliteit van de sanctie);
  • de kansen waarover de onderneming beschikte om de inbreuk te regulariseren (bijv. omdat er reeds een waarschuwing door de FOD Economie was gegeven);
  • de gehele of gedeeltelijke regularisatie van de inbreuk door de onderneming;
  • de leeftijd van de onderneming (lees: hoeveel jaren de onderneming reeds actief is).

De notie ‘wetens en willens’ in bepaalde inbreuken: strafrechtelijke kwade trouw

Bij bepaalde inbreuken vereist de wetgever dat de kredietgever en/of de -bemiddelaar de inbreuk ‘wetens en willens’ begaat. De wetgever vereist dus een zekere kennis in hoofde van de overtreder dat hij een inbreuk pleegt. Er wordt echter geen bijzonder strafrechtelijk opzet vereist (H. Jacquemin en L. Kerzmann, "Les sanctions pénales en matière de pratiques du marché et de protection du consommateur (livre VI du C.D.E.)", DCCR 2018, nr. 119, 37). In gelijkaardige zin oordeelde ook het Grondwettelijk Hof in het kader van de vroegere Wet Handelspraktijken en Consumentenbescherming in navolging van eerdere cassatierechtspraak (GwH 14 december 2010, arrest nr. 111/2010, punt B.5.3 onder verwijzing naar Cass. 26 oktober 1988, Arr. Cass. 1988-89, I, 231; Cass. 19 oktober 1983, Arr. Cass. 1983-84, I, 186):

"Dat is overigens de strekking die dat begrip krijgt in de omgangstaal en volgens de gewone betekenis, zodat de rechtsonderhorige redelijkerwijs in staat is de draagwijdte ervan te bepalen. Dat geldt des te meer wanneer de adressaten van de strafbaarstelling, zoals te dezen, personen zijn die beroepsmatig handelen en over goede informatie beschikken of kunnen beschikken ten aanzien van de wenselijkheid van hun gedragingen."

Wat houdt dit dan concreet in? De betrokken kredietgever of -bemiddelaar kunnen geen objectieve rechtvaardigingsgrond voor hun handeling geven (bijvoorbeeld dat er over de interpretatie en toepassing van een bepaalde wettelijke verplichting een discussie heerst in de rechtsleer of rechtspraak en dat ze één van de onderbouwde strekkingen volgen). Voorts speelt de impact van hun handeling of omissie op het gedrag van de gemiddelde consument, de impact op de markt, etc. een rol (Vgl. Gent 17 november 2015, Jb. Marktpraktijken 2015, 486). Vermits een kredietgever of -bemiddelaar een professionele onderneming is die verondersteld wordt het bijzonder kredietrecht te kennen of behoort te kennen, zal men zich niet snel kunnen verschuilen achter loutere onwetendheid over bepaalde wettelijke verplichtingen (H. Jacquemin en L. Kerzmann, "Les sanctions pénales en matière de pratiques du marché et de protection du consommateur (livre VI du C.D.E.)", DCCR 2018, nr. 119, 38).

Artikel XV.91

XV.91 Sancties niveau 5 - toegang tot de activiteit van kredietgever of -bemiddelaar

De bepaling

Artikel XV. 91

  Met een sanctie van niveau 5 worden gestraft:
  1° zij die de activiteit van kredietgever uitoefenen zonder de vergunning of registratie te hebben verkregen als bedoeld in artikel VII.160, § 6, en VII. 174, § 4;
  2° zij die de activiteit van kredietbemiddelaar uitoefenen zonder de inschrijving te hebben verkregen voorzien in de artikelen VII.180 en VII.184, of zonder desgevallend het voorwerp te hebben uitgemaakt van een regelmatige kennisgeving van een andere bevoegde autoriteit van de Europese Economische Ruimte;
  3° zij die in strijd met artikel VII. 159, de activiteit van kredietbemiddelaar uitoefenen en activiteiten verrichten met kredietgevers die niet erkend of geregistreerd zijn conform artikel VII. 160, § 5, en VII. 174, § 4;
  4° zij die geen gevolg geven aan een schorsing, een verbod, een schrapping of een herroeping uitgesproken krachtens de artikelen XV.67, XV.67/1, XV.67/2, XV.67/3 en XV.68;
  5° zij die, in rechte of feitelijk, functies blijven uitoefenen van effectieve leider bij een kredietgever, terwijl de FSMA heeft geoordeeld dat zij niet over de vereiste professionele betrouwbaarheid en passende deskundigheid beschikten om hun taken waar te nemen, of van effectieve leider bij een kredietbemiddelaar of van verantwoordelijke voor de distributie bij een kredietgever of een kredietbemiddelaar, terwijl de FSMA heeft geoordeeld dat zij niet over een voldoende geschiktheid en professionele betrouwbaarheid beschikten om hun taken waar te nemen;
  6° de kredietgever of kredietbemiddelaar die een tewerkgestelde persoon de opdracht geeft kredietovereenkomsten aan te bieden, terwijl deze niet voldoet aan de voorwaarden bepaald door de artikelen VII.180, § 2, 2° en 3°, VII.183, § 5, 3° en VII.184, § 1, 3° ;
  7° de kredietgever die een kredietovereenkomst aanvaardt, aangeboden door een kredietbemiddelaar die niet is ingeschreven overeenkomstig de artikelen VII.182, § 3, en VII.188, § 3;
  8° de kredietgever die een agentuurovereenkomst aanbiedt aan een kredietbemiddelaar die niet is ingeschreven overeenkomstig de artikelen VII. 182, § 3, en VII. 188, § 3;
  9° zij die de bepalingen van de artikelen VII.159, § 1, VII.180, § 3, en VII.184, § 2 niet naleven.

Commentaar

Hoogte van de strafmaat: niveau 5

De bovenstaande inbreuken op de publiekrechtelijke regels inzake de toegang tot de activiteit van kredietgever of -bemiddelaar worden gesanctioneerd met een strafsanctie van niveau 5. De omschrijving van de strafmaat vindt men terug in artikel XV.70, § 1, 5° WER. Deze sanctie bestaat uit een geldboete van een minimumbedrag van 250 euro tot een maximumbedrag van 100 000 euro of tot 6 % van de totale jaaromzet in het laatst afgesloten boekjaar voorgaand aan het opleggen van de geldboete waarover gegevens beschikbaar zijn die toelaten om de jaaromzet vast te stellen, indien dit een hoger bedrag vertegenwoordigt, en een gevangenisstraf van één maand tot één jaar of uit één van die straffen alleen.

De genoemde geldbedragen met uiteraard verhoogd worden met de toepasselijke strafrechtelijke opdeciemen. In 2025 bedragen zij een factor 8. Concreet moeten de opgelegde geldboeten dus vermenigvuldigd worden met 8, het minimumbedrag is vandaag dus gelijk aan 2.000 euro en het maximumbedrag is gelijk aan 800.000 euro of, indien hoger, het maximumbedrag berekend op basis van de totale jaaromzet.

Bij grensoverschrijdende inbreuken mag men bij het bepalen van de strafmaat, en in het bijzonder bij de berekening van het maximumbedrag op basis van de totale jaaromzet ook rekening houden met de de jaaromzet die verwezenlijkt werd in de andere landen waar de inbreuk is begaan (art. XV.70, § 2, 2e lid WER). Indien er geen informatie is over het bedrag van de totale jaaromzet, dan geldt een maximumbedrag van 2 miljoen euro (art. XV.70, § 2, 1ste lid WER).

Bepaling van de strafmaat

Bij het bepalen van de strafmaat houdt men o.a. rekening met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

  1. de aard, de ernst, de omvang en de duur van de inbreuk;
  2. de door de kredietgever of -bemiddelaar genomen maatregelen om de door de consumenten geleden schade te beperken of te verhelpen;
  3. de eerdere inbreuken van de kredietgever of -bemiddelaar;
  4. de door de kredietgever of -bemiddelaar als gevolg van de inbreuk behaalde financiële voordelen of vermeden verliezen, als daarover relevante informatie beschikbaar is;
  5. de sancties die in grensoverschrijdende zaken in andere lidstaten aan de onderneming zijn opgelegd voor dezelfde inbreuk, wanneer informatie over dergelijke sancties beschikbaar is via het bij Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad opgericht mechanisme;
  6. de andere verzwarende of verzachtende omstandigheden die van toepassing zijn op de zaak (art. XV.70, § 3 WER).

Herhaling (recidive) is zo'n een verzwarende omstandigheid. Zo bepaalt artikel XV.72 WER dat in geval van herhaling binnen een termijn van vijf jaar te rekenen van een in kracht van gewijsde gegane veroordeling, een definitieve administratieve beslissing tot schuldigverklaring of een definitieve administratieve beslissing tot oplegging van een administratieve geldboete wegens dezelfde inbreuk, worden de geldboeten en de gevangenisstraffen op het dubbele van het maximum gebracht.

De Sanctiedienst van de FOD Economie houdt bij het bepalen van de hoogte van de administratieve gelboete eveneens rekening met de volgende niet-limitatieve en indicatieve criteria:

  • de grootte van de onderneming (cf. de proportionaliteit van de sanctie);
  • de kansen waarover de onderneming beschikte om de inbreuk te regulariseren (bijv. omdat er reeds een waarschuwing door de FOD Economie was gegeven);
  • de gehele of gedeeltelijke regularisatie van de inbreuk door de onderneming;
  • de leeftijd van de onderneming (lees: hoeveel jaren de onderneming reeds actief is).

De notie ‘wetens en willens’ in bepaalde inbreuken: strafrechtelijke kwade trouw.

Bij bepaalde inbreuken vereist de wetgever dat de kredietgever en/of de -bemiddelaar de inbreuk ‘wetens en willens’ begaat. De wetgever vereist dus een zekere kennis in hoofde van de overtreder dat hij een inbreuk pleegt. Er wordt echter geen bijzonder strafrechtelijk opzet vereist (H. Jacquemin en L. Kerzmann, "Les sanctions pénales en matière de pratiques du marché et de protection du consommateur (livre VI du C.D.E.)", DCCR 2018, nr. 119, 37). In gelijkaardige zin oordeelde ook het Grondwettelijk Hof in het kader van de vroegere Wet Handelspraktijken en Consumentenbescherming in navolging van eerdere cassatierechtspraak (GwH 14 december 2010, arrest nr. 111/2010, punt B.5.3 onder verwijzing naar Cass. 26 oktober 1988, Arr. Cass. 1988-89, I, 231; Cass. 19 oktober 1983, Arr. Cass. 1983-84, I, 186):

"Dat is overigens de strekking die dat begrip krijgt in de omgangstaal en volgens de gewone betekenis, zodat de rechtsonderhorige redelijkerwijs in staat is de draagwijdte ervan te bepalen. Dat geldt des te meer wanneer de adressaten van de strafbaarstelling, zoals te dezen, personen zijn die beroepsmatig handelen en over goede informatie beschikken of kunnen beschikken ten aanzien van de wenselijkheid van hun gedragingen."

Wat houdt dit dan concreet in? De betrokken kredietgever of -bemiddelaar kunnen geen objectieve rechtvaardigingsgrond voor hun handeling geven (bijvoorbeeld dat er over de interpretatie en toepassing van een bepaalde wettelijke verplichting een discussie heerst in de rechtsleer of rechtspraak en dat ze één van de onderbouwde strekkingen volgen). Voorts speelt de impact van hun handeling of omissie op het gedrag van de gemiddelde consument, de impact op de markt, etc. een rol (Vgl. Gent 17 november 2015, Jb. Marktpraktijken 2015, 486). Vermits een kredietgever of -bemiddelaar een professionele onderneming is die verondersteld wordt het bijzonder kredietrecht te kennen of behoort te kennen, zal men zich niet snel kunnen verschuilen achter loutere onwetendheid over bepaalde wettelijke verplichtingen (H. Jacquemin en L. Kerzmann, "Les sanctions pénales en matière de pratiques du marché et de protection du consommateur (livre VI du C.D.E.)", DCCR 2018, nr. 119, 38).

Back to top