VII.195 : Burgerlijke sanctie (vermeldingen v/d overeenkomst, borg en CKP)

 

De bepaling

Artikel VII.195 :

Onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, verklaart de rechter de overeenkomst nietig of vermindert de verplichtingen van de consument en dit hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag,wanneer de kredietgever de in artikel VII. 78, § 1, tweede lid, § 2, 5° tot 9°, § 3, 1° tot 7°, 11°, 13° en 14° bedoelde vermeldingen niet naleeft.


De rechter kan een gelijkaardige maatregel nemen wanneer de kredietgever :
1° de in artikel VII. 78, § 2, 1° tot 4°, § 3, 8° tot 10°, 12° en 15°, bedoelde vermeldingen niet naleeft;
2° de verplichtingen bedoeld in artikel VII. 77, § 1, tweede lid, niet naleeft.


De rechter vermindert de verplichtingen van de steller van een zekerheid en dit hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag, wanneer de kredietgever de [2in artikel VII.110]2opgenomen bepalingen niet naleeft.


In geval van vermindering van de verplichtingen van de consument behoudt deze het voordeel van de betaling in termijnen.

Commentaar

Deze bepaling bestraft overtredingen van uiteenlopende aard:

  1. Zij beoogt in de eerste plaats de kredietovereenkomsten waarvan bepaalde vermeldingen niet zouden voldoen aan de vereisten van artikel VII.78. Het betreft in dit geval een objectief gebrek aangezien het volstaat om het geschrift te vergelijken met de wettekst om het vast te stellen.
  2. Deze bepaling bestraft eveneens het niet informeren van de borg tijdens de uitvoering van de overeenkomst (wanbetaling van de hoofdschuldenaar, toegekende betalingsfaciliteiten, wijziging van de kredietovereenkomst).
  3. Het artikel bestraft ten slotte het gebrek aan informatie van de borg, in de loop van de uitvoering van de overeenkomst (wanbetaling van de hoofdschuldenaar, toegestane betalingsfaciliteiten, wijziging van de kredietovereenkomst).

Toepassing in de tijd

Artikel 195 neemt artikel 86 van de WCK over. Dit artikel had een vrij belangrijke wijziging ondergaan naar aanleiding van de omzetting van richtlijn 2008/48. Voor de overeenkomsten gesloten vóór 1 december 2010, onder meer wat de voorwaarden van totstandkoming van de overeenkomst van consumentenkrediet betreft, wordt de WCK toegepast in de versie ervan die van kracht was tot 30 november 2010:

Onverminderd de gemeenrechtelijke sancties, verklaart de rechter de overeenkomst nietig of vermindert de verplichtingen van de consument en dit hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag, wanneer de kredietgever de in de artikelen 14, 41, 49, 56 en 58 bedoelde (vermeldingen van de kredietovereenkomst evenals de bepalingen van artikel 60bis en 60ter betreffende de overschrijding van het kredietbedrag) niet naleeft.

De rechter vermindert de verplichtingen van de borg en de steller van een persoonlijke zekerheid en dit hoogstens tot de prijs bij contante betaling of tot het ontleende bedrag, wanneer de kredietgever de in artikel 35 opgenomen bepalingen niet naleeft.

In geval van vermindering van de verplichtingen van de consument, de borg of de steller van een persoonlijke zekerheid behouden deze het voordeel van de betaling in termijnen.

Voor een commentaar van de laatste toepassingen in de rechtspraak, zie STEENNOT R. et al., "Overzicht van rechtspraak consumenten bescherming (2005-2014)", T.P.R. 2015 - 3/4, nr. 436, p.1754.

Geleend bedrag en kredietopening

In een beslissing van 24 september 2010 had de rechtbank van eerste aanleg van Namen, met toepassing van de sanctie van artikel 86 WCK [VII.195], de verplichtingen van de kredietnemer verminderd tot het bedrag van de kredietopening zoals dat was bepaald bij de totstandkoming van de overeenkomst. Met andere woorden werd er geen rekening gehouden met de overschrijding die werd vastgesteld bij de opzegging van het krediet. Deze beslissing werd vernietigd door een arrest van 26 september 2011 van het Hof van Cassatie. Volgens dat arrest,Het geleende bedrag in de zin van deze voorziening heeft betrekking op alle bedragen die uit hoofde van de kredietfaciliteit zijn opgenomen. De vermindering tot het geleende bedrag impliceert dus de veroordeling tot de sommen die daadwerkelijk werden opgenomen door de consument. Indien de opnemingen dus groter waren dan de maximumgrens van de kredietopening zoals die voorkomt in de kredietopening, worden deze overschrijdingen in aanmerking genomen voor de berekening van het bedrag ten belope waarvan de verplichtingen van de consument zullen verminderd worden. Omgekeerd, indien de opnemingen onder de in de overeenkomst overeengekomen grens liggen, zal de sanctie de verplichtingen van de consument verminderen tot de daadwerkelijk opgenomen sommen indien zij kleiner zijn dan het bedrag van de kredietopening.

De vermeldingen in de kredietovereenkomst

De tekortkomingen in de verplichte vermeldingen van de kredietovereenkomst maken het voorwerp uit van dezelfde sancties die voor de ene van rechtswege worden opgelegd (de rechter vernietigt of vermindert) en voor andere worden overgelaten aan de beoordelingsbevoegdheid (de rechter kan een gelijkaardige maatregel opleggen).

De logica achter dit onderscheid binnenin artikel VII.78 rust zonder twijfel op het overwegend belang van bepaalde vermeldingen ten opzichte van andere iets bijkomstige. De voorbereidende werken geven hieromtrent geen verduidelijking. De vergelijkbare bepalingen in het hypothecair krediet (VII.209) maakt dit onderscheid niet.

Daarentegen haalt men aan dat het niet overmaken aan de consument van een exemplaar van de kredietovereenkomst (artikel VII.78, §1, 1e lid) of hem de geschreven vermelding die wordt vereist door artikel VII.78, §1, 3e lid niet worden vermeld in de bepalingen waarvoor de wet een burgerlijke sanctie voorziet.

Wat betreft de geschreven vermeldingen, moet men er ongetwijfeld van uitgaan dat het een verplicht formalisme is om de toestemming van de consument uit te drukken en dient men hier dan ook algemene leer inzake de nietigheid toepassen. Een strafrechtelijke sanctie is voorzien ten laste van de kredietgever die de bepalingen van art. VII.78 overtreedt.

In een beslissing van 24 december 2015 heeft de vrederechter van Zottegem - Herzele de verplichtingen van de consument verminderd tot het geleende bedrag zonder enige interest, om de reden dat de door artikel 14 § 1 van de WCK vereiste handgeschreven vermeldingen werden aangebracht door de kredietbemiddelaar terwijl de consument de overeenkomst alleen maar ondertekend heeft (Vred. Zottegem - Herzele, 24 december 2015, Jaarboek Kredietrecht 2015, 9). De rechter stelt vast dat deze vermeldingen, aangebracht door een derde, als onbestaande moeten beschouwd worden. De sanctie werd uitdrukkelijk bepaald door artikel 86 van de WCK in de versie die van toepassing was in 2006 toen de overeenkomst tot stand kwam. De huidige tekst voorziet niet meer in een burgerlijke sanctie. Dit neemt niet weg dat de vormvereisten voor de uitdrukking van de toestemming niet werden nageleefd en dat de nietigheid dus zou kunnen worden uitgesproken met desgevallend betalingstermijnen voor de teruggave die voortvloeit uit de nietigheid.

Tenslotte, haalt men ook aan dat de vereiste informatie voor de geoorloofde debetstanden die terugbetaalbaar zijn op verzoek van de kredietgever of binnen een termijn van hoogstens 3 maanden (zoals vermeld in art. 14, §3) niet worden geregeld door een burgerlijke sanctie.

Niet-raadpleging van de CKP

Het is aan de kredietgever om het bewijs te leveren van de raadpleging van de CKP volgens de regels die bepaald zijn door het KB van 23 maart 2017 (zie de commentaar betreffende de CKP). Bij gebrek aan bewijs van deze raadpleging kan de rechter de overeenkomst vernietigen of de verplichtingen van de consument verminderen.

Gebrek aan informatie aan de borg

De wet laat de rechter de bevoegdheid om de verplichtingen van de borg te verminderen tot het ontleende bedrag in geval deze niet werd geïnformeerd tijdens de uitvoering van de overeenkomst. Deze sanctie moet geïnterpreteerd worden als het maximumbedrag in de zin van art. VII.109, §1, lid 1 dat stelt: De borgtocht en, desgevallend, elke andere vorm van zekerheid voor de verbintenissen die voortvloeien uit een kredietovereenkomst geven nauwkeurig het bedrag weer dat gewaarborgd is. De gevraagde zekerheden gelden enkel voor deze bedragen, eventueel verhoogd met de nalatigheidsintresten, met uitsluiting van alle andere boetes of kosten van niet-uitvoering. Dat is het bedrag dat de rechter kan verminderen tot het ontleend bedrag of tot de prijs bij contante betaling. In dat geval moeten bovendien de reeds door de consument verrichte kapitaalaflossingen worden afgetrokken van het door de borg verschuldigde bedrag.

Voorbeelden - Rechtspraak

  • De Vrederechter van Oudenaarde-Kruishoutem merkt op dat artikel 85 van de WKC (VII.195, WER) de rechter de keuze laat tussen nietigheid van de overeenkomst en vermindering van het geleende bedrag. Hij koos voor deze tweede, minder radicale sanctie in een geval waarin het herroepingsrecht niet in de overeenkomst werd vermeld. Deze beoordeling is gebaseerd op het feit dat (1) de gelieerd verkoopovereenkomst niet werd opgezegd, (2) de consument in het bezit bleef van de gefinancierde goederen en (3) de overeenkomst een jaar lang zonder protest werd uitgevoerd (Vred. Oudenaarde-Kruishoutem, 16 oktober 2013, T. Vred. 2016, 426).

  • Voor een kleinere tekortkoming heeft de vrederechter van Zottegem-Herzele (13 januari 2011, Jaarboek Kredietrecht 2011, p 21; T. Vred. 2013, 644, noot STEENNOT R.) de sanctie beperkt tot een gedeeltelijke vrijstelling van de interesten en kosten).
  • Maakt een kredietopening uit, de debetstand in rekening-courant die voortvloeit uit de terbeschikkingstelling van een geldsom; bijgevolg - en aangezien de bepalingen van de artikelen 14 [VII.78] en 58 [niet overgenomen in het WER] van de WCK niet werden nageleefd, spreekt de rechter de nietigheid uit van de overeenkomst en wijst hij de vordering van de bank betreffende de betaling van het debetsaldo af (Vred. Kortrijk, 23 september 2003, Jaarboek Kredietrecht, 2003, 9 : De debetstand op de zichtrekening is uiteraard ontstaan door een terbeschikkingstelling van koopkracht, geld of enig ander betaalmiddel. (...) De terbeschikkingstelling van koopkracht of geld, waardoor de debetstand op de zichtrekening is ontstaan, is geschied in uitvoering van een kredietovereenkomst meer bepaald een overeenkomst waarbij door eiseres krediet werd verleend aan verweerders. De bedoelde debetstand is dus ontstaan in uitvoering van een kredietopening, meer bepaald een kredietovereenkomst waarbij koopkracht, geld of enig ander betaalmiddel ter beschikking werd gesteld van verweerders.).
  • De rechtbank van eerste aanleg van Bergen (REA Henegouwen (afd. Bergen), 23 oktober 2017, J.L.M.B., 2019/18, 837 met noot ENGLEBERT M., " Crédit lié au financement d'un bien ou d'un service particulier... une figure juridique complexe !", vernietigd door Cass, 28 mars 2019, J.L.M.B.,2019/18, 828.) acht het bewezen dat de subagent van de kredietbemiddelaar kennis had - en aan de oorsprong lag - van het systeem van contracten dat de verkoop en de installatie van zonnepanelen toeliet dankzij een gelijktijdig aanbod van financieringsovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat de kredietovereenkomst een gelieerde overeenkomst was in de zin van artikel I.9, 64° (article 1, 20° WCK) en dat de kredietbemiddelaar is tekortgekomen (1) aan zijn verplichting om passende toelichtingen te geven, onder meer het feit dat de consument niet de wettelijke bescherming genoot die is ingevoerd door artikel VII.91 en (2) aan zijn verplichting om de beschrijving van de te financieren dienst en zijn prijs bij contante betaling te vermelden. De rechtbank spreekt bijgevolg de nietigheid van de kredietovereenkomst uit op grond van artikel 86 WCK (VII.195 WER) maar aangezien de nietigheid de consument verplicht om de geleende som terug te geven, is de rechtbank van oordeel dat, om de effectiviteit van de sanctie te verzekeren de consumenten het kredietbedrag niet wederzijds moeten teruggeven.
Back to top