VII.132: Controle van de identiteit van de consument en van de zekerheidssteller
Artikel VII.132
Commentaar
Draagwijdte van de controle: naam, voornaam, geboortedatum en woonplaats (consument en borg)
Wat het onderzoek van de identiteitsgegevens betreft, legt artikel VII.132 WER de verplichting op om de identiteitskaart, de verblijfsvergunning of het paspoort te onderzoeken. De kredietgever mag pas een kredietovereenkomst toestaan na controle van de identificatiegegevens.
Dit zijn de gegevens die zijn vermeld in artikel VII.134, § 2, 1 WER dat de identificatievermeldingen van de consument en de zekerheidssteller in de kredietovereenkomst verduidelijkt. Het betreft dus de naam, voornaam, geboorteplaats en -datum alsook de woonplaats van de consument en de zekerheidssteller.
Dit geldt zowel voor de consument-kredietnemer als voor de borgstellende derde, ongeacht of het een persoonlijke, dan wel een zakelijke zekerheid betreft.
De bedoeling is zich ervan te verzekeren dat (i) de identificatiegegevens die gegeven worden door de consument of de persoon die de zekerheid stelt, juist zijn, (ii) dat er geen sprake is van persoonsfraude én (iii) dat iedere contractspartij effectief betrokken is bij de sluiting van het krediet (bijvoorbeeld om te voorkomen dat een consument de naam van een borgstellende derde opgeeft die hiervan onwetend is). Men moet er zich dus ook van verzekeren dat de consument-kredietnemer en/of de zekerheidssteller overeenstemmen met de meegedeelde identificatiegegegevens.
Een kredietaanvraag kan dus, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, niet worden ingediend door een derde voor rekening van een consument en de consument kan niet dienen als tussenpersoon voor de contacten met de persoon die de zekerheid stelt. Aldus moet de controle worden gedaan aan de hand van originele identiteitsdocumenten, geen fotokopieën (D. BLOMMAERT, "La responsabilité du prêteur et de l’intermédiaire de crédit à la lumière de la loi du 24 mars 2003", in Actualités du droit du crédit à la consommation, Brussel, Fac. Univ. St Louis, 2004, p.104). Het hoeft echter wel niet per se om de fysieke identiteitsdocumenten te gaan. Een geldige elektronische identificatie (bijvoorbeeld door het inlezen van de e-ID of door gebruik te maken van Itsme) volstaat. De kredietgever moet er zich wel van vergewissen dat het effectief de consument en/of de zekerheidssteller is / zijn, die de gegevens inlezen (zie hierna, resultaatsverbintenis). Aldus is het gebruikmaken van de PIN of face-id (biometrische gegevens) nodig om een geldige online-identificatie mogelijk te maken. Een andere oplossing kan erin bestaan dat de kredietgever zich van de identiteit vergewist door middel van een visuele controle, bijvoorbeeld via online video-verificatie zoals whatsapp-video…).
Bijkomende vereiste: het rijksregisternummer
De controle van de identificatiegegevens die wordt opgelegd door de wet is van groot belang voor de raadpleging van de CKP, die verplicht is gemaakt door artikel VII.133, § 1, lid 2 en VII.149, §1 WER en waarbij de kredietgever, in voorkomend geval, de raadpleging zal uitvoeren op basis van het rijksregisternummer (zie het in 2023 gewijzigde art. VII.150 WER).
Resultaatsverbintenis en bewijslast
Het betreft een resultaatsverbintenis waarvan het bewijs van de uitvoering rust op de kredietgever. Indien hij wil bewijzen dat hij heeft voldaan aan deze vereiste, moet de kredietgever dus een kopie bewaren van het identiteitsbewijs of het gelogde (video)bestand dat wordt voorgelegd uiterlijk bij het sluiten van de kredietovereenkomst (zie ook art. VII.133, § 1, lid 4 WER: een kopie moet luidens dit artikel deel uitmaken van het aan te leggen kredietdossier), tenzij hij kan aantonen dat het een regelmatige en door hem gekende cliënt betreft waarvan de identificatie voordien is kunnen gebeuren naar aanleiding van andere operaties zoals de opening van een bankrekening bijvoorbeeld.
Sanctie
Artikel VII.209 WER voert een burgerlijke sanctie in ten laste van de kredietgever die zijn identificatieverplichting niet correct zou hebben uitgevoerd. Deze sanctie wordt opgelegd ten gunste van de consument en niet van de zekerheid. In ieder geval, indien er daadwerkelijk sprake is van identiteitsdiefstal van een derde, is die laatste in ieder geval niet gehouden door de termen van de overeenkomst en kan hij, in voorkomend geval, indien hij een gebrek aan controle aantoont in hoofde van de kredietgever, de aansprakelijkheid van laatstgenoemde in het gedrang brengen om de vergoeding van zijn schade te bekomen.