VII.126, § 2 tot 4: Het kredietaanvraagformulier
Artikel VII.126, § 2, § 3 en § 4
Commentaar
Principe
Boek VII. WER legt aan de kredietgever en -bemiddelaar de verplichting op om inlichtingen te verzamelen op een "kredietaanvraagformulier" (indien het de kredietnemer betreft) of een "informatieaanvraagformulier" (indien het de persoonlijke zekerheidssteller betreft). Een dergelijk aanvraagformulier moet niet voorgelegd worden aan de zakelijke zekerheidssteller.
Die formulieren moeten worden voorgelegd onder de vorm van een vragenlijst "met een beschrijving van alle informatie gevraagd door de kredietgever en/of de kredietbemiddelaar" (art. VII.126, § 2, 1e lid WER). Luidens artikel VII.126, § 2, derde lid WER moet de vragenlijst ten minste betrekking hebben op het doel van het krediet, het inkomen, de personen ten laste, de lopende financiële verbintenissen waaronder het openstaand bedrag en het aantal kredieten in omloop.
De vragenlijst is altijd verplicht
De vragenlijst moet verplicht worden voorgelegd aan de consument-kredietnemer en/of de persoonlijke zekerheidssteller. Het is immers een essentiële fase in het proces van totstandkoming van de kredietovereenkomst. De gehele geest van het WER en van de richtlijn rust op de afstemming van het krediet op de behoeften van de consument en zijn terugbetalingscapaciteit. De vragenlijst is dus de sokkel waarop de raadgevingsplicht en de beoordeling van de kredietwaardigheid wordt gebouwd. De kredietgevers moeten deze formulieren bewaren als bewijs tot de volledige terugbetaling van het krediet.
De wet legt aldus een bijzonder bewijsmiddel op aan de kredietgevers en -bemiddelaars. De vragenlijst (en de eventuele verduidelijkingen die worden aangebracht ten gevolge van de aanvullende vragen van de kredietgever of van de kredietbemiddelaar), is ook een belangrijk bewijsdocument in het kader van de informatie-inwinningsplicht van de kredietgever en -bemiddelaar. De kredietgever en -bemiddelaar dragen de bewijslast dat ze de consument onder andere ondervraagd hebben over diens inkomsten en financiële lasten, en hierbij dus minstens de vragen over de punten opgesomd in artikel VII.126, § 2, derde lid WER hebben voorgelegd. Worden er in een latere precontractuele fase nog aanpassingen aangebracht door de consument (bijvoorbeeld door op zijn vraag het kredietbedrag te wijzigen), dan moet de kredietgever zowel het aangepaste antwoord als het initiële antwoord van de consument documenteren en bewaren in zijn systeem.
De kredietgever moet niet noodzakelijk de informatie enkel ophalen bij de consument zelf. De kredietgever kan én moet ook databanken raadplegen, in het bijzonder de CKP. De kredietbemiddelaar daarentegen heeft geen toegang tot de gedetailleerde resultaten uit de CKP.
De wet vereist niet dat de informatie die de kredietgever verzamelt uit bijvoorbeeld interne databanken, op het aanvraagformulier worden vermeld. De kredietgever moet deze informatie wel bewaren. Het aanvraagformulier is louter een weergave van de antwoorden zoals meegedeeld door de consument (en niet zoals extra vergaard noch geverifieerd door de kredietgever). De kredietgever moet wel op de vragenlijst, volgens artikel VII.126, §2, laatste lid WER, de bestanden die, overeenkomstig artikel VII.137 WER, zullen worden geraadpleegd, vermelden.
De vragenlijst die met de hand wordt ingevuld door de consument: een goede praktijk van de zorgvuldige en voorzichtige beroepsbeoefenaar
Het gebruik van de term "vragenlijst" betekent dat de consument zelf de vragen moet beantwoorden die deze bevat. Het kan dus niet gaan om een formulier waarop vooraf ingevulde en gestandaardiseerde gegevens voorkomen waarmee de consument zich akkoord verklaart door de loutere ondertekening ervan.
De wet vereist niet dat de vragenlijst wordt ingevuld met de hand door de consument of de persoonlijke zekerheidsteller. Deze zeer aanbevolen praktijk is echter de beste manier om te beantwoorden aan de doelstellingen die worden nagestreefd door de wetgeving. Zij dringt zich om verschillende reden op als een gedragsregel van de zorgvuldige en voorzichtige kredietgever of -bemiddelaar:
- Indien de consument ze met de hand invult, betekent dit dat de vragen voldoende duidelijk zijn en dat hij in staat is om de draagwijdte ervan te begrijpen. Het is net het doel van het Wetboek om van de consument een zo geïnformeerd mogelijke toestemming te krijgen. Het vermogen van de consument om de vragenlijst alleen te beantwoorden, geeft blijk van de mate waarin de ondertekenaar de draagwijdte begrijpt van de verbintenis die hij wil aangaan. Omgekeerd zal het feit dat de consument moeilijkheden ondervindt bij het invullen ervan de aandacht van de kredietgever vestigen op de noodzaak om bijkomende, passende toelichtingen te verstrekken in de zin van artikel VII.129 WER.
- De vragenlijst verplicht de consument om zich bewust te worden van het belang van de verbintenissen die hij al is aangegaan en van zijn financiële situatie. Het is een nuttig instrument in de strijd tegen impulsieve kredietaanvragen. Door de consument uit te nodigen om de vragenlijst zelf in te vullen met de hand of digitaal, verzekert de kredietgever en -bemiddelaar zich van de kwaliteit van de toestemming van de consument.
- In te veel gevallen, waar de vragenlijsten ingevuld werden door de beroepsbeoefenaar, werd de administratie op de hoogte gebracht van praktijken van kredietbemiddelaars – kredietmakelaars of verbonden agenten –, die niet alle door de consument gegeven informatie hebben overgeschreven of zelfs, in extreme gevallen, de consument aangemoedigd hebben om bepaalde verbintenissen niet te vermelden of andere te minimaliseren. Door de vereiste op te nemen in hun commerciële procedures dat de vragenlijst met de hand moet worden ingevuld door de consument kan het risico op dergelijke oneerlijke handelspraktijken verminderd worden.
- De bewijslast dat de informatie die in het aanvraagformulier is opgenomen overeenstemt met de door de consument meegedeelde informatie rust op de kredietgever en -bemiddelaar. Een door de consument met de hand ingevuld aanvraagformulier biedt bewijsmatig de meeste zekerheid.
De kredietgever moet dit formulier bewaren zolang het krediet niet volledig is terugbetaald.
Ondertekening van de vragenlijst
Hoewel dit evenmin vereist is door de wettekst, is de ondertekening van de vragenlijst -vanuit bewijsperspectief - ten zeerste aangeraden. Bij gebreke zou de informatie van de vragenlijst moeten beschouwd worden als zuivere indicaties zonder verbintenis van de consument (Vred. Sint-Niklaas (2e kanton), 20 februari 1997, D.C.C.R., 1997, 157 en opm. F. Domont Naert ; Vred. Wellin, 1 september 1993, D.C.C.R., 1994, 56 ; Rb. Gent, 30 juni 1997, Jaarboek Kredietrecht, 1997, 69; D.C.C.R, 1998, 118 en noot M. Dambre, “Informatie- en onderzoeksplicht inzake consumentenkrediet”, 124 ; Vred. Brasschaat, 27 mei 1997, T. Vred., 1998, 555; Vred. St-Niklaas, 25 februari 1998, Jaarboek Kredietrecht, 1998, 147; Rb. Gent, 10 december 1999, T. Vred., 2002, 82).
De verplichting om juiste en volledige antwoorden te verstrekken
De kredietgever moet een individueel onderzoek verrichten en de consument en de persoonlijke zekerheidssteller moeten juiste en volledige antwoorden geven. De kredietgever en -bemiddelaar moeten een individueel onderzoek verrichten, hetgeen impliceert dat hij de mogelijke antwoorden niet beperkt tot gestandaardiseerde antwoorden in een lijst, maar dat hij de consument minstens de kans biedt om, waar gewenst, uitleg te verstrekken in “vrije velden”. De door de consument opgestelde antwoorden kunnen desgevallend worden ingegeven door de commerciële medewerker van de kredietgever (of de kredietbemiddelaar) in zijn informaticasysteem, zodat de kredietgever over “gestandaardiseerde” antwoorden beschikt voor intern gebruik. Dat document kan – vanuit bewijsoogpunt - ter ondertekening worden voorgelegd aan de consument. Men kan immers namens de consument de antwoorden registreren en achteraf de uitdrukkelijke bevestiging door de consument (via zijn handtekening) vragen dat de inhoud van de ingevulde velden overeenstemt met zijn antwoorden. Bij discussie (achteraf) rust uiteraard de bewijslast op de kredietgever of -bemiddelaar.
De kredietgever en de -bemiddelaar moeten ervoor zorgen dat de consument alle vragen die hem gesteld worden beantwoordt. Het is echter de verantwoordelijkheid van de consument om de vragen volledig en correct te beantwoorden. Als de consument het antwoord op een betrokken vraag blanco laat, kan dit wel gevolgen hebben voor zijn kredietaanvraag. In functie van de inhoud van de vraag (inkomen, gezinssituatie…) moet de kredietgever weigeren om krediet te verstrekken, in voorkomend geval in afwachting van verduidelijkingen door de consument (art. VII.126, § 1, derde lid WER).
De kredietwaardigheidsbeoordeling van de consument berust, onder andere, op de antwoorden die door de consument worden verstrekt tijdens de precontractuele fase. Indien de consument onjuiste of onvolledige antwoorden verstrekt, stelt hij zich bloot aan de ontbinding van de kredietovereenkomst te zijnen laste. Het is belangrijk dat de kredietgevers tijdens de precontractuele fase de aandacht van de consument vestigen op het belang van de antwoorden die hij zal verstrekken en van de juistheid ervan. Hoewel niet wettelijk verplicht, beveelt de administratie aan om in het formulier een waarschuwing op te nemen betreffende de gevolgen van de weglatingen of onjuiste of onvolledige verklaringen.
De wet vereist niet dat een kopie van de ingevulde vragenlijst wordt overhandigd aan de consument maar deze praktijk verdient aanbeveling. Bovendien als de kredietgever vereist dat de consument de vragenlijst ondertekent, dan is het in de praktijk gebruikelijk dat de consument een exemplaren krijgt van alle documenten die hij ondertekend heeft.
Datum van de informatie
De wet bepaalt niet op welk moment in de precontractuele fase de informatie moet verzameld worden. De eigenlijke informatie moet worden gevraagd bij het begin van de onderhandeling met de consument (onder meer om te voldoen aan de verplichting om gepersonaliseerde precontractuele informatie (ESIS) te verstrekken en een kredietaanbod dat is aangepast aan de uitgedrukte behoeften). Zij moeten ten laatste in het bezit van de kredietgever zijn op het moment dat deze het kredietwaardigheidsonderzoek uitvoert.
Daarentegen, des te ouder de inlichtingen en in het bijzonder de bewijsstukken zijn, des te meer zij dreigen voorbijgestreefd en dus onjuist te zijn. In het kader van de passende procedures die zij moeten aannemen, zullen de kredietgevers en -bemiddelaars erover waken dat zij de geldigheidstermijnen van de aan de consument gevraagde bewijsstukken verduidelijken, zoals bijvoorbeeld, voor de loonfiche.
Voor de geldigheidsduur van de raadpleging van de CKP gelden sowieso wettelijke termijnen (zie de bespreking bij de CKP).
Het onderhoud met de consument: waarborgen van de vertrouwelijkheid
In de feiten verloopt dit onderzoek meestal in de vorm van een onderhoud in de loop waarvan de consument de aan hem gestelde vragen zal beantwoorden en spontaan informatie zal verstrekken zowel betreffende zijn project als zijn persoonlijke situatie. Het is belangrijk dat de kredietgever, of zijn -bemiddelaar, in de praktische omstandigheden voorziet die de consument toelaten om de vragen volledig te beantwoorden: voldoende tijd wordt besteed aan deze fase, het onderhoud vindt plaats op een plaats die de vertrouwelijkheid van de door de consument gegeven antwoorden waarborgt en de consument tijd voor reflectie biedt (bij voorkeur in een kantoor dat fysiek afgescheiden is van de rest van de verkoopruimte), de vragen zijn duidelijk en worden desgevallend uitgelegd.
De vragenlijst in het krediet op afstand
Indien een kredietaanvraag door de consument wordt ingediend op een informaticaplatform van de kredietgever (bijvoorbeeld een website) moeten alle door de consument ingegeven gegevens ongewijzigd bewaard worden. Het platform of systeem van de kredietgever of -bemiddelaar moet ook detecteren en voorkomen dat eenzelfde consument (of een fraudeur in zijn naam) (kort na elkaar) verschillende kredietaanvragen kan indienen (bijvoorbeeld om meerdere kredieten te bekomen waarmee hij lopende schulden afbetaalt; zie ook het verbod voor kredietbemiddelaars om kredietaanvragen op te splitsen). Bovendien moet de kredietgever de consument duidelijk informeren dat hij over de mogelijkheid beschikt om de kredietgever te contacteren om hem te helpen bij het invullen van de vragenlijst.
Wanneer de aanvraag wordt ingediend door een mededeling op afstand van vocale aard, aanvaardt de FOD Economie dat de kredietgever de vragenlijst niet voorlegt aan de consument indien het gesprek wordt opgenomen en bewaard gedurende, ten minste, de gehele looptijd van het krediet. Indien de kredietgever gebruik maakt van deze mogelijkheid, maakt hij aan de consument, voor de totstandkoming van het krediet, op een duurzame gegevensdrager een samenvatting over van de antwoorden die hij heeft verstrekt.
De inhoud van de vragenlijst
De in te zamelen informatie
Krachtens artikel VII.126, §2, lid 3 WER moet deze vragenlijst de consument ten minsten ondervragen over de volgende elementen: Het doel van het krediet, het inkomen, de personen ten laste, de lopende financiële verbintenissen waaronder het openstaand bedrag en het aantal kredieten in omloop. Het betreft een minimumlijst. De kredietgever moet, op basis van zijn ervaring, alle informatie bepalen die hij nodig heeft om een adequate kredietwaardigheidsanalyse uit te voeren.
De gezondheidskosten zijn met opzet weggelaten uit deze lijst. Rekening houdend met het verbod dat wordt opgelegd door de wet, moet er de voorkeur aan gegeven worden dat de kredietgever de consument niet ondervraagt over dit soort kosten. De kredietgever moet er niettemin voor zorgen dat de consument in staat is om de normale uitgaven inzake gezondheidszorg te betalen bij de kredietwaardigheidsbeoordeling.
De kredietaanvraag ondervraagt de consument eveneens over het bedrag en de looptijd van het gewenste krediet.
De waarschuwing betreffende de verplichting om inlichtingen te verstrekken
Volgens artikel VII.126, § 1, lid 3 WER waarschuwt de kredietgever of de kredietbemiddelaar de consument dat, indien de kredietgever geen kredietwaardigheidsbeoordeling kan uitvoeren omdat de consument ervoor kiest de voor een kredietwaardigheidsbeoordeling vereiste informatie of controlegegevens niet te verstrekken, het krediet niet kan worden toegekend. Deze waarschuwing kan in gestandaardiseerde vorm worden verstrekt.
Deze waarschuwing kan nuttig worden opgenomen in de hoofding van de vragenlijst die aan de klant wordt voorgelegd.
De vermelding van de vereiste bewijsstukken
De kredietgever en, desgevallend, de kredietbemiddelaar, specificeert in de precontractuele fase op een duidelijke en begrijpelijke wijze welke noodzakelijke informatie en onafhankelijk verifieerbare bewijsstukken de consument moet verstrekken en binnen welke termijn de consument die informatie moet verstrekken (artikel VII.126, § 2, lid 2 WER). Het is nuttig om in het formulier de informatie te voorzien die vereist is betreffende de te verstrekken stukken. Deze vermelding kan nuttig worden opgenomen in het formulier naast de informatie die het bewijsstuk moet staven.
De vermelding van de geraadpleegde databanken
Het formulier moet de aanduiding bevatten van de databanken die zullen geraadpleegd worden, dit wil zeggen, minstens de Centrale voor Kredieten aan Particulieren en de databanken van de kredietgever.
De mededeling betreffende de tarieven en de financiële voorwaarden
De aanvraagformulieren moeten voorts minstens de volgende gegevens bevatten (artikel VII.126, § 3 WER):
- het tarief van de door de kredietgever gevraagde kosten;
- een verwijzing naar de van toepassing zijnde prospectus en de aanduiding van de plaats waar die beschikbaar is;
- indien de rentetarieven afzonderlijk bij de prospectus gevoegd worden, de dagtekening van deze tarieven.
Sancties
Op de niet-naleving van deze verplichtingen staan burgerrechtelijke sancties, een strafsanctie van niveau 5 en administratieve sancties (met inbegrip van de administratieve geldboete). De consument mag bovendien – bij miskenning van deze bepaling – op ieder ogenblik en zonder enige vergoeding het krediet terugbetalen. Indien de consument van dit recht gebruik maakt en de debetrentevoet of de periodieke rentevoet niet kan worden bepaald doordat de kredietovereenkomst niet de nodige elementen bevat, worden de gelopen intresten berekend aan de wettelijke rentevoet (art. VII.214/10, § 1 WER).
De aanbevelingen uit de Guidelines van de administratie betreffende consumentenkrediet
Deze aanbevelingen kunnen naar analogie ook bij hypothecaire kredieten toegepast worden.
zie de volledige tekst van de guidelines
Het doel van het krediet
De bedoeling van de vragen over het doel van het krediet is de kredietgever in staat te stellen te voldoen aan zowel zijn informatie- en raadgevingsverplichtingen als zijn verplichtingen inzake professionele toewijding en voorzichtigheid.
Onder “doel van het krediet” moet worden begrepen: de bedoeling van de consument, het gebruik van de som die hem ter beschikking wordt gesteld door het krediet. Wanneer het oorspronkelijk door de consument gevraagde bedrag verschilt van het uiteindelijk toegekende kredietbedrag, bewaart de kredietgever in zijn dossier een spoor van de verschillende aanvragen.
De consument moet antwoorden op alle vragen die hem gesteld worden. Hij moet het doel van het krediet meedelen.
Indien de kredietgever aan de consument gestandaardiseerde antwoorden wil suggereren betreffende het doel van het krediet, stelt hij betekenisvolle antwoorden voor. De gestandaardiseerde vermeldingen “financiering van diverse uitgaven”, “geldelijke middelen” in het geval van een hypothecair krediet of vergelijkbare vage en gestandaardiseerde vermeldingen in de kredietaanvraag zijn niet betekenisvol.
Op basis van zijn ervaring identificeert de FOD Economie een niet-exhaustieve lijst van doelen van het krediet:
- aankoop woning
- aankoop bouwgrond
- bouw woning
- werken aan onroerend goed
- herfinanciering
- gemengd doel (aankoop + werken of aankoop bouwgrond + bouw).
Bij de financiering van een goed of een dienst moet de kredietgever informeren naar het bedrag van de uitgaven die de consument overweegt. Er wordt aangeraden dat de kredietgever daarvoor vraagt naar een kopie van de bestelbon of een gedetailleerde kostenraming. Enerzijds om het kredietbedrag te bepalen dat het best is aangepast conform artikel VII.131 WER en anderzijds, indien van toepassing, om de wettelijke voorschriften inzake de gelieerde overeenkomsten te kunnen respecteren.
Bij de herfinanciering van bestaande schulden moet de kredietgever meer in het bijzonder informeren naar die schulden. Hij moet ook vragen naar het doel van het krediet of de kredieten waarvoor de herfinanciering wordt gevraagd. Wanneer het krediet waarvoor de herfinanciering wordt gevraagd al tot doel had een of meerdere kredieten te herfinancieren, kan de kredietgever met die informatie een situatie van zogenaamde cascadekredieten vermijden, waarbij een consument regelmatig dezelfde schuld herfinanciert, en zich steeds een beetje meer in de schulden werkt.
In de praktijk stelt de FOD Economie soms vast dat in centralisatiekredieten aan een hoog JKP ook kredieten worden geherfinancierd die aanvankelijk aan een veel lager JKP werden aangegaan. Bepaalde niche kredietgevers hergroeperen alle (krediet)schulden van de consument (die ook eigenaar is van minstens 1 woning) in een hypothecair krediet zonder dat deze afweging en analyse van de JKP's te maken. Bijvoorbeeld: een autofinanciering aan 2,5 % die nog gedurende 10 maanden moet worden terugbetaald, wordt mee opgenomen in een herfinancieringskrediet dat moet worden terugbetaald aan een JKP van 9,95 % en met een looptijd van 240 maanden. Een autokrediet voor een wagen van 3 of 4 jaar oud, wordt zo mee opgenomen in een nieuw krediet dat veel langer en aan een hoger JKP zal lopen.
In het kader van een hypothecair krediet kunnen liquide middelen (bijkomend) ontleend worden (naast de aankoop van een huis of hergroepering van schulden). Als de liquide middelen dienen om werken aan het huis in waarborg uit te voeren of voor de constructie van een woning, worden deze normaal gezien uitbetaald in functie van de vordering van de werken (mits voorlegging van facturen). Als er liquide middelen worden gegeven in het kader van een hergroepering durven die wel eens variëren in functie van de ontvangst van de definitieve afrekening van de notaris. De Economische Inspectie is van oordeel dat het geven van dergelijke liquide middelen ook gemotiveerd moeten worden, hoe beperkt het bedrag ook is.
Wanneer de consument, die op een verzekering wenst in te tekenen, ervoor kiest die te financieren met behulp van krediet, moet hij dat vermelden bij het doel van de kredietaanvraag.
Wanneer het aangevraagde krediet meerdere doelen heeft (gemengd doel), moeten die elk apart worden vermeld in het antwoord van de consument.
De inkomsten
Onder inkomsten verstaat men zeker inkomsten uit loonarbeid, werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen van mutualiteiten of verzekeringen, inkomen als zelfstandige, maar het kunnen ook inkomsten zijn gekoppeld aan het vermogen, zoals inkomsten uit verhuur, lijfrenten, intresten en dividenden op een effectenportefeuille, …
Er bestaan heel wat verschillende inkomsten, die zelf nog vele varianten kennen. Het is aan de kredietgever om de inkomsten van de consument correct te identificeren.
De kredietgever mag niet uitgaan van het bestaan van inkomsten zonder de consument te hebben ondervraagd over het reële bestaan ervan en desgevallend het bestaan en de regelmatigheid ervan te hebben gecontroleerd.
De aanwezigheid van kinderbijslag, dubbel vakantiegeld, eindejaarspremies en alle overige periodieke terugkerende voordelen moet effectief door de consument zijn meegedeeld of worden vastgesteld door de kredietgever als hij die wil opnemen in de inkomsten.
Het identificeren van de inkomsten van de consument heeft tot doel alle sommen te bepalen waarvan men redelijkerwijze mag aannemen dat de consument ze zal ontvangen tijdens de duur van het krediet. Het gaat er dus om, op het moment van de toekenning van het krediet en op basis van de elementen waarover de kredietgever op dat ogenblik beschikt of zou moeten beschikken, toekomstige inkomens in te schatten.
De inschatting van die toekomstige inkomens dient te gebeuren op basis van de elementen die bekend zijn op het moment van het onderzoek. De aard van een dergelijke extrapolatie is onzeker. Om die uit te voeren, kan de kredietgever zich baseren op inkomsten voorafgaand aan de kredietaanvraag. Hij moet inschatten of de consument die redelijkerwijze zal verwerven gedurende de volledige duur van het krediet.
De mate van onderzoek hangt af van het vaste en zekere karakter van de gekende inkomsten. Hoe variabeler de inkomsten, hoe meer de kredietgever informatie moet inwinnen over een lange periode om die variatie te bepalen. Dat om zich ervan te vergewissen dat de consument altijd in staat zal zijn zijn verplichtingen na te komen wanneer hij het laagste waargenomen of voorzienbare inkomen ontvangt. Als de inkomsten variabel zijn, baseert de kredietgever zich op betrouwbare documenten, zoals bijvoorbeeld het aanslagbiljet van de consument, btw-aangifte, ….
De kredietgever moet de schommeling van de inkomsten in de toekomst voorzien als dat redelijkerwijze mogelijk is of hij hieromtrent door de consument werd ingelicht. Wanneer zich tijdens de duur van de kredietovereenkomst wellicht een gebeurtenis zal voordoen die de inkomsten van de consument kan verminderen, moet de kredietgever de consument bevragen om te bepalen wat zijn inkomsten zullen zijn na die gebeurtenis. Concreet is dat bijvoorbeeld het geval wanneer redelijkerwijze verwacht mag worden dat de consument met pensioen zal gaan tijdens de duur van het krediet (zie ook § 104 van de EBA Guidelines on loan origination and monitoring) of dat de kredietgever voorafgaand was geïnformeerd dat de consument in vooropzeg was. In dat geval probeert de kredietgever, op basis van de door de consument verstrekte informatie en eventueel bewijsstukken, vast te stellen welke inkomsten de consument zal genieten (pensioen, werkloosheidsvergoeding,…).
Hoe langer het krediet loopt, hoe meer de kredietgever zich ervan moet vergewissen dat de geïdentificeerde inkomsten gegarandeerd zijn.
De personen ten laste
De kredietgever ondervraagt de consument over de personen te zijnen laste om te bepalen welke kosten die personen doen ontstaan.
Meerdere studies tonen aan dat de kosten verschillen naargelang van de leeftijd van de persoon ten laste. De kredietgever zou de consument op zijn minst moeten vragen naar de leeftijdscategorie en de status van de personen te zijnen laste.
De wetgeving streeft ernaar dat ook iedere vorm van overmatige schuldenlast bestreden wordt.
De ouders van een kind zijn er op grond van artikel 203, §1 van het Burgerlijk Wetboek toe verplicht, naar evenredigheid van hun middelen, in te staan voor de volgende kosten: de huisvesting, het levensonderhoud, de gezondheid, het toezicht, de opvoeding, de opleiding en de ontplooiing van hun kinderen. Die verplichting kan doorlopen na de meerderjarigheid van het kind indien de opleiding van het kind niet voltooid is.
Om te bepalen welke kosten een persoon ten laste doet ontstaan, kan de kredietgever ervoor kiezen een "kostenforfait” vast te stellen voor elk type persoon ten laste. Als hij daarvoor kiest, zal hij niettemin een forfait moeten bepalen dat redelijkerwijze voldoende is om in te staan voor alle kosten van de levensnoodzakelijke behoeften, als de personen ten laste zijn kinderen zijn. De kredietgever bepaalt die bedragen op basis van een gedocumenteerde berekening, gebaseerd op verifieerbare gegevens. In elk geval zullen die forfaits aangepast zijn aan het type van de persoon ten laste (bijvoorbeeld de leeftijdscategorie) van de consument.
In geen geval mag de kredietgever die forfaitaire lasten laten overeenstemmen met de bedragen die de consument ontvangt als kinderbijslag. Kinderbijslag is een hulp om die kosten te dragen. Algemeen wordt beschouwd dat die bedragen ontoereikend zijn om de last van een kind volledig te dragen.
Zo ook vormt de verwijzing naar het minimum vatbaar voor beslag een analyse van het kredietrisico en niet van de kredietwaardigheid.
De lopende financiële verbintenissen
De wet definieert niet wat ze verstaat onder “financiële verbintenis”. Het gaat om een ruimer begrip dan de lopende kredietverbintenissen. Het zal gaan om alle schulden die de consument moet terugbetalen, ongeacht de schuldeiser.
De wet beoogt zeker: de kredieten (1), de huur (2) en de alimentatie (3) die de consument verschuldigd is. In de praktijk stelt de FOD Economie vast dat die informatie altijd geëist wordt door de kredietgevers. Er bestaan bovendien heel wat andere financiële verbintenissen (4) die worden aangegaan door de consument (zie hieronder)
Huur en woonlasten
Wanneer de consument verklaart huurder te zijn, zorgt de kredietgever ervoor dat hem het door de consument betaalde huurbedrag wordt meegedeeld, eventueel te verhogen met de forfaitaire kosten voor de gemene delen.
Wanneer de consument verklaart gehuisvest te worden door een derde, moet de kredietgever geval per geval bepalen of het nodig is een bedrag te voorzien dat beschikbaar is om het hoofd te bieden aan een verandering van de situatie, rekening houdend met het al dan niet precaire karakter van die situatie.
Wanneer de consument eigenaar is van zijn woning, wordt aangeraden dat de kredietgever de consument vraagt naar de eventuele gedragen lasten, zoals lasten van de mede-eigendom.
De alimentatie
De kredietgever bevraagt de consument naar alimentatiebedragen die hij eventueel verschuldigd is.
De andere financiële verbintenissen
De consument kan bijvoorbeeld gebonden zijn door een aantal financiële verbintenissen die de vorm kunnen aannemen van abonnementen of bijdragen, zoals contracten voor de levering van elektriciteit, water, gas, telefoonabonnementen, verzekeringsovereenkomsten, huurcontracten voor voertuigen, abonnementen bij sportzalen, op tijdschriften en andere diensten die periodiek terugkerend uitgevoerd worden, …
Sommige van die verbintenissen zijn levensnoodzakelijke behoeften, onontbeerlijk voor het behoud van een menswaardig bestaan voor de consument en zijn gezin.
De kredietgever is niet gehouden met precisie de lasten die die uitgaven vertegenwoordigen, te bepalen. De techniek van het forfait mag worden toegepast. Aangezien die lasten sterk kunnen verschillen van consument tot consument, zal dat forfait voldoende hoog moeten zijn om op zijn minst de financiële verbintenissen te dekken die onontbeerlijk zijn voor het behoud van een menswaardig bestaan van de consument en ook voor de andere verbintenissen waartoe de consument over het algemeen is gehouden en die hij niet zonder opzegtermijn kan beëindigen. Opnieuw bepaalt de kredietgever die bedragen op basis van een gedocumenteerde berekening, gebaseerd op verifieerbare gegevens.
Verboden informatie
In geen enkel geval mag de kredietgever vragen stellen over het ras, de etnische afstamming, het seksuele gedrag, de gezondheid, de overtuigingen of activiteiten op politiek, levensbeschouwelijk of godsdienstig gebied of het lidmaatschap van een vakbond of van een ziekenfonds (artikel VII.126, §1, vierde lid WER).
Algemeen geldt dat de kredietgever moet oppassen dat hij aan geen enkele vorm van discriminatie doet. Zo vermijdt hij verschillende “scores” toe te kennen naargelang van het geslacht van de consument.
De FOD Economie stelt geen moeilijkheden vast wat betreft die verbodsbepalingen, met uitzondering van de vragen over de gezondheid van de consument wanneer een overlijdensverzekering wordt aangeboden samen met het aangaan van de overeenkomst. Die verzekeringen worden aangegaan door de kredietgever en/of de bemiddelaar in hun hoedanigheid van makelaar of verzekeringsagent van een derde maatschappij.
In de praktijk kunnen twee soorten polissen worden onderscheiden: de polissen aanvaard door de verzekeraar op basis van een zogenaamde verklaring van goede gezondheid en de polissen aanvaard op basis van een medische vragenlijst.
In elk geval mag de kredietgever de door de consument verstrekte gegevens over zijn gezondheid niet bewaren, op welke drager dan ook.
De wet verplicht de kredietgever te beschikken over gegevens betreffende de oorsprong van de inkomsten en het doel van het krediet. Die kunnen onrechtstreeks verband houden met de gezondheidstoestand van de consument (uitkeringen van het ziekenfonds, arbeidsongeschiktheid, financiering van een medische ingreep, …). Het verzamelen van die informatie door de kredietgever is niet onverenigbaar met het verbod uit artikel VII.126, §1, vierde lid WER. De kredietgever houdt rekening met die elementen, aangezien ze een invloed hebben op de kredietwaardigheid, en hij bewaart ze in het kredietdossier.