Andere informatie en diensten van de overheid: www.belgium.be
GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN
Kredietbemiddelaar
Definitie
Artikel I.9, 35° - Kredietbemiddelaar
Een rechtspersoon of een natuurlijke persoon die werkzaam is als zelfstandige in de zin van de sociale wetgeving, die niet optreedt als kredietgever en die kredietbemiddelingsactiviteiten uitoefent in het kader van zijn handels- of beroepsactiviteiten, tegen een vergoeding in de vorm van geld of enig ander overeengekomen economisch voordeel. Wordt hiermee gelijkgesteld de persoon die kredietovereenkomsten aanbiedt of toestaat wanneer deze overeenkomsten het voorwerp uitmaken van een onmiddellijke overdracht of indeplaatsstelling ten gunste van een andere vergunninghoudende of geregistreerde kredietgever aangewezen in de overeenkomst;
Definitie gewijzigd door de wet van 30 juli 2018 houdende diverse bepalingen inzake Economie van kracht op 15 september 2018.
Vorige definitie
een natuurlijke persoon of rechtspersoon die niet optreedt als kredietgever en die in het raam van zijn bedrijfs- of beroepsactiviteiten tegen een vergoeding in de vorm van geld of een ander overeengekomen economisch voordeel: a) aan consumenten kredietovereenkomsten voorstelt of aanbiedt; b) consumenten anderszins dan onder a) bedoeld, bijstaat bij de voorbereiding van het sluiten van kredietovereenkomsten; c) namens de kredietgever met consumenten kredietovereenkomsten sluit. Wordt hiermee gelijkgesteld de persoon die kredietovereenkomsten aanbiedt of toestaat wanneer deze overeenkomsten het voorwerp uitmaken van een onmiddellijke overdracht of indeplaatsstelling ten gunste van een andere erkende kredietgever aangewezen in de overeenkomst;
Commentaar
Ontstaan
De definitie vloeit rechtstreeks voort uit de richtlijn 2008/48/EG. Deze definitie die uiterst uitgebreid is, beoogt elke persoon die tussenkomst ongeacht de titel bij de voorbereiding, de aanvraag of het sluiten van de kredietovereenkomst en die geen kredietgever is in de zin van de wet. De Memorie van Toelichting van de wet van 13 juni 2010 herinnert eraan:Zowel de huidige en toekomstige wetgeving als de richtlijn beogen een kredietbemiddelaar in zeer brede zin van het woord: kredietmakelaar, verkoper, zakenaanbrenger, onderagent, al dan niet in nevenactiviteit, enz. Als er uitzonderingen zijn dan worden die in dit wetsontwerp uitdrukkelijk aangegeven. De aandacht wordt gevestigd op het feit dat dergelijke “bijstand” geen daad van verboden schuldbemiddeling mag inhouden. (Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 2009-2010, 2468/001, bl. 15 en bl. 53).
Richtlijn 2014/17/EU (hypothecair krediet) voegt enkele nuances toe aan deze definitie: de kredietbemiddelaar: de natuurlijke persoon of rechtspersoon die niet als kredietgever of notaris optreedt en niet enkel een consument rechtstreeks of onrechtstreeks met een kredietgever of een kredietbemiddelaar in contact brengt. De wet van 22 april 2016 die de richtlijn 2014/14/EU (die, in dit kader slechts een minimale harmonisatie voorziet) heeft de definitie van kredietbemiddelaar niet gewijzigd. De tussenkomst van de notaris als een ministerieel ambtenaar wiens tussenkomst noodzakelijk is voor de redactie van een hypothecaire handeling, is geen kredietbemiddelaar. Echter, is de notaris die buiten zijn wettelijke opdracht zou treden om een kredietovereenkomst te kunnen sluiten, wel beschouwd te worden als een kredietbemiddelaar (zie de praktijk van de “kantoorkredieten”).
In het kader van beroepsactiviteiten (vs. occasionele activiteiten)
De wet beoogt de personen die handelen in het kader van hun beroepsactiviteiten. Dit houdt uiteraard in dat de het personen zijn, die op regelmatige basis, bemiddelingsdaden verrichten. Deze activiteit is, op zich, een beroepsactiviteit. Maar de definitie beoogt ook de personen die een bemiddelingshandeling stellen in het kader van een beroepsactiviteit, wat deze ook mag zijn. Optreden in hoedanigheid van kredietmiddelaar, in het kader van beroepsactiviteiten, impliceert de kwalificatie van bemiddelaar in de zin van de wet: de sociale dienst die toebehoort aan de onderneming en die tussenkomt om de werknemers te helpen een krediet tot hergroepering van schulden te sluiten is een kredietbemiddelaar in de zin van het WER indien deze effectief bemiddelingshandelingen stelt. Ook de verkopers van goederen en diensten die bemiddelingen bieden voor het sluiten van kredieten op afbetaling opdat de aankoop van de goederen of diensten zou kunnen voltrokken worden, zijn kredietbemiddelaars. Zijn echter uitgesloten, de personen die, voor een onbaatzuchtig doel, tussenkomen buiten hun beroepsactiviteiten, voor een naaste of een vriend.
De tussenkomst voor de onderhandeling van een betalingsakkoord voor een bestaande krediet is ook een bemiddelingshandeling, als deze tussenkomst impliceert dat consument nieuwe lasten (kosten of interesten) dient te dragen, m.a.w. lasten die niet in rekening werden gebracht in de totaalkost van het krediet. Dit is ook van toepassing, zelfs wanneer deze nieuwe lasten degenen zijn die de nationale wet zou voorzien voor het in gebreke blijven tot de betaling van een schuld. Zo is een incassobureau dat in het kader van de bedrijfsmatige inning van vorderingen namens zijn opdrachtgevers overeenkomsten inzake betaling in termijnen aanbiedt aan de schuldenaren [(kredietnemers)] van deze opdrachtgevers en voor zijn werkzaamheden kosten in rekening brengt die uiteindelijk door de [kredietnemers] dienen te worden betaald, aan te merken als een «kredietbemiddelaar» in de zin van deze bepaling. Deze kredietbemiddelaar is er dus toe gehouden om alle verplichtingen die de richtlijn oplegt aan de kredietbemiddelaars, met in het bijzonder wat betreft de precontractuele informatie, na te leven (Zaak C-127/15 – arrest van het Hof van justitie (3e kamer), 8 december 2016 - Verein für Konsumenteninformation t. INKO, Inkasso GmbH, punt 44).
Een vergoeding in de vorm van geld of een ander overeengekomen economisch voordeel (vs. Niet tegen vergoeding / gratis handeling)
Het eenvoudige feit dat er een occasionele bemiddelingshandeling wordt gesteld in het kader van een beroepsactiviteit volstaat om de auteur ervan als een kredietbemiddelaar te beschouwen, indien de handeling is gesteld met de bedoeling een winstbejag na te jagen dat een vergoeding kan zijn of een economisch voordeel. Deze bedoeling dient niet exclusief te zijn. Zo kan de persoon die tussenkomt voor een naaste maar die zich laat vergoeden voor deze tussenkomst een bemiddelingshandeling stellen die wordt onderworpen aan het WER. Het criterium laat dus toe om een bemiddeling in het toepassingsgebied van de definitie te laten vallen, zelfs wanneer deze occasioneel is, in zoverre deze vergoed wordt. Het economisch voordeel zou er bijvoorbeeld in kunnen bestaan door de vertrouwensbanden te bekrachtigen ten aanzien van een persoon met wie de bemiddelaar zich in een handelsrelatie bevindt met betrekking tot andere producten.
De bemiddelingsdaden
De definitie (artikel I.9, 94) herneemt de nummering van de bemiddelingsdaden die in de twee Europese richtlijnen staan. In realiteit betreft het elke tussenkomst in de procedure van de vorming en het sluiten van de overeenkomst die wordt beoogd. Zo beoogt de bemiddeling voor de voorbereiding of het sluiten van een kredietovereenkomst een serie van handelingen die ertoe strekken prospecten te zoeken, producten van de kredietgevers voor te stellen, informatie te verzamelen om de vraag in te dienen, het dossier voor te leggen aan de kredietgever, diens akkoord aan de kredietnemers over te maken, hun handtekening te bekomen op de contractuele documenten, hun het geleende bedrag over te maken enz. De tussenkomst in de procedure van het sluiten van de overeenkomst in alle stadia of in één van enkelen ervan, doet de hoedanigheid van kredietbemiddelaar ontstaan.
De categorieën van bemiddelaars
Inzake consumentenkrediet onderscheidt men (VII.185), de kredietmakelaars die de producten van verschillende kredietgevers voorstellen en de verbonden agenten die in dienst staan voor slechts één kredietgever per productsoort. De agenten in een nevenfunctie, zijn bemiddelaars wiens kredietmakelaars activiteit ondergeschikt is aan een verkoop- of distributie activiteit van goederen of diensten.
Inzake het hypothecair krediet staat art. VII.180, § 4, slechts de statuten toe van kredietmakelaars, verbonden agenten en subagenten.
De kredietgevers die, van zodra de kredietovereenkomst wordt gesloten het krediet overdragen aan een derde die in de overeenkomst wordt aangeduid, worden gelijkgesteld aan kredietbemiddelaars. Deze personen worden in de overeenkomst voorgesteld als kredietgevers, maar hetzelfde contract voorziet in de onmiddellijke overdracht of de in de plaatstelling. De overeenkomst moet de aanduiding van de erkende kredietgever, die in de rechten van de kredietgever zal treden, vermelden.
De categorieën zijn exclusief. Een kredietbemiddelaar kan slechts worden ingeschreven in één categorie. Dit verhindert echter niet dat een kredietbemiddelaar zich kan inschrijven in verschillende regimes, bijvoorbeeld in het consumentenkrediet, in het hypothecair krediet, zowel als kredietbemiddelaar in bankdiensten en investeringen of als bemiddelaar in verzekeringen.
De kredietgevers gelijkgesteld aan kredietbemiddelaars
Artikel I.9,34°, WER, sluit de kredietgever die onmiddellijk zijn rechten overdraagt of in de plaats stelt ten gunste van een vergunning houdende uit van de definitie van kredietgever. In de overeenkomst worden deze personen wel als kredietgevers vermeld, maar dezelfde overeenkomst voorziet in de onmiddellijke overdracht of de in de plaats stelling. Het contract moet de aanduiding van de vergunde kredietgever, die in de rechten van de kredietgever zal treden, bevatten. In dit geval, stelt art. I.9., 34° deze personen gelijk aan een kredietbemiddelaar. Voorafgaand aan de uitoefening van hun activiteiten, moeten deze kredietgevers, die als kredietbemiddelaar worden gekwalificeerd, hun inschrijving vragen in deze hoedanigheid bij de FSMA. Deze gelijkstelling werd gedeeltelijk ingevoerd door de wet van 24 maart 2003 en vervolledigd door de wet van 13 juni 2010. De Memorie van toelichting verduidelijkt:
Economisch gezien fungeert deze persoon als een loutere tussenpersoon: het is de kredietgever overnemer die in werkelijkheid de voorwaarden van de kredietovereenkomst bepaalt. De voorgestelde wijzigingen hebben tot doel dat deze persoon juridisch wordt gelijkgesteld met de kredietbemiddelaar en dat bijvoorbeeld Hoofdstuk V van de wet op hem van toepassing wordt. Het is niet de bedoeling om de juridische status van de partijen bij de overeenkomst te wijzigen, maar enkel de verplichtingen die uit deze wet voortvloeien. (Parl. St., Kamer, 2001/2002, 1730/01, blz.8) (Parl. St., Kamer, 2001/2002, 1730/01, p.8).
Deze kredietgevers die door de wet als kredietbemiddelaars worden beschouwd, zijn onderworpen aan alle bepalingen van de wet voor wat betreft de kredietbemiddelaars. Zij handelen, zowel voor, tijdens en na het sluiten van de kredietovereenkomst in hun hoedanigheid van kredietbemiddelaars. Zij dienen dus alle verplichtingen die aan kredietbemiddelaars worden opgelegd, na te leven.
Deze wijziging werd ingevoerd door de wet van 24 maart 2003 voor de verkoop op afbetaling of financieringshuur. In de memorie van toelichting wordt gesteld: Economisch gezien fungeert deze persoon als een loutere tussenpersoon: het is de kredietgever overnemer die in werkelijkheid de voorwaarden van de kredietovereenkomst bepaalt. De voorgestelde wijzigingen hebben tot doel dat deze persoon juridisch wordt gelijkgesteld met de kredietbemiddelaar en dat bijvoorbeeld Hoofdstuk V van de wet op hem van toepassing wordt. Het is niet de bedoeling om de juridische status van de partijen bij de overeenkomst te wijzigen, maar enkel de verplichtingen die uit deze wet voortvloeien. (Parl. St., Kamer, 2001/2002, 1730/01, blz.8). De wetgever was van oordeel dat het niet nodig was die personen te onderwerpen aan het geheel van verplichtingen van kredietgevers. De kredietgever die wordt gelijkgesteld met een kredietbemiddelaar kan zijn activiteit enkel uitoefenen voor zover hij eerst is ingeschreven bij de FOD Economie bij uitvoering van artikel 77 §1, 1° van de wet. Alle voorschriften van hoofdstuk V (Kredietbemiddelaars) zijn van toepassing op deze bemiddelaars. Zij zijn bijvoorbeeld verplicht de uitbetaling van de commissie te spreiden (artikel 65) en zich in te schrijven als kredietbemiddelaars, ze hebben geen toegang tot de Centrale voor Kredieten aan Particulieren.
de uitzondering die werd ingevoerd door de wet van 24 maart 2003 werd uitgebreid tot alle kredietovereenkomsten en niet meer voorbehouden aan kredietgevers die verkopen op afbetaling aanbieden of sluiten of financieringshuur waarbij ze de overeenkomst onmiddellijk aan een andere kredietgever overdragen. Het behoud van deze uitzondering werd bekritiseerd door de Raad van State (memorie van toelichting, op. cit. p. 13 ev):
De Raad van State wees erop dat de omschrijving van het begrip “kredietgever” in artikel 1, WCK op die manier beperkter is dan hetgeen gesteld wordt in artikel 3, b) van de richtlijn en dat “de stellers van het ontwerp er dienen op toe te zien dat op die manier geen afbreuk wordt gedaan aan sommige bepalingen van de richtlijn die verplichtingen opleggen ten laste van kredietgevers, in de ruimere zin van de richtlijn.”
Het is voor de stellers geenszins de bedoeling om af te wijken van de richtlijn maar ze volledig naar de geest ervan om te zetten in Belgische regelgeving. De Europese regelgever heeft echter niet altijd oog gehad op typisch Belgische kredietovereenkomsten waaronder de verkoop op afbetaling met onmiddellijke overdracht van rechten aan de derde fi nancierder, waardoor bv het herroepingsrecht in de praktijk niet zou kunnen uitgeoefend worden (confer infra). De Europese Commissie werd, mbt deze problematiek, aangeschreven met de volgende vraag:
“In accordance with Article 3 (f) iii) a credit intermediary could be a person who is not acting as a creditor and “presents or offers credit agreements to consumers”. In Belgium it is currently possible that the initial “creditor” immediately (in the contract itself) assigns his rights to a third creditor, the latter being the actual (subrogated) creditor, in the sense that the consumer directly pays to him and he is the actual decision maker on whether the credit is consented, being allowed to consult the Central database on consumer credit himself, for reasons like the initial “creditor” being short of capital, fiscal advantages or escaping Belgian legislation on spreading commission rates paid to intermediaries. For certain types of credit (f.i. to purchase goods) these “creditors” are already “legally” considered to be “intermediaries” in Belgium. The idea is now to expand this qualification to other types of consumer credit where a “creditor” immediately assigns his rights to/subrogates another “creditor”. We would take Article 3 (f) iii) as the legal ground and explain it that way in the explanatory memorandum to the act. Could you agree with this? ”
De Europese Commissie verstrekte het volgende antwoord:
“It seems to us that your reasoning is compatible with the wording of Article 3 (f) (iii) provided that the creditor immediately assigning the contract earns a fee as indicated in the Article. This reasoning is also supported by Article 22 (3) asking Member States to ensure that the national provisions implementing the Directive cannot be circumvented as a result of the way in which agreements are formulated. If the kind of credit agreements you described envisage to circumvent the obligations for credit intermediaries (in particular those of Article 21 of the Directive), Article 22 (3) would be applicable. However, you should be aware that Article 7 exempts certain credit intermediaries from the pre-contractual information requirements and this Article might also be applicable to some of the traders you intend to target with your legislation.”
Uit het antwoord van de Commissie kan afgeleid worden dat de gelijkstelling in principe wel kan maar dat men op zijn hoede moet zijn mbt de volledige uitsluiting van de plicht tot het verstrekken van precontractuele informatie in het raam van artikel 7 van de richtlijn zoals omgezet in het ontworpen artikel 11ter WCK. Deze uitsluiting betreft leveranciers van goederen of aanbieders van diensten die bij wijze van nevenactiviteit als kredietbemiddelaar optreden. De Raad van State pikt hier op in: “Gelet op de ruimere draagwijdte die in de wet wordt gegeven aan het begrip “kredietbemiddelaar” zou het ontworpen artikel 11ter zo kunnen worden begrepen dat de verkopers die kredietovereenkomsten aanbieden met onmiddellijke indeplaatsstelling ten gunste van een erkende kredietgever, niet gehouden zijn tot naleving van de precontractuele informatieverplichtingen, hetgeen niet enkel op gespannen voet zou staan met het bepaalde in artikel 6 van de richtlijn, maar evenmin bevorderlijk zou zijn voor de coherentie van de Belgische wetgeving, aangezien met toepassing van het ontworpen artikel 11 van de wet van 12 juni 1991 ook kredietbemiddelaars aan de precontractuele verplichtingen kunnen worden onderworpen.
Er wordt verondersteld dat de Raad van State eerder artikel 5 en niet de beperkte toepassing van artikel 6 van de richtlijn voor ogen had. Los daarvan zijn de stellers van dit ontwerp het niet volledig eens met deze argumentering. Uiteindelijk moet er ook gekeken worden naar de economische realiteit die de voorgestelde bepalingen willen afdekken. Op vandaag worden de contracten van verkoop op afbetaling met onmiddellijke overdracht van de vordering vooral - maar niet uitsluitend - aangeboden door garagisten in het raam van autofinancieringen verstrekt door een captive-fiancieringsmaatschappij die de werkelijke kredietgever is. Het is precies dit soort nevenactiviteit van de garagist die door artikel 7 van de richtlijn wordt bedoeld, Dezelfde garagist kan eventueel voor dezelfde fi nancieringsverrichting een contract van lening op afbetaling voorleggen waarvoor hij dan de jure optreedt als kredietbemiddelaar. Dit lijkt evenmin coherentiebevorderlijk te zijn. Het belangrijkste is dat er in deze tijdig adequate professionele precontractuele informatie wordt verstrekt aan de consument en het is zeer twijfelachtig of dit kan gebeuren op het niveau van de garagist. Voor het overige wordt verwezen naar de bepalingen van het ontworpen artikel 11ter WCK en de hierbij verstrekte commentaar.
Inschrijving
De kredietbemiddelaars moeten worden ingeschreven bij de FSMA alvorens zij hun activiteiten kunnen aanvangen (VII.180, § 1, voor het hypothecair krediet en VII.184, § 1, voor het consumentenkrediet). De website van de FSMA voorziet alle nuttige informatie betreffende de voorwaarden en de inschrijvingsmodaliteiten:https://mcc-info.fsma.be/nl
De bepalingen van toepassing op de kredietbemiddelaars
Zeer veel bepalingen inzake gereglementeerde kredieten zijn zowel op de kredietgevers als op kredietbemiddelaars van toepassing. Dit is bijvoorbeeld het geval voor regels inzake de publiciteit of de raadgevingsplicht. De artikelen VII.112 tot VII.114 (consumentenkrediet)en VII.147/29 en VII.147/30 (hypothecair krediet) hebben echter specifiek de kredietbemiddelaars op het oog (makelaars en agenten).
Boek VII van het WER definieert de regels inzake de toegang tot het beroep van de kredietbemiddelaars en bepaalt de verhoudingen tussen de kredietbemiddelaars en de consumenten. Boek X bepaalt de verhoudingen tussen de verbonden agenten en hun opdrachtgevers, in het kader van hun agentuurverhouding.
Verschillende verbonden agenten oefenen ook een activiteit uit die wordt beheerst door de wet van 22 maart 2006 betreffende de bemiddeling in bank- en beleggingsdiensten en de distributie van financiële instrumenten.de twee wetgevingen zullen gelijktijdig van toepassing zijn.
De kredietbemiddelaars en de Centrale voor Kredieten aan Particulieren
De kredietbemiddelaar en de Centrale voor Kredieten aan Particulieren (CKP)
De kredietbemiddelaars worden niet vermeld op de lijst van derden die worden gemachtigd om toegang te hebben tot de overdraagbare gegevens. Art. VII.153 legt zelfs een verbod op aan de kredietbemiddelaar om de aanvrager van het krediet te gebruiken om zijn toegangsrecht tot de Centrale voor Kredieten aan Particulieren uitte oefenen: De kredietbemiddelaar mag aan de consument of, desgevallend, aan de zekerheidssteller niet vragen om zijn toegangsrecht tot de Centrale uit te oefenen met het oog op het hem overhandigen van het bekomen antwoord.
Het is de kredietbemiddelaars verboden om een toegang te hebben tot de persoonlijke gegevens waar de kredietgever over beschikt. Deze is echter wel gemachtigd om aan de kredietbemiddelaar een geglobaliseerd antwoord te verstrekken in zoverre de raadpleging heeft plaatsgevonden op basis van een concrete kredietaanvraag waarvoor deze kredietbemiddelaar daden van kredietbemiddeling stelt (VII.153, § 2). Dit geglobaliseerd antwoord kan slechts betrekking hebben op het aantal kredietovereenkomsten, de som van de geregistreerde kredieten en, in geval van weigering van het krediet in toepassing van art. VII.77, § 2, alinea 2, de vermelding dat de weigering zich steunt in de toepassing van voormelde bepaling.
De kredietbemiddelaars kan slechts gebruik maken van deze gegevens met het oog op de naleving van zijn verplichtingen zoals voorzien onder de artikelen VII. 69 tot VII 71, VII. 74 en VII. 75. Eens het kredietdossier door de kredietgever wordt afgesloten, dient het geglobaliseerd antwoord te worden verwijderd.
De bepaling onder 2° regelt een meer fundamenteel probleem. Er wordt van de kredietgever en kredietbemiddelaar verwacht dat zij de kandidaat-kredietnemer goed advies geven. De kandidaat-kredietnemer verwacht echter ook een uitleg indien zijn kredietaanvraagnegatief beantwoord wordt door de kredietgever. Op dit ogenblik is het de kredietgever in geval van kredietweigering niet toegestaan de kredietbemiddelaar erover in te lichten dat deze weigering is gebaseerd op de gegevens die zijn geregistreerd bij de Centrale voor Kredieten aan Particulieren van de Nationale Bank van België. Daardoor is de kredietbemiddelaar niet in staat de kandidaat-kredietnemer terdege over de reden van de kredietweigering door de kredietgever in te lichten. Dit probleem stelt zich des te meer sinds de wetgever bovendien vanaf 1 april 2015 in artikel VII.77, § 2, tweede lid, heeft bepaald dat de kredietgever geen nieuwe consumentenkredietovereenkomst zal mogen sluiten wanneer er in hoofde van de consument een wanbetaling(en) geregistreerd staat in de CKP voor een totaal achterstallig bedrag van meer dan 1 000 euro in het kader van een consumentenkrediet die niet werd afgelost. Dit is een nieuw gegeven, want een wettelijk verbod tot kredietverlening, waarover de consument niet zal kunnen ingelicht worden door de kredietbemiddelaar aangezien de kredietgever deze informatie niet ter beschikking mag stellen. Eenzelfde probleem doet
zich voor met betrekking tot de andere gevallen van een betalingsachterstand, waarbij de kredietgever slechts een nieuwe kredietovereenkomst mag sluiten mits een bijzondere motivering. In de praktijk zal de toepassing van deze maatregel in heel wat gevallen dode letter blijven, aangezien de kredietgever de bemiddelaar immers niet over het bestaan van een betalingsachterstand en de wettelijke vereiste van een bijzondere motivering kan inlichten. In beide gevallen zal de consument enkel op de hoogte kunnen gebracht worden van de weigering door de kredietgever zonder meer, dus zonder enige bijkomende informatie, met het verzoek de kredietgever hieromtrent te contacteren. Indien hij dit niet doet en zich tot een andere kredietgever wendt (of indien de makelaar via een andere kredietgever de aanvraag nogmaals indient) zal steeds opnieuw een weigering volgen, telkens zonder dat de betrokkene terdege kan worden ingelicht door de kredietbemiddelaar. Dit kan ertoe leiden dat zowel de kandidaat-kredietnemer als de betrokken bemiddelaars tot heel wat onnodige kosten en inspanningen worden gebracht die ze zich hadden kunnen besparen indien aan de consument bij weigering een correcte uitleg had kunnen worden verschaft door de kredietbemiddelaar. Een aanpassing van de huidige, te beperkte, mogelijkheid voor de kredietgever om de kredietbemiddelaar over de resultaten van de CKP raadpleging door de kredietgever in te lichten, dringt zich derhalve op. Deze bepaling mag geen afbreuk doen aan de verplichtingen in hoofde van de kredietgever krachtens artikel VII.79.
Parl.St., Kamer, Zitting 54, 1685/01, p. 55
Memorie van toelichting van de wet van 19 april 2014 houdende invoeging van boek VII "Betalings- en kredietdiensten" (...) (Parl. St., Kamer, Zitting 53, 3429/001, bl. 32:
Artikel VII.153, § 2 werd aangevuld met twee leden. Hierin wordt de mogelijkheid voorzien dat kredietbemiddelaars binnen zeer strikte voorwaarden, vanwege dekredietgever, de totaliteit van de verbintenissen van een consument — of desgevallend van een zekerheidssteller- inzake kredietverstrekking kunnen vernemen zoals die geregistreerd staat bij de Centrale. De informatie diede kredietgever hier kan verstrekken kan op geen enkele wijze betrekking hebben op een eventuele betalingsachterstand noch op de looptijd van de kredietovereenkomst of de nog te vereffenen termijnbetalingen, dit onder
meer met het oog op het vermijden van centralisatie of hergroeperingskredieten. Vermits de kredietgever zelf geen informatie ontvangt met betrekking tot de identiteit van de overige kredietgevers kan deze ook niet verder doorgegeven worden. Op basis van de ontvangen informatie kan de betrokken kredietbemiddelaar niettemin een eerste inschatting maken, desgevallend door de betrokken consument of zekerheidssteller verder te bevragen. Op deze wijze wordt ten dele tegemoet gekomen aan het fenomeen waarbij de kredietbemiddelaar — ten onrechte — beroep doet op het toegangsrecht van de
consument om zowel de identiteit van de kredietgevers als de looptijden te achterhalen en nieuwe kredieten voor te stellen die indruisen tegen de beginselen van zorgvuldige kredietverstrekking. In het tweede lid wordt voorgesteld deze praktijk te verbieden. Hiertoe werd ook een nieuwe strafsanctie voorzien.
Wanneer een persoon eens wordt geregistreerd als kredietgever en wordt ingeschreven als een kredietbemiddelaar, kan deze diens recht tot toegang tot de Centrale gebruiken als kredietgever, voor diens activiteiten van kredietbemiddelaar om te kunnen beoordelen of het opportuun is een dossier in te dienen bij een (andere) kredietgever of om een voorstel tot hergroepering te doen. Wanneer deze beschikt over de dubbele hoedanigheid, dient de professioneel dus te beslissen op basis van de vragenlijst of hij beslist om het krediet toe te kennen op eigen fondsen, en dan is de raadpleging van de Centrale noodzakelijk. Indien hij, op grond van de vragenlijst, zou beslissen dat het verzoek van de consument niet binnen de eigen criteria tot toekenning van een krediet zou liggen, kan hij in geen geval de Centrale raadplegen. Dan dient hij, zuiver en eenvoudig het krediet te weigeren, of het dossier indienen bij een andere kredietgever met wie hij regelmatig samenwerkt. Deze laatste kredietgever zal de Centrale raadplegen gezien deze hiertoe verplicht is. De administratie sanctioneert, op basis van onderzoek van de raadplegingen van de Centrale, de bemiddelaars die op systematische wijze de Centrale raadplegen voor alle kredietaanvragen die aan hen worden gericht (zie een PV van de administratie).
La DGCM considère que la SA AUTEUR1 a réalisé une infraction à l’article 8, §2 en consultant la Centrale pour réaliser des contrats de crédit à la consommation en agissant en qualité d’intermédiaire et non de prêteur. De plus Monsieur AUTEUR2 reconnait explicitement utiliser les informations obtenues pour proposer du regroupement de crédits. Il s’agit sans conteste d’une utilisation à des fins de prospection commerciale. Une telle utilisation est strictement interdite par la loi. La DGCM estime que cette utilisation à des fins commerciales dure depuis au moins 3 ans. En effet, le contrat de prêt à tempérament réalisé sur fonds propres par AUTEUR1 SA date de 2009. Aux dire de Monsieur AUTEUR2, ce contrat a été réalisé alors qu’il ne pratiquait plus de façon habituelle l’activité de prêteur mais uniquement d’intermédiaire. AUTEUR1 SA a utilisé la CCP de façon ininterrompue jusque januari 2013. D’autre part, la DGCM ne peut que s’interroger devant le nombre de consultations (719) face à la production effectivement réalisée (79). AUTEUR1 SA effectue une dizaine de consultations par jour ouvrable. Il apparait sur le listing fourni par la BNB que celles-ci se font souvent dans un intervalle de temps très réduit sur la journée (quelques minutes). La SA AUTEUR1 a fourni à la DGCM une partie des demandes de crédit justifiant les consultations de la CCP. Dans ces conditions, la DGCM ne peut exclure que des consultations ont été réalisées sans demande expresse de consommateur.
(2012)
De administratie erkent dat de kredietgevers die worden gelijkgesteld aan kredietbemiddelaars (die het krediet toekennen die zij onmiddellijk overdragen) de Centrale voor Kredieten aan Particulieren kunnen raadplegen onder de dubbele voorwaarde dat (1) zij beschikken over een eigen fondsen portefeuille waarvoor zij werden vergund in hoedanigheid van kredietgever en (2) dat zij worden gemachtigd door de kredietgever aan wie zij hun rechten overdragen om de Centrale in hun naam te raadplegen.
De persoonlijke gegevens van de mogelijke klanten van een kredietmakelaar is een bestand dat wordt onderworpen aan het algemeen kader van de GDPR en aan de bijzondere bepalingen van het WER. De overmaking van de gegevens door de kredietbemiddelaar aan de kredietgever vloeit voort uit de primaire doelstelling waarvoor de gegevens werden bekomen bij de consument. Alle nuttige inlichtingen met betrekking tot de situatie van de consument overmaken is bovendien een verplichting die rust op de kredietbemiddelaar ten aanzien van de kredietgever.
Advies van de Administratie
De handelaar die reclame brochures en/of promotionele documenten met verzoek tot consumentenkrediet ter beschikking geeft aan consumenten is onbetwistbaar een kredietbemiddelaar en dient de inschrijving aan te vragen, zelfs wanneer zij geen vergoeding ontvangt van de onderneming die de kredietkaart uitgeeft of van de kredietgever.
Indien de betalingswijze nl. «kaart Y» wordt vermeld onder dezelfde titel als de betaalwijze in geld, Proton, Aurora, Visa, Eurocard / Mastercard, Bancontact / Mistercash, American Express of Diners Club die door de onderneming NV X***, worden aanvaard, betreft het geen kredietpromotie. Het gaat inderdaad erom de consument in te lichten inzake de verschillende betaalwijzen waarover deze de keuze heeft. Kredietpromotie voeren en handelen als een kredietbemiddelaar zou betekenen dat de NV X*** haar cliënten inlicht dat zij helpt in de totstandkoming van de overeenkomsten tot kredietopening door haar cliënteel te leiden naar de uitgever van de kaart Y, wat niet het geval is door eenvoudig «kaart Y» te vermelden als een betaalwijze die aanvaard wordt.
De mailverkoper die in haar catalogus aan de consument de mogelijkheid biedt om een kredietopening te sluiten en wiens catalogus een verzoek tot kredietopening bevat is een kredietbemiddelaar.
De kredietbemiddelaar bij de uitvoering – monopolie van de schuldbemiddelaars
In de opvatting van de wetgever, is de bemiddelaar aan de uitvoering een schuldbemiddelaar. Eenmaal ondertekend, vereist de uitvoering van de kredietovereenkomst geen enkele tussenkomst meer van de kredietbemiddelaar. In geval van betalingsmoeilijkheden, dient ment in naam en voor rekening van de consument betalingstermijnen of een betalingsplan te onderhandelen met de of meerdere schuldeisers. Deze activiteit van de schuldbemiddelaar wordt voorbehouden voor advocaten, ministeriële ambtenaren, gerechtsmandatarissen en erkende diensten (VII.115 en VII147/31). Het is dus verboden voor kredietmakelaars en aangestelde agenten. De Memorie van toelichting van de wet van 13 juni 2010 herinnert in dit kader eraan dat de hulp tot het sluiten van de overeenkomst geen enkele daad die verboden wordt voor de schuldbemiddeling mag omvatten (Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 2009-2010, 2468/001, p. 15). De schuldbemiddelaars dienen niet ingeschreven te zijn bij de FSMA, maar voor sommigen erkend te zijn door de Gemeenschappen…
Eerste uitzondering – het aangaan van een nieuwe kredietovereenkomst
Het onderscheid is echter niet zeer duidelijk. Een makelaar of een aangestelde agent kan bepaalde taken in het kader van de uitvoering van de kredietovereenkomst vervullen. Zo kan hij van de kredietgever de opdracht krijgen om een cheque aan de consument ter beschikking te stellen of aan een derde die in de overeenkomst wordt aangeduid, zelfs wanneer het de kredietgever is die verantwoordelijk blijft tot de effectieve terbeschikkingstelling van de fondsen (VII.90, § 2,§ 2, en VII.147/3, § 2).
Bovendien kan hij tussenkomen om een nieuwe kredietovereenkomst te onderhandelen, bijvoorbeeld, om verschillende bestaande schulden inzake consumentenkrediet te hergroeperen. Zelfs wanneer het gaat om de onderhandeling van de hergroepering van de schuld, is het sluiten van een nieuwe kredietovereenkomst om vooraf bestaande schulden terug te betalen, een bemiddelingsactiviteit voor het sluiten van de overeenkomst conform de wettelijke definitie.
Wat betreft de kost die de hergroepering teweegbrengt voor de consument, neemt de raadgevingsplicht van de bemiddelaar een bijzondere dimensie aan: de artikelen les VII.114, § 4 en VII.147/30, § 4, verduidelijken dat wanneer een kredietovereenkomst wordt gesloten met het oog op de volledige, vervroegde terugbetaling van een vroegere kredietovereenkomst, er geen commissie verschuldigd is zo dezelfde kredietbemiddelaar voor beide overeenkomsten heeft bemiddeld, behoudens bij een betekenisvolle vermindering van het jaarlijkse kostenpercentage van de nieuwe overeenkomst ten aanzien van de vroegere kredietovereenkomst. (Zie commentaren inzake de hergroepering van schulden).
Tweede uitzondering – de invordering van de schuldvordering
De invordering van schuldvordering is een de activiteit van een bemiddelaar bij de uitvoering van de kredietovereenkomst: het invorderingsbedrijf treedt op in naam en voor rekening van de kredietgever met het oog om de schuldenaar ertoe aan te zetten een onbetaalde schuld te betalen. Deze activiteit wordt geregeld door de wet van 20 december 2002 die de activiteiten van de minnelijke invorderingen van de schulden van de consument beoogt (in tegenstelling tot de gerechtelijke invordering).