www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    VI.81 : Gezamenlijk aanbod en financiële diensten

    De bepalingen van boek VI

    Artikel VI.80

    Onverminderd artikel VI.81 is het gezamenlijk aanbod aan de consument toegelaten voor zover het geen oneerlijke handelspraktijk in de zin van de artikelen VI.93 en volgende uitmaakt.


    Artikel VI.81

    § 1. Elk gezamenlijk aanbod aan de consument, waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is, en dat verricht wordt door een onderneming of door verscheidene ondernemingen die handelen met een gemeenschappelijke bedoeling, is verboden.

    § 2. In afwijking van paragraaf 1 is het evenwel geoorloofd gezamenlijk aan te bieden :

      1° financiële diensten die een geheel vormen;

      De Koning kan, op voordracht van de bevoegde ministers en van de minister van Financiën, de in de financiële sector aangeboden diensten aanduiden die een geheel vormen;

      2° financiële diensten en kleine door de handelsgebruiken aanvaarde goederen en diensten;

      3° financiële diensten en titels tot deelneming aan wettig toegestane loterijen;

      4° financiële diensten en voorwerpen waarop onuitwisbare en duidelijk zichtbare reclameopschriften zijn aangebracht, welke als dusdanig niet in de handel voorkomen, op voorwaarde dat de prijs waartegen de onderneming ze heeft gekocht, niet meer bedraagt dan 10 euro, exclusief BTW, of 5 % van de prijs, exclusief BTW, van de financiële dienst waarmee ze worden aangeboden. Het percentage van 5 % is van toepassing wanneer het bedrag dat hiermee overeenstemt hoger is dan 10 euro;

      5° financiële diensten en chromo's, vignetten en andere beelden met geringe handelswaarde;

      6° financiële diensten en titels bestaande uit documenten die, na de aanschaf van een bepaald aantal diensten, recht geven op een gratis aanbod of een prijsvermindering bij de aanschaf van een gelijkaardige dienst, voor zover dat voordeel door dezelfde onderneming verstrekt wordt en niet meer bedraagt dan een derde van de prijs van de vroeger aangeschafte diensten.

      De titels moeten de eventuele uiterste geldigheidsduur en de voorwaarden van het aanbod vermelden.

      Wanneer de onderneming een einde maakt aan haar aanbod, heeft de consument recht op het aangeboden voordeel naar verhouding van de vroeger gedane aankopen.

     

    Commentaar

     

    Ontstaan

    Herinnering aan de evolutie van het standpunt van de Belgische wetgever inzake gezamenlijke aanbiedingen

     

    Het arrest van 18 juli 2013 van het Hof van Justitie van de EU

    In zijn arrest van 18 juli 2013 (Zaak C‑265/12 – Arrest van het Hof (eerste kamer) van 18 juli 2013 - Citroën Belux NV tegen Federatie voor Verzekerings- en Financiële Tussenpersonen (FvF)), heeft het Hof van Justitie geantwoord op verschillende prejudiciële vragen van het Hof van Beroep van Brussel. De zaak had betrekking op een gezamenlijk aanbod van Citroën, waarbij elke koper van een voertuig van dat merk gedurende 6 maanden een gratis omniumverzekering aangeboden kreeg. Een federatie voor verzekeringstussenpersonen heeft bij de rechter in kort geding van Antwerpen een verzoek ingediend voor een verbod op de aanbieding op basis van artikel 72 van de WMPC, dat nu ongewijzigd is overgenomen in artikel VI.81, WER.

    Deze bepaling is gebaseerd op de uitzondering van artikel 3.9 van de richtlijn 2005/29/EG betreffende oneerlijke handelspraktijken:

    1. Deze richtlijn is van toepassing op oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen jegens consumenten, zoals omschreven in artikel 5, vóór, gedurende en na een commerciële
    transactie met betrekking tot een product.
    (...)
    9.Wat „financiële diensten” in de zin van Richtlijn 2002/65/EG en onroerend goed betreft, mogen de lidstaten vereisten opleggen die voor het bij deze richtlijn geharmoniseerde gebied strenger of prescriptiever zijn dan de bepalingen van deze richtlijn.

    Artikel 2.b) van de richtlijn 2002/65/EG definieert financiële diensten als iedere dienst van bancaire aard of op het gebied van kredietverstrekking, verzekering, individuele pensioenen, beleggingen en betalingen;

    Artikel VI.81 verbiedt gezamenlijke aanbiedingen waarvan minstens één bestanddeel een financiële dienst is. De belangrijkste stelling die door Citroën werd verdedigd, was dat het aanbod voor een 6 maanden gratis omniumverzekering niet was voorbehouden aan de kopers van een voertuig. Dit argument werd door de Rechtbank van Koophandel te Brussel verworpen in een vonnis van 13 april 2011 (Kooph.. Brussel, 13 april 2011, DCCR 2012, 150, noot Longfils F., Jaarboek kredietrecht.  2011, 337, RABG 2011,1127, noot Steennot R.), waarin werd geoordeeld dat het aanbod gericht was tot de kopers van een voertuig van het merk, dat het een gezamenlijk bod was dat door artikel 72, § 1, van de WMPC werd verboden en dat het een oneerlijke praktijk vormde. In beroep heeft het Hof deze uitlegging bevestigd, maar erop gewezen dat artikel 3.9 van richtlijn 2005/29 op verschillende manieren kon worden geïnterpreteerd en heeft het Hof van Justitie daarom gevraagd of deze bepaling aldus kon worden uitgelegd dat zij in het algemeen elk gezamenlijk aanbod aan de consument verbiedt indien ten minste één van de elementen een financiële dienst vormt. In een tweede vraag heeft het Hof van Justitie de vraag voorgelegd of het verbod van artikel 72 van de WMPC [VI.81, WER] verenigbaar is met artikel 56 van het VWEU (Keirsbilck B. et  Terryn E., «Overzicht van rechtspraak. Handelsrecht en handelspraktijken 2003-2010», TPR 2011, p. 1145-1148, nrs. 290-292).

    Wat de eerste vraag betreft, herinnert het HJEU eraan dat richtlijn 2005/29 op communautair niveau in principe een volledige harmonisatie van de regels inzake oneerlijke handelspraktijken van ondernemingen ten aanzien van consumenten tot stand brengt, zodat de lidstaten, zoals artikel 4 van deze richtlijn uitdrukkelijk bepaalt, geen strengere maatregelen kunnen vaststellen dan die welke in deze richtlijn zijn neergelegd, ook niet om een hoger niveau van consumentenbescherming tot stand te brengen (zie arrest van 14 januari 2010, Plus Warenhandelsgesellschaft, C-304/08, Jurispr. blz. I-217, punt 41 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    Het HJEU vaststelt ook dat artikel 3, lid 9, van richtlijn 2005/29 zonder verdere precisering de lidstaten alleen toestaat strengere nationale regels vast te stellen met betrekking tot financiële diensten. Het beperkt derhalve niet de mate waarin de nationale regels op dit punt strenger mogen zijn, en bevat geen criteria voor de mate waarin die diensten complex moeten zijn of risico’s moeten inhouden, willen de lidstaten deze diensten aan strengere regels onderwerpen. Uit de tekst van die bepaling blijkt evenmin dat de strengere nationale regels alleen betrekking kunnen hebben op gezamenlijke aanbiedingen die uit verschillende financiële diensten bestaan of op gezamenlijke aanbiedingen waarvan de financiële dienst het hoofdbestanddeel vormt.
    Het HJEU oordeelt dus dat artikel 72 WMPC niet in strijd was met richtlijn 2005/29, ongeacht of de financiële dienst al dan niet het belangrijkste element van het gezamenlijk aanbod is en of die al dan niet bijzonder complex of risicovol is.

    Aangezien artikel 72 WMPC [VI.81, WER] een restrictievere maatregel definieert dan de regels van minimale harmonisatie van richtlijn 2005/29, moet deze nog voldoen aan de verenigbaarheidstoets met artikel 56 van het VWEU. Het Hof stelt vast dat de maatregel bedoeld is om de consument te beschermen en dat deze doelstelling in de rechtspraak wordt erkend als een dwingende reden van algemeen belang die een beperking van het vrij verrichten van diensten kan rechtvaardigen. De gepastheid van de beperking vloeit volgens het HJEU voort uit het feit dat financiële diensten van nature complex zijn en bijzondere risico’s inhouden waarover de consument niet altijd voldoende is voorgelicht. Voorts kan een gezamenlijk aanbod op zich bij de consument het idee van een prijsvoordeel wekken. Bijgevolg houdt een gezamenlijk aanbod waarvan een van de bestanddelen een financiële dienst is, een verhoogd risico in op een gebrek aan transparantie met betrekking tot de voorwaarden voor en de prijs en de exacte inhoud van die dienst. Derhalve kan een dergelijk aanbod de consument misleiden aangaande de werkelijke inhoud en eigenschappen van de aangeboden combinatie en hem tegelijkertijd de mogelijkheid ontnemen om de prijs en de kwaliteit van dit aanbod te vergelijken met soortgelijke prestaties van andere marktdeelnemers.

    Bovendien is de maatregel evenredig volgens het Hof aangezien het verbod niet algemeen is, maar uitzonderingen omvat.

    Het verbod op gezamenlijke aanbiedingen met ten minste één financiële dienst is ongetwijfeld van toepassing op gereglementeerde kredieten, of het nu gaat om consumentenkrediet of hypothecair krediet (zie. KEIRSBILCK B. "Verbod van gezamenlijk aanbod van financiële diensten verenigbaar met Europees recht", noot sub HJEU., 18 juli 2013, R.W. 2014, p. 1252 : Dit verbod zal de bijzondere verbodsbepalingen over gezamenlijke aanbiedingen van financiële diensten in de wetgeving over het hypothecair en het consumentenkrediet blijven aanvullen en kan ingevolge het geannoteerde arrest in de zaak-Citroën Belux blijven bestaan zolang art. 3, negende lid van de richtlijn blijft bestaan). 

    Zie de tabel Gezamenlijke Aanbiedingen en Gereguleerde Kredieten