www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    Onrechtmatige bedingen

    De bepalingen van boek VI

     

    De algemene regel

    In overeenkomsten die ze met consumenten sluiten, mogen ondernemingen geen onrechtmatige bedingen opnemen. Zijn onrechtmatig, bedingen die een kennelijk onevenwicht scheppen tussen de rechten en plichten van de partijen ten nadele van de consument, in overeenstemming met de huidige definitie van artikel I.8, 22°, WER. De richtlijn, die een minimale harmonisatie beoogt (art. 8 van richtlijn 93/13/EEG), bevat een algemene regelgeving en een indicatieve en niet-exhaustieve lijst van bedingen die als onrechtmatig kunnen worden beschouwd. Artikel 8 staat de lidstaten toe strengere bepalingen aan te nemen of te handhaven, om een hoger niveau van consumentenbescherming te waarborgen. Gebruikmakend van dit recht heeft de Belgische wetgever een zwarte lijst aangenomen van meer dan dertig bedingen die in alle omstandigheden als onrechtmatig worden beschouwd (VI.83). Er zijn in het Belgische recht dus twee niveaus van regels: de algemene regel van artikel VI.82 en de bijzondere regelgeving van de bedingen op de zwarte lijst.

    De bronnen

    De definitie is opgenomen in artikel 3 paragraaf 1 van de richtlijn 1993/13/EEG van 5 april 1993, licht gewijzigd (invoering van artikel 8bis door de richtlijn 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2011 betreffende consumentenrechten). De regels inzake onrechtmatige bedingen werden oorspronkelijk opgenomen in de wet van 14 juli 1991 betreffende de handelspraktijken en de voorlichting en bescherming van de consument (WHPC). Die wet werd opgeheven door de wet van 6 april 2010 betreffende marktpraktijken en consumentenbescherming (WMPC), die op haar beurt werd opgeheven door de wet van 26 december 2013 houdende invoeging van boek XVII “Bijzondere rechtsprocedures” in het Wetboek van economisch recht, en houdende invoeging van een aan boek XVII eigen definitie en sanctiebepalingen in hetzelfde Wetboek.

     

    Het begrip “professional”

    Voor de toepassing van de bepalingen inzake onrechtmatige bedingen dient het begrip “onderneming” te worden geïnterpreteerd door de nationale rechter het in het Belgisch recht  conform het begrip „verkoper” in de zin van richtlijn 93/13 (HJEU, C-147/16, ECLI:EU:C:2018:320).   De definitie beoogt iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die bij onder deze richtlijn vallende overeenkomsten handelt in het kader van zijn publiekrechtelijke of privaatrechtelijke beroepsactiviteit. Daaruit volgt dat artikel 2, onder c), van richtlijn 93/13 noch instellingen met een taak van algemeen belang noch publiekrechtelijke instellingen uitsluit van de werkingssfeer ervan (zie naar analogie arrest van 3 oktober 2013, Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs, C‑59/12, EU:C:2013:634, punt 32). Zoals de advocaat-generaal in punt 57 van haar conclusie heeft opgemerkt, is het al dan niet bestaan van een winstoogmerk bovendien niet relevant voor de definitie van het begrip „verkoper” in de zin van die bepaling, aangezien taken van publieke aard en van algemeen belang vaak zonder winstoogmerk worden uitgeoefend (Ibid.punt 51). Het is dus een functioneel begrip waarbij wordt beoordeeld of de contractuele relatie deel uitmaakt van de activiteiten die een persoon beroepsmatig uitoefent.

     

    De bedoelde bedingen

     

    Bedingen in B2C overeenkomsten

    De bedoelde bedingen zijn die welke zijn opgenomen in overeenkomsten tussen een onderneming en een consument. Bedingen die zijn opgenomen in een overeenkomst tussen twee particulieren die buiten hun respectieve beroepsactiviteiten handelen, zoals een huurovereenkomst, vallen niet onder het toepassingsgebied van de regeling inzake onrechtmatige bedingen. Richtlijn 93/13 maakt geen onderscheid tussen een overheidsbedrijf of een privéonderneming en de regeling zal dus van toepassing zijn op bedingen in overeenkomsten die worden gesloten door een overheidsbedrijf dat handelt in het kader van zijn openbare dienstverleningstaak (DELFORGE C., "Les clauses abusives dans le bail d'immeuble conclu entre une entreprise et un consommateur", D.C.C.R. 2017, n°116, bl. 3-34, sp.bl.7).

     

    Niet het voorwerp zijn geweest van een afzonderlijke onderhandeling

    Worden bedoeld, bedingen die niet het voorwerp zijn geweest van een afzonderlijke onderhandeling (richtlijn 1993/13, artikel 3.1). Een beding wordt steeds geacht niet het voorwerp van afzonderlijke onderhandeling te zijn geweest wanneer het, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst, van tevoren is opgesteld en de consument dientengevolge geen invloed op de inhoud ervan heeft kunnen hebben (ibid. Artikel 3.2). Dat geldt met name voor de algemene voorwaarden. Het is aan de professional om te bewijzen dat het beding het voorwerp is geweest van afzonderlijke onderhandeling (artikel 4.1).

    Dit omvat clausules waarover niet afzonderlijk is onderhandeld (Richtlijn 1993/13, artikel 3.1). Een beding wordt altijd geacht niet individueel te zijn bedongen wanneer het van tevoren is opgesteld en de consument dus geen invloed heeft kunnen uitoefenen op de inhoud ervan, met name in het kader van een toetredingsovereenkomst (ibid. artikel 3.2). Dit geldt met name voor de algemene voorwaarden. Het is aan de handelaar om te bewijzen dat over de clausule afzonderlijk is onderhandeld (artikel 4.1).

     

    Informatieplicht

    In zijn Invitel-arrest (punt 29) heeft het Hof van Justitie de professional een bijzondere informatieplicht opgelegd wanneer bepaalde dwingende bepalingen van invloed kunnen zijn op de bedingen van de overeenkomst. Het Hof oordeelde dat dit met name het geval is voor een rechtskeuzebeding dat ertoe kan leiden dat de consument de beschermende bepalingen van zijn nationale recht worden ontnomen (arrest AMAZON) (zie SARTORI C., "Quelles sanctions en droit international privé pour les conditions générales abusives?", D.C.C.R. 2017 (116), p. 42)..

     

    Beoordeling van het onrechtmatige karakter

     

    Methodologie

    Om de wettigheid van een beding te beoordelen in het licht van de artikelen VI.82 e.v. van boek VI, moet eerst het beding in kwestie worden vergeleken met de zwarte lijst van bedingen die in alle omstandigheden als onrechtmatig worden beschouwd. Indien het geanalyseerde beding niet in deze lijst is opgenomen, moet het worden geanalyseerd in het licht van de algemene regel van artikel VI.82. Het is aan de nationale rechter om te oordelen over het onrechtmatige karakter.

     

    Criteria

    Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter worden alle omstandigheden rond de sluiting van de overeenkomst, alsmede alle andere bedingen van de overeenkomst (of van een andere overeenkomst waarvan deze afhankelijk is), in aanmerking genomen, rekening houdend met de aard van de producten of diensten waarop de overeenkomst betrekking heeft (artikel 4.1, eerste lid van de richtlijn – VI.82, eerste lid). De in artikel VI.83 opgesomde bedingen worden onder alle omstandigheden als onrechtmatig beschouwd, zodat de rechter de schrapping ervan niet anders hoeft te rechtvaardigen dan door verwijzing naar de wettelijke bepaling.

    Voor de beoordeling van het onrechtmatige karakter wordt tevens rekening gehouden met het in artikel VI.37, § 1, bepaalde vereiste van duidelijkheid en begrijpelijkheid van het beding (VI.82, tweede lid). Indien alle of bepaalde bedingen van een overeenkomst tussen een onderneming en een consument schriftelijk zijn, moeten ze op duidelijke en begrijpelijke wijze zijn opgesteld (VI.37, §1 en art. 5 van de richtlijn 93/13). In geval van twijfel prevaleert de voor de consument gunstigste interpretatie (VI.37, §2 en art. 5 van de richtlijn 93/13).  

    Deze beoordeling moet niet beding per beding gebeuren, maar de cumulatieve werking van alle betrokken bedingen moet worden nagegaan (arrest C-377/14, van 21 april 2016 Radlinger). Daaruit volgt dat van de bedingen die samen werden beschouwd en als onrechtmatig werden gekwalificeerd, elk van de bedoelde bedingen buiten beschouwing moet worden gelaten (zie LAGAERT R., "Arrest Radlinger - Cumulatie van schadevergoedingsbedingen in een consument(krediet)overeenkomst en bevestiging van het doeltreffendheidbeginsel", D.C.C.R. 2017, nr 114, p. 43).

     

    De uitzondering

    De beoordeling van het oneerlijke karakter van bedingen heeft geen betrekking op de bepaling van het eigenlijke voorwerp van de overeenkomst, noch op de gelijkwaardigheid van enerzijds de prijs (of vergoeding van de professional) en anderzijds de als tegenprestatie te leveren goederen of te verrichten diensten, voor zover die bedingen duidelijk en begrijpelijk zijn geformuleerd (artikel 4.2 van de richtlijn).

    Sanctie van de onrechtmatige bedingen

    Principe

    Artikel 3.1 van de richtlijn 93/13 verplicht de lidstaten ertoe in hun nationale wetgeving te bepalen dat oneerlijke bedingen in overeenkomsten gesloten door een professional met een consument de consument niet binden en dat de overeenkomst voor de partijen bindend blijft volgens dezelfde voorwaarden, indien de overeenkomst zonder de oneerlijke bedingen kan voortbestaan.

     

    Openbare orde en verzaking

    Het HJEU was van mening dat het verbod op onrechtmatige bedingen moest worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die, binnen de nationale rechtsorde, het karakter hebben van normen van openbare orde(Arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse et de Man Garabito, C‑488/11,EU:C:2013:341, punt 44).. Artikel VI.84, §1, lid 3 bevestig: De consument kan geen afstand doen van de rechten die hem bij deze afdeling worden toegekend.

    In het arrest Pannon heeft het Hof niettemin toegegeven dat, wanneer het de aanwezigheid van een onrechtmatig beding vaststelt, de nationale rechter op grond van de richtlijn evenwel niet gehouden, het betrokken beding buiten toepassing te laten wanneer de consument, na in kennis te zijn gesteld door die rechter, voornemens is het oneerlijke en niet-bindende karakter daarvan niet in te roepen (C-243/08, arrest van 4 juni 2009, Pannon, ECLI:EU:C:2009:350, punt 33). Het heeft dit standpunt bevestigd:de rechter is verplicht het oneerlijke beding niet toe te passen, tenzij de consument hiertegen zich verzet (Zaken C-154/15, C-307/15 et C-308/15 - Arrest van het Hof van 21 december 2016 - Francisco Gutiérrez Naranjo contre Cajasur Banco SAU, punt 49).

    Het recht op verzaking lijkt dus in het Belgische recht te moeten worden aanvaard, ondanks de ongenuanceerde formulering van artikel VI.84, §1, lid 3 (rechtsleer binnen de grenzen van de rechtspraak van het Hof van Cassatie: er kan geen sprake zijn van verzaking a priori (bijvoorbeeld door een contractueel beding). Verzaking kan er pas zijn na het plaatsvinden van de gebeurtenis die de basis vormt voor de bescherming. De consument kan alleen van bescherming afzien als hij dit met volledige kennis van zaken doet en als die afstand voortvloeit uit de feiten, mogen die niet voor een andere interpretatie vatbaar zijn.

     

    Tenuitvoerlegging door de nationale rechter

    Volgens de rechtspraak van het Hof moet de nationale rechter alle consequenties trekken die, volgens het nationale recht, voortvloeien uit de vaststelling dat het betrokken beding oneerlijk is, om ervoor te zorgen dat de consument er niet door gebonden is. Volgens het Hof vereist de volledige doeltreffendheid van de door de richtlijn geboden bescherming dat de nationale rechter die heeft vastgesteld dat een beding oneerlijk is, hieruit de consequenties mag trekken zonder te moeten wachten tot de consument die van zijn rechten in kennis is gesteld, opmerkingen indient waarmee hij om nietigverklaring van dit beding verzoekt (arrest Banif Plus Bank, punten 28 en 36).

    Artikel VI.84, §1 bepaalt dat Elk onrechtmatig beding is verboden en nietig.  De overeenkomst blijft bindend voor de partijen indien ze zonder de onrechtmatige bedingen kan voortbestaan.  De consument kan geen afstand doen van de rechten die hem bij deze afdeling worden toegekend. De Belgische wetgever heeft dus voorzien in een stelsel van nietigheid dat de rechter ambtshalve moet aanvoeren, zelfs wanneer hij bij verstek uitspraak doet (in dit geval met inachtneming van de rechten van verdediging van de professional, waarbij hij wordt verzocht zo nodig verantwoording af te leggen over de toepassing van de regelgeving).

    In de rechtspraak van het HJEU toegepast op de nietigverklaring van onrechtmatige bedingen, moeten de betrokken bedingen worden beschouwd als bedingen die nooit enig effect hebben gehad.

     

    Bovendien wijst het Hof er regelmatig op dat de nationale rechters de toepassing van een onrechtmatig contractueel beding moeten uitsluiten zonder dat zij bevoegd zijn om de inhoud ervan te herzien. De nationale rechter mag dus niet het bedrag van de sanctie verlagen om het onrechtmatige karakter te doen verdwijnen (Zie zaken C-482/13, C-484/13, C-485/13 et C-487/13 - Arrest van 21 januari 2015 - Unicaja Banco SA et Caixabank SA, punt 29; Zie ook arrêt Asbeek Brusse en de Man Garabito, EU:C:2013:341, punt 59).

    Volgens het Hof (punt 98 van het arrest C-377/14, van 21 april 2016 Radlinger), Die uitlegging vindt bovendien steun in de doelstelling en de algemene opzet van richtlijn 93/13. Gelet op de aard en het gewicht van het openbare belang waarop de aan de consument geboden bescherming berust, verplicht die richtlijn de lidstaten, zoals volgt uit artikel 7, lid 1, ervan, in dit verband om in doeltreffende en geschikte middelen te voorzien „om een eind te maken aan het gebruik van oneerlijke bedingen in overeenkomsten tussen consumenten en verkopers”. Indien de nationale rechter bevoegd zou zijn om de inhoud van de oneerlijke bedingen van dergelijke overeenkomsten te herzien, zou de verwezenlijking van het langetermijndoel van artikel 7 van die richtlijn in gevaar kunnen komen, aangezien die bevoegdheid de afschrikkende werking die voor verkopers daarin besloten ligt dat dergelijke oneerlijke bedingen zonder meer buiten toepassing worden gelaten ten aanzien van de consument, zou verminderen (arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse en de Man Garabito, C‑488/11, EU:C:2013:341, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

    Wanneer het beding dat de keuze van het toepasselijke recht vastlegt, onrechtmatig wordt verklaard, mag het door dat beding aangewezen recht niet van toepassing zijn op de andere bedingen, die bijgevolg onderworpen zijn aan het recht dat zonder een beding van toepassing.

     

     

    Rechtspraak

    • Het beding uit het algemeen reglement van de verrichtingen van een bank dat de rechtbanken van de zetel van de bank bevoegd verklaart, terwijl de bank (en alleen de bank) het recht heeft om een procedure in te stellen voor een andere volgens het gemene recht bevoegde rechtbank. Het recht voor de bank om “alle kosten in rekening te brengen die door de cliënt zijn veroorzaakt” (wat een foutieve oorsprong kan impliceren). Of het recht voor de bank om eenzijdig het minimumbedrag van de stortingen op een termijnrekening te wijzigen (zonder de parameters aan te geven die de wijziging rechtvaardigen) of discretionair te beslissen op welke vorderingen zij zal compenseren.