www.belgium.be logo BE

    GEANNOTEERD WETBOEK VAN KREDIETEN AAN CONSUMENTEN

    Dwingende wet en formalisme

    Artikel VII.2, § 4, 1ste lid 

    Onverminderd de bepalingen van de artikelen VII.5, VII.29 en VII. 194 tot VII. 208, is elk met de bepalingen van dit boek en van zijn uitvoeringsbesluiten strijdig beding verboden en nietig van rechtswege voor zover het ertoe strekt de rechten van de consument of van de betalingsdienstgebruiker in te perken of zijn verplichtingen te verzwaren.

     

     

    Principe

    Deze bepaling is een van de hoekstenen van de wetgeving inzake consumentenkrediet. Ze verbiedt elk contractueel beding dat de rechten van de consumenten zou beperken of hun verplichtingen zou verzwaren. Dergelijke bedingen zijn nietig. Het nietigheidsstelsel gaat verder dan de loutere nietigheid van het andersluidend beding. Verschillende burgerlijke sancties zijn gericht op de nietigheid van de overeenkomst zelf. De regel in artikel VII.2, §4, legt de kredietgever op zich te onthouden. De artikelen VII.194 en volgende, die voorzien in burgerlijke sancties, bekrachtigen meestal een positieve verplichting tot naleving van de wettelijke bepalingen. Hoewel het niet mogelijk is de aan de consument geboden bescherming contractueel in te perken, staat niets in de weg om in bedingen te voorzien die dit effect niet hebben of die de mate van bescherming verhogen.

     

     

    Bepalingen van openbare orde en dwingende bepalingen

    In de Belgische rechtsleer en rechtspraak wordt een verschil gemaakt tussen bepalingen van de wet die de openbare orde betreffen en bepalingen van dwingend recht.. Volgens een klassieke formulering, een wet is van openbare orde wanneer zij de wezenlijke belangen van de Staat of van de gemeenschap betreft of, in het privaatrecht,de juridische grondslagen vastlegt waarop de economische of morele orde van de samenleving berust (Hof van Cassatie, veel beslissingen zie b.v. Cass. 13 december 2016, P.16.0421.N en Cass.10 september 2015, C.12.0533.N-C.12.0597.N, www.juridat). De wetgever heeft de rechter belast met de taak om het begrip openbare orde te verduidelijken. (Cass.13 december 2016, Ibid).

    Een dwingende bepaling beschermt particuliere belangen, in dit geval de belangen van de consument. De bescherming die ze biedt, kan alleen door de begunstigde worden ingeroepen. Daaruit werd afgeleid dat de rechter niet ambtshalve een beschermende bepaling kon inroepen die niet door de consument werd ingeroepen (omdathij afwezig was of omdat hij het recht niet kende).

    Sinds een arrest van 14 april 2005 van het Hof van Cassatie (dat vervolgens meermaals werd herhaald), heeft het onderscheid tussen bepalingen van openbare orde en dwingende bepalingen een aanzienlijk deel van zijn praktisch nut voor procedures verloren. Het Hof van Cassatie heeft namelijk geoordeeld dat, onafhankelijk van de vraag of de betreffende bepaling van openbare orde is of niet, de rechter is verplicht het geschil te beslechten in overeenstemming met de op hem toepasselijke rechtsregel; (dat) hij verplicht is om, met inachtneming van de rechten van de verdediging, ambtshalve de rechtsgronden aan te voeren waarvan de toepassing wordt beheerst door de feiten die de partijen speciaal ter ondersteuning van hun vorderingen inroepen.

    Deze beslissing, die snel werd gevolgd door rechters ten gronde, heeft een einde gemaakt aan de juridische conceptie van de oorzaak volgens dewelke het beschikkingsbeginsel verbiedt dat de rechter de juridische kwalificatie van de feiten die hem werden voorgelegd, wijzigt. De rechter aan wie een vraag wordt voorgelegd inzake een consumentenkrediet heeft dus de plicht om elke wettelijke bepaling aan te voeren aangezien deze immers van toepassing is op de feiten die specifiek door de partijen worden aangevoerd, zelfs als zij deze niet vermelden.(voir J.F. VAN DROOGHENBROECK, "Le juge, les parties, le fait et le droit", in Actualités en droit judiciaire, CUP, vol. 83, 12/2005, pp. 141 et s.; ) Deze opvatting geldt des te meer omdat zij door het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen is aangenomen voor de bepalingen van Europees recht ter bescherming van de consument (zie verder) ((Voy. STEENNOT R. noot sub Vred. Audenarde - Kruishoutem, 11 juli 2016, T. Vred. 2016, 575).

    Wanneer het Hof van Beroep van Antwerpen zo van oordeel is dat er sprake lijkt te zijn van verboden leurhandel, verzoekt het de partijen om het dwingende karakter van artikel 7 WCK [VII.67] toe te lichten en hun argumenten over de gevolgen van dit artikel voor de aan de rechtbank voorgelegde feiten te ontwikkelen (Antwerpen (7de K.), 17 november 2014, R.W. 2016-2017, 912)..

    De wijziging van artikel 806 van het Gerechtelijk Wetboek, door de wet en de aanpassingen door de wet van 6 juli 2017, heeft tot gevolg gehad dat de rol van de rechter die bij verstek uitspraak doet nader werd gespecificeerd. De memorie van toelichting geeft de samenvatting van de reikwijdte van het nieuwe artikel 806 die werd geformuleerd door bepaalde auteurs: "onder voorbehoud van de controle, enerzijds van de regelmatigheid van zijn saisine, anderzijds van zijn territoriale bevoegdheid, is de rechtsmacht van de rechter bij verstek dezelfde als op tegenspraak". De rechter willigt de vorderingen of verweermiddelen van de verschijnende partij in, behalve in zoverre de rechtspleging, die vorderingen of middelen strijdig zijn met de openbare orde, met inbegrip van de rechtsregels die de rechter krachtens de wet ambtshalve kan toepassen. Deze laatste verduidelijking, die op verzoek van de Raad van State is aangebracht om elke twijfel uit te sluiten, beoogt met name dwingende regels zoals de regels inzake consumentenbescherming.

    Boek VII bevat een mix van bepalingen van openbare orde en dwingende bepalingen. Praktisch gezien is het enige belang van het onderscheid nu te weten of de consument al (dwingende bepaling) dan niet (bepaling van openbare orde) kan afzien van het voordeel van bescherming.

     

     

     

     

    Verzaking door de consument

     

    In overeenstemming met artikel 6 van het Burgerlijk Wetboek kan aan de wetten die de openbare orde en de goede zeden betreffen, door bijzondere overeenkomsten geen afbreuk worden gedaan. Dit verbod is absoluut (P Van Ommeslaghe, Traité de droit civil belge, t.ll, Les obligations, vol.1, Brussel, Bruylant 2013, p.364, no 221). Het afzien door de consument van bescherming die hij krachtens een bepaling van boek VII geniet, is dus alleen maar mogelijk voor een bepaling die enkel dwingend is.

    De verzaking kan pas plaatsvinden als de behoefte aan bescherming is verdwenen. De beschermde partij kan slechts afstand doen van het voordeel van bescherming wanneer die effect heeft kunnen sorteren. Elke verzaking a priori is onwettig (VII.2, §4) en er kan geen sprake zijn van afstand van een recht waarvan de consument niet op de hoogte is op grond van het feit dat de handelaar heeft nagelaten hem daarover te informeren (Gent (21 februari 2007, D.C.C.R. 2007 (76), 277 met noot E. TERRYN, "Geen verzaking aan het verzakingsrecht indien de consument niet op de hoogte was van het bestaan van dit recht", p. 284).

    Het is niet eenvoudig te bepalen wanneer de behoefte aan bescherming eindigt. Artikel VII.108, §1, (verbod op het gebruik van een beding van eigendomsvoorbehoud wanneer 40% van de contante waarde reeds door de consument is betaald) geeft een voorbeeld: afstand is mogelijk door middel van een schriftelijke overeenkomst, gesloten na een ingebrekestelling bij een aangetekende zending. Deze bepaling toont aan dat in dit geval de behoefte aan bescherming pas verdwijnt na opzegging van de kredietovereenkomst en de verzending van een speciale ingebrekestelling.

    Deze regels zijn in overeenstemming met de door het Hof van Justitie van de EU naar voren gebrachte beginselen. Het heeft bijvoorbeeld besloten dat het verbod op onrechtmatige bedingen moet worden beschouwd als een norm die gelijkwaardig is aan de nationale regels die, binnen de nationale rechtsorde, het karakter hebben van normen van openbare orde (Arrest van 30 mei 2013, Asbeek Brusse et de Man Garabito, C‑488/11, EU:C:2013:341, N)44.). Artikel VI.84, §1, derde lid, lijkt dat te bevestigen.

    In het arrest Pannon heeft het Hof niettemin toegegeven dat, wanneer het de aanwezigheid van een onrechtmatig beding vaststelt, de nationale rechter is op grond van de richtlijn evenwel niet gehouden, het betrokken beding buiten toepassing te laten wanneer de consument, na in kennis te zijn gesteld door die rechter, voornemens is het oneerlijke en niet-bindende karakter daarvan niet in te roepen (C-243/08, arrest avn 4 juni 2009, Pannon, ECLI:EU:C:2009:350, n° 33. Het heeft dit standpunt bevestigd: de rechter is verplicht het onrechtmatige beding niet toe te passen, tenzij de consument hiertegen bezwaar maakt (C-154/15, C-307/15 et C-308/15 - Arrest van het Hof van 21 december 2016 - Francisco Gutiérrez Naranjo contre Cajasur Banco SAU, n°49)

    Het recht om ervan af te zien een onrechtmatig beding te betwisten, moet dus in het Belgische recht worden aanvaard, ondanks de ongenuanceerde formulering van artikel VI.84, §1, (rechtsleer), binnen de grenzen aangegeven door de rechtspraak van het Hof van Cassatie: er kan geen sprake zijn van verzaking a priori (bijvoorbeeld door een contractueel beding). Verzaking kan er pas zijn na het plaatsvinden van de gebeurtenis waarop de bescherming is gebaseerd. De consument kan alleen van bescherming afzien als hij dit met volledige kennis van zaken doet en als die afstand voortvloeit uit de feiten, mogen die niet voor een andere interpretatie vatbaar zijn.

    Meerdere kredietgevers, geconfronteerd met formele onregelmatigheden die door de consument of de rechter aan de orde zijn gesteld, hebben geprobeerd te doen gelden dat de vrijwillige uitvoering van de kredietovereenkomst door de consument gelijkstond aan de verzaking van het recht zich te beroepen op de onregelmatigheden van genoemde overeenkomst. De verzaking waarop men zich kan beroepen op basis van een dwingende bepaling, veronderstelt dat wordt bewezen dat de consument wel degelijk de intentie heeft te verzaken, wat met name veronderstelt dat wordt aangetoond dat de consument weet had van de inbreuk (rechtsleer).

     

    In de rechtspraak van het Hof van Cassatie wordt de verzaking van een partij aan een recht strikt geïnterpreteerd en kan deze enkel worden afgeleid uit feiten die niet vatbaar zijn voor andere interpretaties. De regel die bij arrest van 15 februari 1974 (Pas.,1974, l, p. 630) als algemeen rechtsbeginsel is vastgesteld, werd meerdere keren herhaald.

    Het aantonen van de verzaking, waarmee de kredietgever is belast, is uiteraard zeer moeilijk (voy: Rb. Dendermonde, 28 februari 2002, Jaarboek Kredietrecht, 2002, 55.; zie ook BALATE E., La conclusion du contrat de crédit. L'apport de la loi du 24 maart 2003 modifiant la loi du 12 juni 1991 relative au crédit à la consommation, in Actualités du droit du crédit à la consommation, , Fac. un. St Louis, 2004,, p.55, sp.19). Het argument wordt daarom regelmatig afgewezen (zie b.v. Vred. Sint-Niklaas, 28 maart 2001, Jaarboek Kredietrecht 2001, 124 met noot Geert Straetemans, 133). Daarenboven mogen de burgerlijke straffen die in de wet zijn bepaald, sinds het arrest van het Hof van Cassatie van 7 december 2006, niet meer als een vorm van forfaitaire schadevergoeding voor een geleden nadeel worden beschouwd, maar als een vorm van burgerlijke geldboete die de niet-naleving van een voorschrift bestraft, dat de wet beoogt te doen respecteren. De rechter moet de sanctie toepassen indien hij vaststelt dat het voorschrift wordt geschonden. De mogelijk dubbelzinnige houding van de consument stelt de professional dus niet vrij van de naleving van de wettelijke normen.

     

     

     

    De rol van het Hof van Justitie bij de interpretatie van de richtlijnen inzake consumentenkrediet

    Het Hof van Justitie van de Europese Unie is bevoegd om in het kader van prejudiciële kwesties uitspraak te doen over de interpretatie van de verdragen (artikel 267,  Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie  [VWEU]).

    Wanneer de nationale rechterlijke instanties geconfronteerd worden met een interpretatieprobleem van het Gemeenschapsrecht, zijn zij verplicht, in elk geval wanneer zij in laatste instantie uitspraak doen, het Hof van Justitie van de EU te bevragen. Het Hof herinnert er in talrijke beslissingen aan dat  artikel 267 VWEU is een instrument van samenwerking tussen het Hof en de nationale rechterlijke instanties, waarmee het Hof de nationale rechterlijke instanties de uitleggingsgegevens met betrekking tot het recht van de Unie verschaft die deze voor de beslissing van de hun voorgelegde geschillen nodig hebben (zie onder andere Meilicke, C‑83/91, EU:C:1992:332, punt 22, et Unió de Pagesos de Catalunya, C‑197/10, EU:C:2011:590, punt 16) (HJEU, arrest van 31 maart 2016, Euro Bank SA tegen Marek Łopaciński, ECCLI:EU:C:2016:143). 

    In vele uitspraken onderstreept het Hof van Justitie van de EU dat:

    In het kader van die samenwerking rust er een vermoeden van relevantie op de vragen betreffende het recht van de Unie. Het Hof kan een verzoek van een nationale rechter slechts afwijzen wanneer duidelijk blijkt dat de gevraagde uitlegging van het recht van de Unie geen verband houdt met een reëel geschil of met het voorwerp van het hoofdgeding, of wanneer het vraagstuk van hypothetische aard is of het Hof niet beschikt over de gegevens, feitelijk en rechtens, die noodzakelijk zijn om een zinvol antwoord te geven op de gestelde vragen.

    De taak van het Hof in het kader van de prejudiciële procedure is namelijk, bij te dragen aan de rechtsbedeling in de lidstaten, en niet adviezen over algemene of hypothetische vragen te geven.

     In het kader van de bij artikel 234 EG ingestelde procedure van samenwerking tussen de nationale rechterlijke instanties en het Hof, is het de taak van het Hof om de nationale rechter een nuttig antwoord te geven aan de hand waarvan deze het bij hem aanhangige geding kan oplossen. Met het oog hierop moet het Hof in voorkomend geval de hem voorgelegde vragen herformuleren (zie inzonderheid arresten van 28 november 2000, Roquette Frères, C‑88/99, Jurispr. blz. I‑10465, punt 18; 20 mei 2003, Ravil, C‑469/00, Jurispr. blz. I‑5053, punt 27, en 4 mei 2006, Haug, C‑286/05, Jurispr. blz. I‑4121, punt 17).

     

    De rol van de nationale rechter bij de toepassing van het Gemeenschapsrecht ter bescherming van de consument

    Het HJEU heeft in talrijke arresten onderstreept dat de nationale rechter ambtshalve de uitzonderingen uit de Europese richtlijnen die een regeling ter bescherming van de consument organiseren aan de orde moet stellen. Met deze overweging wordt uitvoering gegeven aan het doeltreffendheidsbeginsel, dat door het HJEU wordt erkend als een algemeen beginsel van het Gemeenschapsrecht, dat veronderstelt dat, indien een recht wordt erkend aan particulieren krachtens het Gemeenschapsrecht, de lidstaten verantwoordelijk zijn voor een doeltreffende bescherming ervan, wat met name impliceert dat een beroep op de rechter moet worden ingesteld.

     

    De regels inzake consumentenbescherming moeten ambtshalve door de rechter worden opgeworpen 

    Het Hof herinnert regelmatig aan de rol van de nationale rechter bij de toepassing van de bepalingen van het Gemeenschapsrecht die de bescherming van de consument waarborgen. Die rol wordt nogmaals als volgt samengevat in de punten 62 tot 73 van het arrest van 21 april 2016 in de zaak C-377/14 (Radlinger/ Finway) over de toepassing van richtlijn 2008/48 inzake consumentenkrediet. (zie passage uit het arrest)

    1. Het is aan de nationale rechter om ambtshalve een onderzoek in te stellen naar de schending van de bepalingen van het Unierecht die een bescherming van de consument organiseren.
      1. Deze vereiste wordt gerechtvaardigd door de overweging dat het beschermingsstelsel gebaseerd is op het idee dat de consument zich in een ondergeschikte situatie ten opzichte van de professional bevindt, zowel wat betreft het onderhandelingsvermogen als het niveau van informatie, een situatie die hem ertoe brengt in te stemmen met de eerder door de professional opgestelde voorwaarden, zonder enige invloed te kunnen uitoefenen op de inhoud ervan.
      2. Bovendien bestaat er een niet te verwaarlozen risico dat de consument zich, met name door onwetendheid, niet zal beroepen op de rechtsregel die bedoeld is om hem te beschermen.
      3. Daaruit volgt dat een doeltreffende consumentenbescherming niet zou kunnen worden bereikt als de nationale rechter niet ambtshalve zou moeten beoordelen of aan de eisen van de normen van het EU-consumentenrecht is voldaan.
      4. Om de door deze richtlijn gewenste bescherming te waarborgen, kan de situatie van ongelijkheid tussen de consument en de professional alleen worden gecompenseerd door een positieve tussenkomst, buiten de partijen bij de overeenkomst om, van de nationale rechter bij wie dergelijke geschillen aanhangig worden gemaakt.
      5. Het ambtshalve onderzoek door de nationale rechter naar de naleving van de vereisten van richtlijn 2008/48 is ook een middel om het in artikel 10, paragraaf 2, van die richtlijn vastgestelde resultaat te bereiken en bij te dragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen ervan.
      6. Overeenkomstig artikel 23 van richtlijn 2008/48 moeten de sancties voor inbreuken op de ter uitvoering van die richtlijn vastgestelde bepalingen een afschrikkende werking hebben. Er bestaat echter geen twijfel over dat het ambtshalve onderzoek door de nationale rechterlijke instanties naar de naleving van de vereisten die uit dezelfde richtlijn voortvloeien een dergelijk karakter heeft.
      7. De rol die het recht van de Unie aldus aan de nationale rechter toekent, beperkt zich niet tot de loutere mogelijkheid om zich uit te spreken over de naleving van deze vereisten, maar omvat ook de verplichting om deze kwestie ambtshalve te onderzoeken zodra hij over de daartoe benodigde juridische en feitelijke informatie beschikt.
    2. Wanneer de nationale rechter ambtshalve een inbreuk op artikel 10, paragraaf 2, van richtlijn 2008/48 heeft vastgesteld, is hij verplicht om, zonder te wachten tot de consument een daartoe strekkend verzoek heeft ingediend, alle conclusies te trekken die volgens nationaal recht uit een dergelijke inbreuk voortvloeien, mits het beginsel van hoor en wederhoor in acht wordt genomen.
    3. Zodra een nationale rechter heeft vastgesteld dat de informatieplicht is geschonden, moet hij alle in het nationale recht voorziene gevolgen trekken, mits de door het nationale recht opgelegde sancties in overeenstemming zijn met de vereisten van artikel 23 van richtlijn 2008/48, namelijk dat de sancties afschrikkend, doeltreffend en evenredig moeten zijn.
    4. Indien de nationale rechter die uitspraak moet doen in een geding tussen uitsluitend particulieren, vaststelt dat de door het nationale recht opgelegde sancties niet afschrikkend, doeltreffend en evenredig zijn, is hij verplicht om bij de toepassing van nationale bepalingen het gehele nationale recht in beschouwing te nemen en dit zo veel mogelijk in het licht van de bewoordingen en het doel van de toepasselijke richtlijn uit te leggen om tot een oplossing te komen die in overeenstemming is met dit doel (punt 54 van het arrest C-565/12, van 27 maart 2014, Le Crédit Lyonnais).

     

    Het is aan de professional om te bewijzen dat de verplichtingen die hem door het Gemeenschapsrecht zijn opgelegd, goed zijn nagekomen (zie bewijslast)

    De procedureregels ter uitvoering van de ten behoeve van de consumenten vastgestelde rechten worden beheerst door het nationale recht.. Het Hof van Justitie oefent slechts marginale controle uit op de naleving van het gelijkwaardigheidsbeginsel en het doeltreffendheidsbeginsel. (Zie de punten 22 en 23 in de zaak Consumer Finance).

    (CJU, 18 december 2014, CA Consumer Finance SA / Ingrid Bakkaus, Charline Bonato et Florian Bonato, ECLI:EU:C:2014:2464; Ann. Crédit, 2012, p. 31 note J. VANNEROM, «Credit checks must not only be done, they must be seen to be done»).

     

    Advies van de administratie

     

    Verklaring van conformiteit aan de wet

     

    • Is in strijd met artikel VII.2, § 4 van de wet: een bepaling in de typeovereenkomst dat de consument verplicht een algemene verklaring af te leggen waarin staat dat de voorafgaande onderhandelingen zijn verlopen en de kredietovereenkomst is gesloten conform de eisen van de wet. Voorbeeld: De consumenten erkennen dat dit aanbod hen gratis en op hun uitdrukkelijk verzoek is overgemaakt in twee exemplaren en niet werd voorafgegaan door enige vorm van leuren, noch aan hun woonplaats, of aan die van een andere consument, noch op plaats van tewerkstelling. In het stelsel van bewijsvoering waarin het geschrift prevaleert, beperkt deze verklaring de bescherming die de wet de consument biedt en verzwaart van de andere kant zijn bewijslast.
    • De consumenten verklaren geen enkele vergoeding te hebben betaald voor de onderhandelingen, onder welke benaming of vorm ook en bestemd voor wie dan ook. Deze bepaling moet worden beschouwd als onrechtmatig  en verboden volgens artikel VII.2, §4. Deze bepaling werd eveneens verworpen door de rechtspraak: zie Rb. Dendermonde, 28 februari 2002, Jaarboek Kredietrecht 2002, 55
    • Les consommateurs déclarent n’avoir payé aucune rémunération pour négociation, sous n’importe quelle dénomination ou forme et destinée à qui que ce soit.  Cette clause doit être considérée comme abusive et est contraire à l'article VII.2, § 4. Cette clause a également été écartée par la jurisprudence: voy. Civ. Termonde, 28 februari 2002, Jaarboek Kredietrecht, 2002, 55.
    • De consumenten verklaren in het kader van het sluiten van de kredietovereenkomst, niet gedwongen te zijn geweest een andere overeenkomst te ondertekenen, noch door de kredietgever, noch door de kredietbemiddelaar. Dit beding moet worden beschouwd als onrechtmatig en verboden volgens artikel VII.2, §4. Dit beding werd eveneens verworpen door de rechtspraak: zie Rb. Dendermonde, 28 februari 2002, Jaarboek Kredietrecht 2002, 55.
    • De bepaling “De consumenten erkennen dat dit aanbod hen gratis en op hun uitdrukkelijk verzoek is overgemaakt en niet werd voorafgegaan door enige vorm van leuren, noch aan hun woonplaats, noch op hun plaats van tewerkstelling” is nietig, want is erop gericht de consument het recht te ontnemen de niet-naleving door de kredietgever van de bepalingen gekoppeld aan artikelen 7 tot 9 en 14 § 1 WCK in te roepen.

    • De bepaling waardoor de consument verklaart de het voertuig in ontvangst te hebben genomen (met datum en handtekening) is in strijd met artikel 19 WCK. Daarvoor is namelijk een van de overeenkomst onderscheiden schriftelijk document vereist.
    • De bepaling “Alle partijen erkennen het exemplaar te hebben ontvangen dat voor hen is bestemd” is in strijd met artikel VII.2, § 4.
    • Is in strijd met de wet de modelovereenkomst inzake consumentenkrediet waardoor de consument zou verklaren alle nuttige informatie te hebben ontvangen om de meest geschikte kredietvorm te kunnen kiezen.
    • Is strijdig met artikel VII.2, § 4 de bepaling van de typeovereenkomst van een kredietgever waardbij meerdere consumenten verklaren hetzelfde belang te hebben. Deze bepaling oordeelt voorlopig op de vermogenstoestand en op de bestemming die de consumenten aan het gefinancierde goed willen geven. De kredietgever moet, in voorkomend geval, nagaan of er een gemeenschappelijk belang bestaat. Daarenboven verplicht het Wetboek de overhandiging van een exemplaar van het aanbod aan elke borgsteller en aan elke persoon die een persoonlijke zekerheid stelt (zie Parl. St., Senaat, 1989-1990, 916/2, p. 120). Het belang van de borg is dus altijd verschillend, enerzijds van die van de kredietnemers, en anderzijds, in voorkomend geval, van alle andere borg

    Overeenkomst over het bewijs

    • De zin: "de boekhoudkundige documenten . . . . vormen het gebruiksbewijs" is een onrechtmatige bepaling in de zin van artikel VII.2, § 4 aangezien deze tot gevolg heeft dat de bewijsmiddelen die de consument kan gebruiken, worden beperkt.
    • De bepaling die een termijn van 30 dagen voorziet om een uittreksel aan te vechten en die bepaalt dat, na het verstrijken van die termijn, het uittreksel onherroepelijk wordt aanvaard, is in strijd met artikel VII.2, §4.

    Toewijzing van bevoegdheid:

    • Artikel VII.4, § 2 die contractuele bepalingen verbiedt die de situatie voor de consument verzwaren, verbiedt elke conventionele afwijking op dit voorschrift, die ook is verboden bij toepassing van artikel 630 van het Gerechtelijk Wetboek: Van rechtswege nietig is iedere overeenkomst die in strijd is met de bepalingen van de artikelen 627, 628, 629 en dagtekent van voor het ontstaan van het geschil.

     

    .

     

    .